Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1201

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
27-02-2020
Zaaknummer
01/993215-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie in het kader van de Opiumwet en voor het tezamen en in vereniging met anderen buiten het grondgebied van Nederland brengen van 121,7 kilogram amfetamine en 4721 gram MDMA. De rechtbank legt (onder meer) een gevangenisstraf van 8 jaren met aftrek van het voorarrest op. Bij de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de recidive en het gewelddadige handelen van verdachte.

De rechtbank heeft tevens de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 517 dagen gevangenisstraf herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993215-18
V.I. zaaknummer: 99-000695-21

Datum uitspraak: 27 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren [geboorteplaats en -datum] 1986,

wonende te [adres]

thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 maart 2019, 5 juni 2019, 27 augustus 2019, 12 november 2019, 21 januari 2020, 22 januari 2020, 27 januari 2020, 28 januari 2020 en 13 februari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 februari 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 5 juni 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2018 tot en met 3 september 2018 te [gemeente] , gemeente Neerijnen en/of te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 121,7 kilogram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of 4721 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 26 november 2018 te Utrecht en/of te Woerden en/of te [gemeente] , gemeente Neerijnen en/of te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal personen (waartoe behoorden onder andere [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meerdere tot nu toe onbekend gebleven perso(o)n(en)), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of artikel 11a Opiumwet;

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De zaak met V.I. zaaknummer 99-000695-21 is aangebracht bij vordering van 4 maart 2019.

Deze vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor de periode van 517 dagen, met betrekking tot het vonnis van Pircanmaa District Court in Finland. De opgelegde straf is naar aanleiding van een overdracht in het kader van de WETS door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overgenomen. Aan veroordeelde is derhalve een gevangenisstraf voor de duur van 547 dagen opgelegd. De veroordeelde is vanaf 20 september 2017 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met onder meer de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De periode van 547 dagen van de voorwaardelijke invrijheidstelling en op grond van artikel 15c (oud)van het Wetboek van Strafrecht daarmee ook de proeftijd, is daadwerkelijk aangevangen op 20 september 2017. Op 7 maart 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland in het kader van een vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gelast dat verdachte 30 dagen gevangenisstraf zou ondergaan. Daarom resteert nog een gevangenisstraf van 517 dagen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis en het feit dat voor een deel dezelfde overwegingen in de zaken van de medeverdachten zullen worden gehanteerd, zal de rechtbank in navolgende bewijsoverwegingen de medeverdachten veelal bij hun achternamen noemen.

Inleiding.

Verdachte wordt verweten tezamen en in vereniging met een ander of anderen betrokken te zijn geweest bij een transport van amfetamine en MDMA naar Zweden in de periode van 11 augustus 2018 tot en met 3 september 2018 (feit 1). Tevens wordt verdachte verweten in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 26 november 2018 te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die het oogmerk had het plegen van misdrijven in het kader van de Opiumwet (feit 2).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte integraal vrij te spreken van de hem ten laste gelegde feiten. Subsidiair vindt de verdediging dat de bewezen verklaarde periode voor feit 2 korter dient te zijn en heeft de raadsman verzocht verdachte partieel vrij te spreken voor de periode van 1 augustus 2017 tot mei 2018. Als er al sprake is van een deelname in de zin van artikel 11B van de Opiumwet dan is dat pas vanaf mei 2018.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage (pag. 15 tot en met 77) bij dit vonnis, en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De rechtbank constateert dat in het proces-verbaal van observatie betreffende 27 augustus 2018 een kennelijke verschrijving staat. Om 14.29 uur wordt gezien dat de Volkswagen [kenteken] (van [medeverdachte 5] , overgenomen door een ander bij de Gamma) een garagebox gelegen aan de [adres 2] te Utrecht binnen rijdt.1 Uit Google Maps blijkt dat de [adres 3] een zijstraat is van de [adres 2] . Gelet op de overige inhoud van het dossier en het specifieke nummer acht de rechtbank aannemelijk dat in het proces-verbaal observatie [adres 3] [nummer] te Utrecht wordt bedoeld. De rechtbank leest dan ook in voornoemd proces-verbaal ‘ [adres 3] [nummer] te Utrecht’ in plaats van ‘ [adres 2] te Utrecht’.

Uit de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat er op meerdere momenten autowissels in Valkenswaard en Maarssen hebben plaatsgevonden met betrekking tot de auto van [medeverdachte 5] , waarbij [medeverdachte 5] ter plaatse achterbleef en de auto met een andere bestuurder is doorgereden naar respectievelijk Neerpelt (België) en de [adres 3] [nummer] te Utrecht.

Op de locatie in Neerpelt België zijn door de Belgische politie stoffen en vloeistoffen bevattende MDMA aangetroffen en op de locatie op de [adres 3] [nummer] te Utrecht is een tabletteerinrichting voor MDMA-pillen en een grote hoeveelheid MDMA-pillen aangetroffen.
Uit het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank, gelet op alle omstandigheden, worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat deze autoritten tussen Valkenswaard/Neerpelt/Valkenswaard/Maarssen naar de loods in Utrecht, drugs gerelateerd zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden vastgesteld dat de later in Zweden aangetroffen MDMA ook daadwerkelijk afkomstig is van de betreffende autorit(ten).

De rechtbank zal om die reden deze bewijsmiddelen niet gebruiken bij het onder 1 ten laste gelegde drugstransport, maar wel bij de tenlastegelegde criminele organisatie.

Nadere bewijsoverwegingen en de bewijsbeoordeling.

De verklaringen van verdachte en zijn broer bij de politie in januari 2020:

[verdachte] en [medeverdachte 2] zijn aangehouden op 26 november 2018 en hebben zich vanaf het begin ten overstaan van de politie en de rechtbank op hun zwijgrecht beroepen. Lange tijd na het gereed komen van het eindprocesverbaal en nadat zij kennis hebben kunnen nemen van en hun verklaring daarmee hebben kunnen afstemmen op de aanvullende processen-verbaal en de talrijke ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen, hebben de genoemde verdachten aangegeven inhoudelijk te willen verklaren. In januari 2020 zijn zij gehoord. Als reden dat zij niet eerder hebben willen verklaren is aangevoerd dat zij hun vader niet wilden belasten. De rechtbank stelt vast dat de heer [medeverdachte 8] op 10 september 2019 is overleden, maar dat de verdachten ook op de pro-forma-zitting op 12 november 2020 niet hebben aangegeven geen gebruik meer te willen maken van hun zwijgrecht. Dit alles maakt dat de rechtbank de door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] in januari 2020 afgelegde verklaringen met de nodige behoedzaamheid zal bezien.

Ten aanzien van feit 1:

Op 3 september 2018 heeft chauffeur [chauffeur 1] , op dat moment werkzaam in een trekker met oplegger van [transportbedrijf] . uit [gemeente] , vijf dozen met inhoud afgegeven aan [afnemer 1] in Zweden. Na aanhouding van [afnemer 1] voornoemd en na onderzoek van de inhoud van de geleverde dozen is gebleken dat in voornoemde dozen 4721 gram MDMA-tabletten en 121,7 kilogram amfetamine zat, zijnde stoffen vermeld op lijst I van de Opiumwet.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte en de medeverdachten bij het ten laste gelegde het volgende af.

[medeverdachte 5] heeft (mede)geregeld dat de chauffeur [chauffeur 1] naar Nederland is gekomen om het transport te rijden en haalt hem op Schiphol op. Hij is aanwezig als [chauffeur 1] vanaf [transportbedrijf] in [gemeente] vertrekt naar Zweden. Hij heeft [chauffeur 1] instructies gegeven over de in Zweden te rijden route en over de plaatsen waar de verdovende middelen in Zweden moesten worden afgegeven. Hij heeft contact met de afnemers in Zweden gehad.

[medeverdachte 7] heeft de vrachtwagen beschikbaar gesteld voor het transport en hij heeft geregeld met welke reguliere (legale) lading de MDMA en amfetamine kon worden vervoerd. Hij is aanwezig geweest bij het laden van de vrachtwagen. Hij heeft met [medeverdachte 8] besproken wanneer het transport zou gaan rijden, welke hoeveelheden verdovende middelen werden vervoerd en hoe en door wie deze drugs gebracht, geladen en geteld zouden gaan worden.

[medeverdachte 2] heeft de hoeveelheid verdovende middelen die vervoerd moesten worden en zijn ingeladen geteld. Hij is aanwezig geweest bij het aansturen van [chauffeur 1] en heeft contact met de opdrachtgevers van het transport gehad. Bovendien is hij telkens aanwezig bij de medeverdachte(n) op cruciale momenten.

[verdachte] heeft contact met [chauffeur 1] gehad en heeft een belangrijke rol bij het naar Nederland halen van [chauffeur 1] gehad. Ook heeft hij de 140 snelle (amfetamine) die zijn vervoerd, aangepakt. De rechtbank leidt dit met name af uit het opgenomen gesprek van 18 juli 2018 tussen [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 5] . Dit gesprek is na het eerste transport van 16/17 juli 2018 en vóór het tweede transport van 2 en 3 september 2018 geweest.

In dit gesprek wordt onder meer gezegd dat [voornaam verdachte] (zoals [verdachte] ook genoemd wordt) al weer 140 snelle heeft aangepakt die hij ergens heeft liggen en niet meer terug kan geven. [medeverdachte 7] geeft aan dat ze de komende 3 weken helemaal niks hebben. Zweden klapt half juli. Dan is het vakantie.

Uit het dossier is niet gebleken dat er tussen deze twee transporten nog een ander drugstransport heeft plaatsgevonden via deze (mede)verdachten. De rechtbank acht dan ook zeer aannemelijk dat de 140 snelle, genoemd in het gesprek, de 121,7 kilogram amfetamine is die tijdens het (eerstvolgende) transport op 3 september 2018 in Zweden is afgeleverd.

Verdachte heeft bij de politie op 9 januari 2020 verklaard dat hij een en ander van zijn vader heeft gehoord en dat het grootspraak was toen hij tegenover [medeverdachte 7] over de 140 snelle heeft gesproken maar dat hij niet daadwerkelijk over 140 snelle heeft beschikt. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte volstrekt ongeloofwaardig, gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen door de rechtbank over de betrouwbaarheid van deze verklaring van verdachte afgelegd bij de politie.

Op grond van het voorgaande is rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde is naar het oordeel van rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 11 augustus 2018 tot en met 3 september 2018 opzettelijk 121,7 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine en 4721 gram van een materiaal bevattende MDMA buiten het grondgebied van Nederland, namelijk naar Zweden, heeft gebracht.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak voor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in art. 140 Sr en 11b Opiumwet is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. Van deelneming aan de organisatie is sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. De verdachte dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; in zoverre is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Het is echter niet vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad. Evenmin is nodig dat de verdachte moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Naar het oordeel van de rechtbank vormden de verdachten [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] een samenwerkingsverband zoals hiervoor bedoeld. Binnen deze organisatie was sprake van versluierd taalgebruik, werd door het gebruik van PGP-telefoons en het veelvuldig wisselen van ‘gewone’ telefoons de onderlinge communicatie voor een deel afgeschermd van de buitenwereld en werd (bedreiging met) geweld niet geschuwd. Ten aanzien van het oogmerk van het samenwerkingsverband, de daarbinnen bestaande verdeling van werkzaamheden en de rol van de afzonderlijke deelnemers overweegt de rechtbank als volgt.

Vanaf 27 april 2018 hebben genoemde personen samengewerkt met als doel drugs naar Scandinavië te exporteren. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat op die datum [medeverdachte 7] is bedreigd in verband met het vereffenen van een vermeende schuld. Nadien, zo blijkt onder meer uit het opgenomen gesprek van 23 mei 2018, is gestart met het vormgeven van de drugstransporten. De rechtbank ziet in het dossier aanwijzingen dat sommige verdachten al eerder dan 27 april 2018 betrokken waren bij de export van drugs maar het dossier biedt onvoldoende steun voor het bewijs dat deze activiteiten plaatsvonden vanuit hetzelfde criminele samenwerkingsverband.

De broers [familienaam] hadden in de organisatie, samen met hun inmiddels overleden vader [medeverdachte 8] , een leidende rol. De broers [familienaam] zorgden ervoor dat de drugs die vervoerd moesten worden werden ‘aangepakt’ en naar het transportbedrijf van [medeverdachte 7] en van [medeverdachte 6] werden gebracht. Feitelijk bepaalden zij aldus welke drugs er geëxporteerd zouden worden en in welke hoeveelheden. [medeverdachte 2] onderhield de contacten met de opdrachtgevers. Daarnaast telde en registreerde [medeverdachte 2] concreet welke drugs en welke hoeveelheden er met een transport meegingen. Bij [medeverdachte 2] kwamen de PGP-telefoons binnen. Hij bemoeide zich met de vraag wie van de betrokkenen bij een transport de beschikking kreeg over welke telefoon.
[verdachte] was actief betrokken bij het werven van geschikte chauffeurs voor de illegale transporten, te weten het transport naar Denemarken (dat niet is doorgegaan) en het tweede transport naar Zweden. [verdachte] schrok er niet voor terug geweld te gebruiken of te dreigen met geweld. Dit volgt uit zijn betrokkenheid bij de mishandeling van [medeverdachte 7] op 23 mei 2018, de schietincidenten op 23 mei 2018 en 26 oktober 2018 en de nadien jegens [medeverdachte 7] geuite bedreigingen in november 2018.

De inmiddels overleden [medeverdachte 8] heeft de verbinding gemaakt tussen de opdrachtgevers van de drugstransporten en de uitvoering daarvan door het bedrijf van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] Hij had een belangrijke rol bij de feitelijke totstandkoming van de transporten en de verschillende leden van de organisatie meldden zich bij hem op cruciale momenten rondom de transporten.

[medeverdachte 5] had een belangrijke uitvoerende rol bij de drugstransporten. Hij was betrokken bij de feitelijke voorbereiding, onder meer bestaande in het ophalen van drugs, het contact met zowel de chauffeurs als de afnemers in Zweden tijdens de transporten en het organiseren van de daadwerkelijke ontmoeting tussen chauffeurs en afnemers. Hij was ondergeschikt aan de broers [familienaam] en liet zich, geheel vrijwillig, voor de illegale activiteiten gebruiken.

[medeverdachte 3] heeft veelvuldig contact met [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2] . Tijdens een bijeenkomst op 31 augustus 2018 met [verdachte] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] heeft [medeverdachte 8] verklaard dat [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) iemand met de naam [medeverdachte 3] bij ‘onze groep’ heeft genomen. Op 27 augustus 2018 en 27 september 2018 heeft [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 5] telefonisch aanwijzingen gegeven toen [medeverdachte 5] met zijn auto op weg was naar en zich bevond in Valkenswaard. Op aangeven van [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 5] zijn auto overgegeven aan een onbekende die daarmee naar een adres in Neerpelt in België is gereden. Op 26 november 2018 zijn op deze locatie door de Belgische politie stoffen en vloeistoffen bevattende MDMA aangetroffen. Nadat [medeverdachte 5] zijn auto weer in ontvangst heeft genomen, is hij naar de Gamma in Maarssen gereden alwaar de auto wederom is overgegeven aan een ander. De auto is vervolgens naar de [adres 3] in Utrecht gereden. Op deze locatie wordt op 26 november 2018 een tabletteerinrichting voor MDMA-tabletten aangetroffen. Uit het telefoonverkeer tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] op 27 september 2018 volgt dat [medeverdachte 3] wist dat [medeverdachte 5] op weg was naar de Gamma. Op 10 oktober 2018 neemt [medeverdachte 3] bij het derde transport naar Zweden contact op met de zoon van de chauffeur [chauffeur 2] met het verzoek [chauffeur 2] te laten bellen omdat iedereen zit te wachten. [medeverdachte 3] had dus zowel contact met [medeverdachte 5] over de drugs gerelateerde transporten van Neerpelt naar Utrecht als betrokkenheid bij het transport naar Zweden in oktober 2018, waarbij [medeverdachte 5] eveneens een belangrijke rol speelde.
[medeverdachte 3] werd aangehouden in zijn auto. Op de bijrijdersstoel naast hem bevonden zich drie telefoons, waaronder een PGP-telefoon.
Op basis van dit samenstel van feiten en de betreffende onderliggende bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 3] deel heeft uitgemaakt van het criminele samenwerkingsverband en daarbinnen tenminste een regelende rol heeft vervuld.

[medeverdachte 7] stelde de vrachtwagencombinatie waarin de drugs werden vervoerd ter beschikking en was aanwezig bij het daadwerkelijk verbergen van de drugs tussen de reguliere - niet illegale - lading.

[medeverdachte 6] was meer dan eens aanwezig bij het overleg tussen betrokkenen en dacht actief na over het welslagen van eventuele transporten. Hij gaf aanwijzingen over de reguliere lading die geschikt moest zijn om de drugs tussen te vervoeren en hij benadrukte dat de chauffeurs van de vrachtauto’s de beschikking moesten krijgen over een PGP-telefoon.

Op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen alsmede hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, voor zover hierna bewezen is verklaard.

Hetgeen de verdediging overigens ten aanzien van het bewijs als verweer heeft betoogd, vindt zijn weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebruikt. De rechtbank heeft in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden die maken dat aan de inhoud van die bewijsmiddelen behoort te worden getwijfeld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de periode van 11 augustus 2018 tot en met 3 september 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht 121,7 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine en 4721 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

in de periode van 27 april 2018 tot en met 26 november 2018 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal personen, waartoe behoorden onder andere [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of artikel 11a Opiumwet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

  • -

    een gevangenisstraf van 10 jaren met aftrek van het voorarrest;

  • -

    onttrekking aan het verkeer van de goederen vermeld onder 2, 3 en 4 op de lijst van in beslag genomen goederen;

  • -

    verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 6.525,--, vermeld onder 1 op de lijst van in beslag genomen goederen.

Ten aanzien van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling:

-toewijzing van de vordering en alsnog ten uitvoerlegging van 517 dagen gevangenisstraf.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft meer subsidiair aangevoerd dat een eventueel op te leggen gevangenisstraf beduidend lager zal moeten zijn dan is geëist door het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie noemt de rol van verdachte prominent, hetgeen zich niet verhoudt met de hoeveelheid aan verdachte verweten gedragingen en de verdachte toegedichte rol binnen de vermeende criminele organisatie.

Ten aanzien van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft de raadsman verzocht deze af te wijzen dan wel de toewijzing te matigen.

Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman verzocht de beslagen goederen terug te geven aan de verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer zeven maanden deelgenomen aan een criminele organisatie, die zich bezighield met het buiten het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden harddrugs en softdrugs.

Criminele organisaties als deze ondermijnen de rechtsorde vanwege hun misdadige oogmerk, hun grote winsten waarover geen belasting wordt betaald en daarmee samenhangende (illegale) handelingen.

Verdachte had samen met zijn broer binnen de organisatie een leidende rol. Zij zorgden er voor dat de drugs die vervoerd moesten worden werden ‘aangepakt’ en naar het transportbedrijf van [medeverdachte 7] en van [medeverdachte 6] werden gebracht. Feitelijk bepaalden zij aldus welke drugs er geëxporteerd zouden worden en in welke hoeveelheden. Verdachte was actief betrokken bij het werven van geschikte chauffeurs voor de illegale transporten, te weten het transport naar Denemarken (dat niet is doorgegaan) en het tweede transport naar Zweden. Verdachte schrok er niet voor terug geweld te gebruiken of te dreigen met geweld tegen [medeverdachte 7] Uit het dossier blijkt dat verdachte met name [medeverdachte 7] maar ook [medeverdachte 6] ernstig geïntimideerd en bedreigd heeft. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Het is algemeen bekend dat (hard)drugs schade kunnen toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Verdachte heeft zich daar niets van aangetrokken en kennelijk puur gehandeld uit eigen belang en financieel gewin.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit onherroepelijk is veroordeeld. Verdachte is veroordeeld in Finland voor het invoeren van amfetamine en hasjiesj en op 20 september 2017 in vrijheid gesteld. Tijdens de periode van de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft verdachte zich opnieuw bezig gehouden met soortgelijke criminele activiteiten.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van het voorarrest.

Hoewel verdachte voor een minder strafbare feiten wordt veroordeeld dan zijn broer [medeverdachte 2] , legt de rechtbank aan beide verdachten een gevangenisstraf op van gelijke duur, gelet op het gelijke aandeel van verdachte en zijn broer binnen de criminele organisatie, zijn gewelddadige handelen en gelet op de hiervoor genoemde recidive.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.De rechtbank is van oordeel het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is dat aan verdachte toebehoort en hij dit voorwerp geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en dit voorwerp geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit is verkregen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen goederen voorwerpen zijn die vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu met betrekking tot deze voorwerpen een strafbaar feit is gepleegd (imitatie horloges) en het voorhanden hebben van deze voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Motivering van de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling 99-000695-21.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van de veroordeelde, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling over te gaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57

Opiumwet art. 2, 10, 11b.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd T.a.v. feit 2: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde en vijfde lid en 11a van de Opiumwet. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 2:

 Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

 Verbeurdverklaring van het in beslag genomen goed, te weten: - een geldbedrag van EUR 6.525,--.

 Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten:

- 1 horloge Rolex imitatie Submariner;

- 1 horloge Rolex imitatie Oyster Petuale;

- 1 horloge Rolex imitatie Seadweller.

De beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met v.i-zaaknummer 99-000695-21.

Wijst de vordering tot (gedeeltelijke) herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in de zaak met VI-zaaknummer 99-000695-21 toe. Dit betreft een vonnis van 15 mei 2016 door de Pirkanmaa District Court in Finland. De opgelegde gevangenisstraf van drie jaren is middels een overdracht in het kader van de WETS, door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overgenomen;

- gelast dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan, te weten het resterende deel van 517 dagen gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. H.M. Hettinga en mr A. Bernsen, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 27 februari 2020.

[bewijsbijlage]

1 ZD map 1 pag. 210