Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1088

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
C/01/355119 / JE RK 20-185
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Oost-Brabant aanvaardt niet de bevoegdheid over de minderjarige en wijs het daartoe strekkende verzoek op grond van artikel 8 en 15 Brussel IIbis af.

Het Belgische systeem van kinderbeschermingsmaatregelen wijkt te veel af van het Nederlandse systeem.

Wetsverwijzingen
Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/4.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/01/355119 / JE RK 20-185

datum uitspraak: 17 februari 2020

in de zaak van

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ANTWERPEN in België,

afdeling Antwerpen, sectie Jeugdrechtbank,

hierna te noemen: de jeugdrechtbank Antwerpen,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

Het procesverloop


Op 6 januari 2020 is bij deze rechtbank een beschikking van de jeugdrechtbank Antwerpen ontvangen.

Het verzoek


De jeugdrechter van de jeugdrechtbank Antwerpen heeft deze rechtbank verzocht haar bevoegdheid over [minderjarige] , verblijvende te [plaats] , overeenkomstig artikel 8 en 15 van de Verordening 2201/2003/EG (Brussel II-bis) te aanvaarden en vervolgens de noodzakelijke en opportune maatregelen te nemen in het belang van de minderjarige.

De beoordeling


De artikelen 8 en 15 Brussel II-bis bieden – kort gezegd – het gerecht dat bevoegd is over een zaak met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid te beslissen de mogelijkheid om de zaak over te dragen naar een gerecht van een andere lidstaat als het kind met die lidstaat een bijzondere band heeft en dat gerecht beter in staat wordt geacht de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen. Voor een dergelijke overdracht kunnen twee wegen worden bewandeld. Het gerecht kan de behandeling van de zaak of het betrokken onderdeel daarvan aanhouden en de partijen uitnodigen om een daartoe strekkend verzoek te richten aan het gerecht van die andere lidstaat (sub a) of zij kan het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid uit te oefenen (sub b), welke bevoegdheid door het aangezochte gerecht al dan niet kan worden aanvaard.

De jeugdrechter van de jeugdrechtbank Antwerpen stelt op basis van de in zijn beschikking genoemde feiten en omstandigheden dat [minderjarige] een bijzondere band heeft met Nederland, zoals genoemd in artikel 15 Brussel II-bis.

Uit de beschikking van de jeugdrechter van de jeugdrechtbank Antwerpen blijkt dat [minderjarige] onder toezicht staat van de Belgische jeugdrechter en dat zij sinds de beschikking van

14 augustus 2018 bij haar grootouders in Nederland ( [plaats] ) woont. Ook maakt de kinderrechter van deze rechtbank uit de beschikking op dat het voor de Belgische jeugdrechter onmogelijk lijkt de hulpverlening voor [minderjarige] in Nederland aan te sturen, terwijl dit wel nodig wordt geacht. De jeugdrechter van de jeugdrechtbank Antwerpen verzoekt deze rechtbank daarom haar verantwoordelijkheid te nemen en het toezicht dat door de jeugdrechter van de jeugdrechtbank Antwerpen wordt uitgeoefend over te nemen en de eventueel noodzakelijke (overige) maatregelen te treffen in het belang van [minderjarige] .

De kinderrechter van deze rechtbank stelt vast dat het systeem van de ondertoezichtstelling in België afwijkt van het systeem in Nederland. In België staat een kind bij een ondertoezichtstelling namelijk onder direct toezicht van de jeugdrechter van een jeugdrechtbank, die, indien dat noodzakelijk is, opdrachten kan geven aan de jeugdzorg in België. In Nederland staat een kind dat onder toezicht is gesteld onder toezicht van een gecertificeerde instelling (de vaak zo genoemde ‘GI’) die de kinderrechter kan verzoeken om nadere maatregelen van kinderbescherming te treffen, bijvoorbeeld haar te machtigen om een kind uit huis te plaatsen. Het dagelijkse toezicht en de aansturing van de hulpverlening van kinderen die onder toezicht staan, behoort niet tot de taak van de Nederlandse kinderrechter, maar tot de taak van deze gecertificeerde instelling. De Nederlandse kinderrechter kan alleen beslissen op een verzoek om een kinderbeschermingsmaatregel te treffen dat aan haar wordt voorgelegd en heeft in tegenstelling tot de Belgische jeugdrechter niet de bevoegdheid ambtshalve beslissingen te nemen die noodzakelijk worden geacht in het belang van het kind. Daarom kan de kinderrechter van deze rechtbank niet de verantwoordelijkheid op grond van artikel 15 Brussel II-bis aanvaarden. Ten overvloede wijst de kinderrechter van deze rechtbank de jeugdrechter van de jeugdrechtbank Antwerpen erop dat een overdracht van het toezicht, zoals wenselijk wordt geacht, via een zorgmelding bij de Centrale Autoriteiten dient te geschieden.

De beslissing


De kinderrechter:

aanvaardt de bevoegdheid over [minderjarige] niet en wijst het daartoe strekkende verzoek van de jeugdrechter van de jeugdrechtbank te Antwerpen af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.L. Wijnen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 17 februari 2020.

mku

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch.