Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1068

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
01/860422-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een brandende lucifer weggeschoten in de kliko van een school, waardoor een smeulbrand in de resten uit de kliko is ontstaan. Verdachte heeft het terrein/schoolplein verlaten, terwijl deze brand niet of onvoldoende was gedoofd en er brand is ontstaan in het schoolgebouw. Verdachte wordt verweten aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam te zijn geweest, waardoor brand is ontstaan.

De rechtbank legt een taakstraf op van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860422-18

Datum uitspraak: 21 februari 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996 ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 februari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 januari 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 juni 2017 te Eindhoven grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en / of onoplettend en / of onachtzaam (op een schoolplein) op/aan de [straatnaam] ,één of meerdere brandende lucifers richting/in een prullenbak/kliko heeft geschoten/gegooid, althans met brandende lucifers/vuur heeft gespeeld ten gevolge waarvan brand is ontstaan en hij, verdachte, vervolgens het terrein/schoolplein heeft verlaten, terwijl deze brand niet of onvoldoende was gedoofd, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat die prullenbak/kliko en/of het schoolgebouw geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor het voornoemde schoolgebouw en/of de inventaris van dat schoolgebouw, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, ontstond;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverweging.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte schuld heeft gehad in de zin van artikel 158 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat het goed mogelijk is dat iemand anders de brand bij de basisschool in Eindhoven heeft veroorzaakt. Subsidiair bepleit de raadsman dat geen sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat uit het brandonderzoek van de forensische opsporing volgt dat het waarschijnlijk is dat de brand is ontstaan door smeulresten die onder een houten paneel aan de linkerzijde van de openslaande deuren van de lerarenkamer lagen. Vervolgens is het vuur via de onderdorpel en het houten paneel omhoog gegaan, en is vermoedelijk door de hitte van het vuur een gat in het raam ontstaan. Op die manier kon de brand naar binnen slaan en zich verder verspreiden in de school.

Uit het celmateriaal van een lucifer met een verbrande kop, die bij de smeulresten is aangetroffen, is een DNA-profiel verkregen dat matcht met dat van verdachte.

Verdachte heeft tegenover verbalisanten en ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 10 juni 2017 spelenderwijs een brandende lucifer in een openstaande kliko bij de lerarenkamer heeft geschoten. Deze kliko stond volgens verdachte vlakbij de plek waar de smeulresten zijn aangetroffen. Toen verdachte constateerde dat er rook uit de kliko kwam, heeft hij deze vervolgens op dezelfde plek omgekiept, zodat het afval eruit viel, en weer rechtop gezet. Hij zag dat het afval – ter grootte van een halve meter bij een meter – op de grond rookte en dat er een (klein) vuurtje was. Dat heeft hij geprobeerd uit te maken door erop te gaan staan met zijn voeten en het weg te schoppen. Het rookte toen volgens hem niet meer.

De rechtbank gaat uit van de verklaring van verdachte, mede gelet op de onderling tegenstrijdige verklaringen van de getuigen.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat door de brandende lucifer die verdachte heeft weggeschoten in de kliko, de brand in de basisschool is ontstaan. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging wat betreft de alternatieve lezing van het dossier nu hiervoor geen begin van aannemelijkheid bestaat. Dit alternatieve scenario is op geen enkel punt nader onderbouwd en wordt niet ondersteund door enige verklaring of ander bewijsmiddel uit het dossier. Nu dit alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden, wordt het terzijde geschoven.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig danwel onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld. Verdachte heeft er niet alles aan gedaan om de brand te voorkomen. Door met brandende lucifers te spelen is door toedoen van verdachte in de kliko brand ontstaan. Hij heeft vervolgens de kliko met het rokende/brandende afval zonder nadenken omgegooid naast/onder een houten paneel, terwijl hij evengoed de kliko elders op het schoolplein had kunnen omgooien. Verdachte geeft ook ter terechtzitting aan dat hij achteraf gezien dit anders had kunnen doen. Bovendien heeft verdachte de plek verlaten zonder zich er voldoende van te vergewissen dat het vuurtje in het afval daadwerkelijk helemaal uit was.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat dit schuld in strafrechtelijke zin aan de brand in de basisschool in Eindhoven oplevert.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 10 juni 2017 te Eindhoven aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam op een schoolplein aan de [straatnaam] één brandende lucifer in een kliko heeft geschoten ten gevolge waarvan brand is ontstaan en hij, verdachte, vervolgens het terrein/schoolplein heeft verlaten, terwijl deze brand niet of onvoldoende was gedoofd, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest dat er brand is ontstaan en daardoor gemeen gevaar voor het voornoemde schoolgebouw en de inventaris van dat schoolgebouw ontstond.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman om een groot deel van de taakstraf voorwaardelijk op te leggen, gelet op het feit dat verdachte goed op weg is, met begeleiding zijn leven verder op wil pakken en het een oude zaak betreft.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het is aan de aanmerkelijke onvoorzichtigheid van verdachte te wijten dat de [naam basisschool] te Eindhoven op 10 juni 2017 vrijwel geheel is afgebrand. Verdachte heeft die nacht met brandende lucifers gespeeld, waardoor een smeulbrand in de resten uit de kliko is ontstaan. Hij heeft vervolgens de plek verlaten zonder goed te controleren of alles echt uit was. Bovendien heeft hij er ook niet aan gedacht om de kliko elders om te kiepen of het rokende/brandende afval te verplaatsen. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft grote materiële schade veroorzaakt. Ondanks dat de brandweer met groot materieel ter plaatse is gekomen, heeft de brand de basisschool in Eindhoven vrijwel geheel verwoest. Naast het feit dat het afbranden van de school voor enorme financiële schade heeft gezorgd heeft deze gebeurtenis ook grote gevolgen gehad voor de leerlingen en de docenten. Het is voor deze mensen zeer schokkend en verdrietig geweest om te moeten constateren dat hun zo vertrouwde school er niet meer was.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van het Leger des Heils van 22 mei 2019, opgesteld door de heer [naam reclasseringsmedewerker] , waarin wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig nu verdachte de aan hem aangeboden hulpverlening accepteert. In het rapport wordt benoemd dat verdachte momenteel met psychische klachten kampt, opgenomen is geweest bij de High & Intensive Care en onder behandeling staat van de GGzE. Het onvoorwaardelijk strafdeel zou volgens de reclassering in de vorm van een werkstraf kunnen worden opgelegd. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de door de raadsman ter terechtzitting van

7 februari 2020 overgelegde brief van 15 januari 2020 van de heer [naam specialist GGz] , regiebehandelaar en verpleegkundig specialist GGz van het Select Centrum Autisme, GGz Eindhoven en de Kempen. In deze brief wordt onder meer het volgende weergegeven:

“ [verdachte] is sinds 06-03-2019 bekend bij Centrum Autisme, na een korte klinische opname op de crisisafdeling. Er is sprake van zowel autismespectrumstoornis als ook aandachtstekort- en hyperactiviteitstoornis. In het functioneringsprofiel van [verdachte] valt op dat hij erg gevoelig is voor omgevingsprikkels, snel is afgeleid en een rigide gedachtenpatroon heeft. Hij kan zich moeizaam inleven in anderen en hij heeft een zeer beperkt voorstellingsvermogen.

[verdachte] ondervindt beperkingen in het dagelijkse en sociale leven als zelfstandig levend jongvolwassene. Hij heeft begeleiding nodig op meerdere levensgebieden om overzicht en grip te houden op zijn functioneren.

In de behandeling tot nu toe blijkt dat [verdachte] weliswaar van goede wil is en uit de problemen wil blijven, maar dat hij tegelijkertijd snel kan worden overschat. Evenzo overschat hij zijn eigen competenties. Over het algemeen kan gezegd worden dat de meeste kans van slagen van een behandeling zal afhangen van de mate waarin de verschillende levensdomeinen voldoende overzichtelijk zijn, zodat hij hier geen stress in ondervindt”.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemde rapporten over voor zover deze zien op de problematiek van verdachte, de kans op recidive en het belang van de – reeds gestarte – behandeling en begeleiding. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de op te leggen straf. De rechtbank houdt ook rekening met het tijdsverloop sinds het plegen van het strafbare feit op 10 juni 2017 en met de positieve proceshouding van verdachte. Hoewel hij tegenover de politie aanvankelijk iedere betrokkenheid bij het feit ontkende, heeft verdachte uiteindelijk, zowel tegenover de politie als ter terechtzitting uitgebreid verklaard over wat er die nacht is gebeurd. Bovendien heeft verdachte aangegeven dat hij zich de grote ernst van het feit realiseert en de impact die de brand destijds heeft gehad op de omgeving. De rechtbank zal daarom aan verdachte geen gevangenisstraf opleggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d, 158.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

Taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. A.M. Bossink en mr. A.A.M. Janssen, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 21 februari 2020.

mr. A.M. Bossink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.