Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:1003

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
C-01-346861 - HA ZA 19-354
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaat onder meer over gederfde winst (in dit geval als negatief contractsbelang) bij ongerechtvaardigd afgebroken onderhandelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/346861 / HA ZA 19-354

Vonnis van 12 februari 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. D.J.J. Folgering te 's-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.M. Schelstraete te Oisterwijk.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 31 juli 2019 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2019 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

Het nu voorliggende geschil is een schadestaatprocedure, als vervolg op het tussen partijen gewezen arrest van 2 oktober 2018 van het hof ‘s-Hertogenbosch in de zaak [nummer] (hierna: het arrest).

2.2.

Voormelde zaak draaide (in de eerste plaats) om de vraag of tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen voor de opdracht tot catering bij het evenement Longines Global Champions Tour te Rome dat plaats heeft gehad van 11 tot 13 september 2015. Het hof oordeelde, anders dan de rechtbank in het vonnis waartegen het hoger beroep zich richtte, dat van totstandkoming van een overeenkomst geen sprake is. Wel oordeelde het hof dat [gedaagde] de onderhandelingen ongeoorloofd heeft afgebroken en dat [gedaagde] daarom schadeplichtig is. Het hof heeft geoordeeld dat [gedaagde] niet is gehouden de volledige gederfde winst aan [eiseres] te vergoeden. Gelet op de door [eiseres] (destijds nog geheten [naam 1] en destijds in de processtukken en uitspraken dan ook aangeduid als [naam 1] ) gedane nieuwe aanbiedingen en het stadium waarin de onderhandelingen zich bevonden, heeft [gedaagde] de verplichting om de kosten die [eiseres] tot op dat moment in alle redelijkheid gemaakt had, aan [eiseres] te vergoeden.

2.3.

[eiseres] heeft een schadestaat opgesteld die – na eisvermindering – bestaat uit de volgende onderdelen:

  • -

    Gederfde winst € 62.500,00

  • -

    Kosten (derden) € 58.493,85

  • -

    Loonkosten € 97.280,00

De rechtbank zal nu deze onderdelen van de schadestaat achtereenvolgens bespreken.

Gederfde winst

2.4.

[eiseres] stelt dat het hof met haar overweging dat [gedaagde] niet gehouden is de volledige gederfde winst te vergoeden, niet de deur heeft dichtgedaan voor een gedeeltelijke vergoeding van gederfde winst. [eiseres] wijst er daartoe (uiteindelijk) op dat een post winstderving (ook) onder het negatief contractsbelang kan vallen. Onder die noemer kan namelijk gederfde winst uit misgelopen transacties met derden vallen. [eiseres] heeft in vertrouwen op de gewekte verwachtingen geen andere cateringopdrachten aangenomen voor de periode voor en rondom het evenement. Zij zou immers haar handen vol hebben. Indien [eiseres] haar (aan het evenement bestede en hiervoor nog gereserveerde) tijd had kunnen besteden aan (een) ander(e) project(en) had zij naar verwachting een vergelijkbare omzet kunnen genereren als de omzet die zij met het evenement had kunnen behalen. De orderportefeuille van [eiseres] was goed gevuld. Doordat [gedaagde] de onderhandelingen met [eiseres] zeer kort voor het evenement (ongerechtvaardigd) afbrak, was [eiseres] niet meer in staat andere cateringopdrachten te werven. De cateringopdrachten die [eiseres] verzorgde, waren doorgaans omvangrijk en behoefden de nodige voorbereiding(stijd), aldus nog steeds [eiseres] .

2.5.

[gedaagde] voert onder meer als verweer aan dat gederfde winst niet voor vergoeding in aanmerking komt, gelet op het arrest van het hof. Verder betwist [gedaagde] dat indien [eiseres] de beweerdelijk door haar aan het evenement bestede en hiervoor gereserveerde tijd had kunnen besteden aan (een) ander(e) projecten zij naar verwachting een vergelijkbare omzet had kunnen genereren met andere projecten en dat de orderportefeuille van [naam 1] goed was gevuld. Ook dit heeft [eiseres] niet geconcretiseerd en met bewijsstukken onderbouwd, aldus nog steeds [gedaagde] .

2.6.

De rechtbank stelt voorop dat zij in deze schadestaatprocedure gebonden is aan de beslissingen in de hoofdprocedure en dat aldus een vergoeding van het positief contractsbelang niet aan de orde is, gelet op het oordeel van het hof. Voor vergoeding van het positief contractsbelang is (zo volgt uit de vaste jurisprudentie) slechts plaats indien de wederpartij erop mocht vertrouwen dat enigerlei contract uit de onderhandelingen zou resulteren. Het hof heeft geoordeeld: (7.15) “Voormeld oordeel leidt ertoe dat de subsidiair verzochte verklaring voor recht moet worden afgewezen nu [naam 1] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen.” De rechtbank begrijpt dat [eiseres] ook inziet dat de gederfde winst niet op die grondslag kan worden gestoeld. Het hof heeft wel geoordeeld dat [gedaagde] de schade van [eiseres] moet vergoeden die zij heeft geleden als gevolg van het ongerechtvaardigd afbreken van de onderhandelingen. Over die schade overweegt het hof nog specifiek (onder meer) “Dat [naam 1] schade heeft geleden in

die zin dat zij reeds kosten had gemaakt voor de uitvoering van de opdracht, heeft zij

voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtsstrijd tussen partijen over de vraag of iedere

schadepost toewijsbaar is, is nog onvoldoende gevoerd. Het hof acht zich dan ook nu niet in

staat het beloop van de schade in zijn arrest te bepalen.”

Uit dit oordeel blijkt dat de drempel is gehaald om te worden toegelaten tot de schadestaatprocedure; de mogelijkheid van schade is aannemelijk gemaakt. Er wordt gewezen op een specifieke schadepost, te weten kosten, maar dat staat er niet aan in de weg dat er meer schadeposten naar voren worden gebracht in de schadestaatprocedure die te maken hebben met de vastgestelde aansprakelijkheid. Gederfde winst vanwege het, door de onderhandelingen (die ongerechtvaardigd zijn afgebroken), mislopen van opdrachten van derden, kan (dus) in beginsel ook als schade worden gevorderd in deze schadestaatprocedure. Het arrest sluit dat niet uit. Voor toewijzing van dergelijke schade is echter wel vereist dat concrete contractsmogelijkheden met derden zijn misgelopen ten tijde van het onderhandelen en daarvan is de rechtbank onvoldoende gebleken. [eiseres] heeft namelijk geen concrete misgelopen contracten genoemd. Niet in de processtukken, maar ook niet desgevraagd, tijdens de gehouden comparitie. De stelling van [eiseres] dat zij vanwege haar gerechtvaardigde verwachting dat zij het evenement zou cateren niet met andere partijen heeft (kunnen) onderhandelen is (wat daar ook van zij) onvoldoende als grondslag voor de gevorderde gederfde winst. Dat [eiseres] in 2016 een bepaalde omzet heeft gehaald met andere opdrachten zegt evenmin dat een concrete opdracht niet is aangenomen omdat die samenviel met het evenement. Dit verweer van [gedaagde] slaagt dus. Om die reden is de gevorderde gederfde winst dus niet toewijsbaar.

Kosten derden

2.7.

In het algemeen geldt dat als [eiseres] tijdens de onderhandelingen met [gedaagde] over het evenement kosten heeft gemaakt aan derden, althans contractuele verplichtingen is aangegaan waardoor zij een vergoeding verschuldigd is geworden aan derden en zij die kosten in redelijkheid heeft moeten maken ter voorbereiding van het evenement, dat [gedaagde] die kosten moet vergoeden. Het gaat hier om daadwerkelijke betalingsverplichtingen. [eiseres] moet de gestelde kosten dus deugdelijk onderbouwen met feiten (met name documenten) waaruit de contractuele betalingsverplichting en (voor zover aan de orde) de daadwerkelijke betaling blijkt.

Partijen zijn het niet eens over het antwoord op de vraag vanaf welk moment [eiseres] überhaupt in redelijkheid voorbereidingen heeft moeten gaan treffen voor het evenement en aldus in redelijkheid kosten heeft kunnen of moeten maken. Zoals eerder gememoreerd is het oordeel van het hof in de hoofdzaak het uitgangspunt van deze schadestaatprocedure. Het hof heeft in het arrest (onder meer) overwogen:

“7.6. Partijen deden al langer zaken met elkaar. Aan het begin van ieder jaar (en soms aan het eind van het jaar daarvoor) bepaalde [gedaagde] welke cateraar zij voor welk evenement zou gaan inschakelen. Zo werd [naam 1] voor de jaren 2014 en 2015 benaderd voor acht evenementen, vier in elk jaar.

(…)

“7.12.4 (…) [naam 1] had in het verleden vaker de catering van door [gedaagde] evenementen verzorgd, zonder dat partijen op voorhand alomvattende afspraken hadden gemaakt. De concrete invulling van de opdracht (en dus van de verplichtingen die partijen over en weer op zich namen) geschiedde dan in goed overleg in de laatste weken voorafgaand aan het evenement. De gang van zaken tot medio augustus 2015 betreffende het evenement in Rome onderscheidde zich wat dat betreft niet van die eerdere evenementen waarbij uiteindelijk een overeenkomst tussen partijen tot stand was gekomen. Uit hetgeen partijen hebben gesteld, volgt dat [naam 1] medio augustus 2015 als enige partij betrokken was bij de voorbereiding van de culinaire aspecten van het evenement. Mede in het licht van de werkwijze van partijen in het verleden, volgt naar het oordeel van het hof dan ook uit de gang van zaken tot medio augustus 2015 dat beide partijen de bedoeling en de verwachting hadden dat de catering van liet evenement te Rome (volgens nog nader af te spreken voorwaarden) zou worden verzorgd door [naam 1] .

Hoewel [gedaagde] aangeeft het niet eens te zijn met deze overwegingen van het hof, geeft zij ook terecht aan dat partijen en ook de rechtbank het arrest van het hof als uitgangspunt moeten nemen in deze procedure.

Uit de overwegingen volgt dat de kosten die [eiseres] in redelijkheid heeft gemaakt vanaf eind 2014, begin 2015 voor de voorbereidingen van het evenement, voor vergoeding in aanmerking komen. In het algemeen geldt ook dat het buiten medeweten van [gedaagde] maken van kosten niet maakt dat de kosten niet in redelijkheid gemaakt zijn, noch dat daarom sprake zou zijn van eigen schuld van [eiseres] . Indachtig deze algemene uitgangspunten zal de rechtbank hierna de verschillende gestelde kostenposten bespreken.

[naam 2]

2.7.1.

[eiseres] stelt dat zij € 15.498,02 aan [naam 2] verschuldigd is. [naam 2] heeft dit bedrag uit coulance nog niet aan [eiseres] in rekening gebracht, maar zal dit wel doen na afronding van de procedure. Naast een verklaring van de heer [A] van [naam 2] , heeft [gedaagde] reserveringsbevestigingen overgelegd.

2.7.2.

[gedaagde] voert als verweer aan dat er geen sprake is van een getekend contract. Er zijn voorts geen facturen en/of betaalbewijzen overgelegd. [naam 2] heeft de gereserveerde materialen ook niet aan [eiseres] ter beschikking gesteld. De reserveringen gaan terug tot 9 december 2014. Op 9 december 2014 en 26 januari 2015 was er ook naar de eigen stellingen van [eiseres] geen sprake van een overeenkomst. Dit was ook niet het geval op 10 augustus 2015. [eiseres] heeft over de reserveringen ook nimmer met [gedaagde] gecommuniceerd. Er was dus op geen van de reserveringsdatums een noodzaak voor [eiseres] om een reservering te doen bij [naam 2] .

2.7.3.

Gelet op het verweer van [gedaagde] had [eiseres] (beter) moeten uitleggen waarom deze kosten aan [naam 2] verschuldigd zijn geworden door het aangaan van overeenkomsten en dat die kosten na het afbreken van de onderhandelingen niet meer vermeden konden worden. Dat heeft [eiseres] niet (voldoende) gedaan. Schriftelijke, ondertekende contracten zijn niet overgelegd en feiten waaruit anderszins zou blijken dat de gestelde verschuldigdheid van de kosten een contractuele grondslag heeft, zijn evenmin (voldoende) gesteld. Uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat [naam 2] (kennelijk) van mening is dat [eiseres] de kosten verschuldigd is, maar op basis van welke contractuele bepalingen dat zou zijn, is daarmee ook niet uitgelegd. Daarop strandt dit deel van de vordering. Of de kosten in redelijkheid zijn gemaakt, hoeft om die reden dus niet te worden besproken.

[B]

2.7.4.

[eiseres] stelt dat zij € 598,95 verschuldigd is aan [B] . Zij beroept zich op een getekend contract. Volgens [eiseres] heeft verrekening plaatsgevonden bij latere bestellingen.

2.7.5.

[gedaagde] betwist dat [eiseres] dit bedrag verschuldigd is aan [B] . [eiseres] spreekt van een getekend contract, maar het document waarnaar verwezen wordt is een “Activiteiten Aanvraag Formulier” dat op 14 augustus 2015 voor akkoord is ondertekend door de heer [naam 3] . Er is geen factuur overgelegd. [eiseres] had deze kosten in redelijkheid ook niet hoeven maken. Op 14 augustus 2015 wist [eiseres] al dat de keuken buiten het stadion moest worden geplaatst en dat zij dan niet de kwaliteit zou kunnen leveren die [gedaagde] van haar verwachtte. Zij had er dus op dat moment rekening mee moeten houden dat de cateringopdracht niet doorging. Verder stelt [gedaagde] dat [eiseres] zonder kosten zou hebben kunnen annuleren en doet [gedaagde] een beroep op eigen schuld van [eiseres] .

2.8.

De rechtbank is van oordeel dat deze post onvoldoende onderbouwd is. Bij gebreke van een ondertekend contract, een factuur en/of een bewijs van betaling/verrekening is simpelweg niet vast te stellen dat deze kosten contractueel verschuldigd zijn en zijn gemaakt door [eiseres] . Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] had het wel op de weg van [eiseres] gelegen de gestelde kostenpost nader te onderbouwen.

[naam hotel]

2.9.

[eiseres] stelt dat zij kosten heeft moeten maken aan reeds geboekte hotelovernachtingen voor personeel bij het evenement. Na eisvermindering vordert [eiseres] € 2.476,00, omdat zij de reservering heeft kunnen annuleren en daardoor alleen de (al betaalde) eerste aanbetaling verschuldigd was.

2.10.

[gedaagde] stelt na kennis te hebben genomen van de eisvermindering dat het in strijd met de waarheid is geweest dat [eiseres] eerst de volledige kosten van de reservering heeft opgevoerd als schade.

2.11.

Dat de eerst opgevoerde schadepost te hoog was moge zo zijn, maar dat neemt niet weg dat [gedaagde] verder niet gemotiveerd betwist dat de kosten van de aanbetaling zijn gemaakt. Dat het redelijk was om hotelovernachtingen zeker te stellen in juli 2015 voor het evenement in september heeft [gedaagde] niet (voldoende) gemotiveerd weersproken. Deze post zal dus worden toegewezen.

[naam 4]

2.12.

[eiseres] verwijst bij dagvaarding naar de reserveringsbonnen en kostenopgaven van [naam 4] . Bij akte eisvermindering verwijst [eiseres] naar een verklaring van de heer [C] van [naam 4] , waarin (onder meer) staat:

“Op dinsdag 28 juli 2015 heeft [naam 3] (Logistiek en inkoop manager) aan [naam 4] definitief bevestigd, de inzet van 5 voertuigen tbv het project VIP5ROM.

Projectadres: [adres]

Deze opdrachtbevestiging is gestuurd naar alle gecontracteerde leveranciers voor dit project (waaronder [naam 4] ), na uiteindelijke goedkeuring door [gedaagde] .

[naam 4] heeft de benodigde voertuigen gereserveerd in de eigen planning en enkele voertuigen ingekocht/schriftelijk vastgelegd bij charters.

Naar aanleiding van de door ons verzonden bevestigingen en zoals besproken is het verschuldigde bedrag naar aanleiding van de Longines Global Champions Tour Rome voor het transport € 25.990 groot. [naam 4] heeft uit coulance en naar aanleiding van de vertrouwde en jarenlange samenwerking, met u afgesproken het verschuldigde bedrag te factureren als procedures met [gedaagde] zijn afgerond.”

2.13.

[gedaagde] voert verweer. Uit de verklaring van [naam 4] , zo stelt [gedaagde] , blijkt dat [eiseres] helemaal geen bedrag heeft voldaan aan [naam 4] . Zij heeft dus geen schade geleden. Op de offerte van [naam 4] staat vermeld dat bij annulering 48 uur voor belading slechts 25% van de transportkosten in rekening worden gebracht. Daarbij komt dat uit de eerder door [eiseres] aan [gedaagde] uitgebrachte offerte blijkt dat de aankomst van het transport in Rome gepland stond op 5 september 2015. Op 21 augustus 2015, de dag waarop [gedaagde] de onderhandelingen afbrak, was van enige belading dus nog geen enkele sprake. Coulance halve en naar aanleiding van de vertrouwde en jarenlange samenwerking brengt [naam 4] – nadat de procedures tegen [gedaagde] zijn afgerond – dan toch maar het volledige bedrag in rekening in plaats van hoogstens 25%, aldus nog steeds [gedaagde] .

2.14.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt voor een betalingsverplichting is de overeenkomst waaruit die betalingsverplichting volgt. Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] dat bij de dagvaarding alleen een offerte is overgelegd, heeft [eiseres] bij akte een verklaring overgelegd van [naam 4] waarin gesproken wordt van een opdrachtbevestiging. Dat daarmee een overeenkomst tot stand is gekomen, heeft [gedaagde] niet betwist. Wel heeft [gedaagde] terecht gewezen op de annuleringsvoorwaarden van [naam 4] die blijken uit de offerte. [eiseres] stelt wel dat de chauffeurs van [naam 4] zouden helpen met

laden, lossen en de afbouw. De chauffeurs bleven een paar dagen in Rome. Daarom kon

annuleren dus in dit geval niet op de manier als bedoeld in de algemene voorwaarden. Daarmee heeft [eiseres] echter niet onderbouwd dat en hoe is overeengekomen dat de annuleringsvoorwaarden niet meer zouden gelden. Het gevorderde bedrag betreffende [naam 4] is dus toewijsbaar tot 25% van het totaal, omdat [eiseres] niet heeft weersproken dat zij 48 uur voor belading had kunnen annuleren, gelet op het moment waarop de onderhandelingen zijn afgebroken. Toegewezen van deze post zal dus worden 25% van (totaalbedrag) € 25.990,00 = € 7.116,50.

[naam 5]

2.15.

[eiseres] heeft verwezen naar een factuur van [naam 5] en een betaalbewijs.

2.16.

[gedaagde] heeft er onder meer op gewezen dat de betreffende factuur ziet op een huurperiode van drie maanden, terwijl het evenement drie dagen duurde. Dat deze kosten voor de voorbereiding van het evenement zijn gemaakt, is dus niet onderbouwd.

2.17.

Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van [eiseres] had gelegen uit te leggen waarom deze kosten aan de voorbereiding van het evenement zijn toe te schrijven. De (lengte van) de huurperiode sluit daar namelijk niet bij aan. Deze post zal dus worden afgewezen bij gebreke van deugdelijke onderbouwing.

[naam 6]

2.18.

Nu [gedaagde] deze post heeft betwist en [eiseres] zelf al aangeeft dat een betalingsbewijs er niet is, zal deze post als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

[naam 7]

2.19.

[eiseres] vordert € 3.775,00 aan kosten die zijn gemaakt voor fiscale adviezen ten behoeve van het evenement (over de inhuur van personeel). Productie AA bestaat uit een aantal facturen van fiscaal adviesbureau [naam 7] . Zoals blijkt uit de specificaties van deze facturen ziet steeds een deel van het gedeclareerde werk op advies met betrekking tot het evenement. Uit het als productie S overgelegde overzicht blijkt welk bedrag van welke factuur ziet op kosten die door [gedaagde] moeten worden vergoed. Uit de betalingsoverzichten die onderdeel uitmaken van productie M blijkt dat de bedragen daadwerkelijk aan [naam 7] zijn voldaan. [eiseres] wijst erop dat een deel van de betalingen plaatsvond in een zogenaamde batch. De opbouw van de batch blijkt uit de overzichten van de betalingen, waarin verwijzingen zijn opgenomen naar ‘fiscale werkzaamheden’. Dat deze kosten indirecte kosten zijn, zegt nog niet dat zij niet door [gedaagde] hoeven te worden vergoed.

2.20.

[gedaagde] betwist dat voor [eiseres] enige aanleiding, laat staan noodzaak bestond om [naam 7] fiscale werkzaamheden te laten verrichten. Dit zeker in de periode 1 juni tot en met 31 juli 2015, maar ook in de periode 1 augustus tot en met 31 augustus 2015. In de periode 1 juni tot en met 31 augustus 2015 was er geen sprake van een overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] . Zeker in de periode 1 juni tot en met 31 juli 2015 bevonden de

onderhandelingen zich nog in een beginstadium. Eerst op 10 augustus 2015 heeft [naam 11] [naam 12] ook benaderd voor een afspraak om de plattegrond en culinaire invulling door te nemen. Deze afspraak vond op 11 augustus 2015 plaats. Alstoen was [eiseres] er ook mee bekend dat de keuken buiten het stadion diende te worden geplaatst, hetgeen voor haar uiterst problematisch was, omdat zij dan niet de kwaliteit kon leveren die [gedaagde] van haar verwachtte. Gelet hierop diende [eiseres] er dus rekening mee te houden dat er geen overeenkomst met betrekking tot het evenement tot stand zou komen en diende zij (extra) terughoudend te zijn met het aangaan van verplichtingen en zeker buiten [gedaagde] om. Omdat [eiseres] internationaal catering aanbiedt, horen deze kosten bij haar bedrijfsvoering en dienen ze dus voor haar rekening te blijven, aldus [gedaagde] .

2.21.

Deze post wordt toegewezen. Uit de overgelegde documenten blijkt voldoende dat sprake is van werkzaamheden die in opdracht van [eiseres] door [naam 7] zijn uitgevoerd voor het evenement. [gedaagde] heeft verder onvoldoende weersproken dat [eiseres] deze kosten in redelijkheid heeft gemaakt in het kader van de voorbereiding van het evenement. Het komt de rechtbank redelijk voor dat [eiseres] tijdig advies heeft ingewonnen over de fiscale aspecten die komen kijken bij de opdracht in Rome. Verder verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 2.7. Omdat deze (indirecte) kosten specifiek kleven aan het evenement (waarbij [eiseres] voor het eerst in Rome opereerde) is het ook redelijk dat de kosten ten laste van [gedaagde] worden gebracht. Na het overleggen van de betalingsbewijzen (productie AA) heeft [gedaagde] niet haar verweer terzake van het ontbreken of incompleet zijn daarvan gehandhaafd.

[naam 8]

2.22.

[eiseres] verwijst naar een offerte en een verklaring van de heer [naam 9] waarin (onder meer) staat: “Mijn bedrijf, [naam 8] , heeft de afgelopen periode sinds de annulering de LGCT Rome de kosten â € 9.537,56 (ex. BTW) (zie mijn eerdere verklaring iz de annuleringskosten) verrekend in offertes en opdrachten nadien. Dit heb ik gedaan uit coulance en vanwege het jarenlange partnership met Van der [naam 1] .”

2.23.

[gedaagde] betwist onder meer dat sprake is van een overeenkomst, en wijst erop dat een betalingsbewijs ontbreekt. Ook overigens heeft [gedaagde] nog verweer gevoerd tegen deze post.

2.24.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] deze post, mede gelet op het gemotiveerde verweer, onvoldoende nader onderbouwd heeft. Dat sprake is van een overeenkomst is immers niet deugdelijk onderbouwd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat niet en de verklaring van de heer [naam 9] biedt daarvoor ook geen onderbouwing. Het enkele feit dat de heer [naam 9] stelt dat het bedrag verschuldigd is, is daarvoor onvoldoende. Ook ontbreekt een deugdelijke onderbouwing van de gestelde verrekeningen. Ook op dat punt is de enkele verklaring van de heer [naam 9] dat is verrekend, onvoldoende. Deze post wordt dus afgewezen.

Interne kosten

2.25.

[eiseres] vordert na eiswijziging € 97.280,00 aan interne (loon)kosten. Zij stelt dat de voorbereidingen voor het evenement tijdrovend waren en dat een groot deel van de voorbereidingen al voor het evenement moest plaatsvinden. Een vijftal medewerkers van [eiseres] heeft ieder minstens 304 uur besteed aan de voorbereidingen voor het evenement. Naast het ontwikkelen van een passend concept en het maken van planningen voor onder meer personeel, materiaal, etenswaren, vervoer en huisvesting. [eiseres] verwijst naar e-mails van 3 augustus 2015. [eiseres] stelt voorts dat 90% van de tijdsbesteding van de bij [eiseres] aanwezige mankracht evenredig verdeeld was over de vier evenementen die [eiseres] jaarlijks organiseerde voor [gedaagde] (de overige 10% werd besteed aan overige opdrachten). [eiseres] verwijst naar overzichten waarin het aantal bestede uren en de uurtarieven opgesomd staan. [eiseres] stelt reële tarieven te hebben gehanteerd. Verder verwijst [eiseres] naar schriftelijke verklaringen van medewerkers waarin (onder meer) wordt bevestigd dat de in overzichten gepresenteerde tijdsbesteding overeenkomt met de werkelijkheid.

2.26.

[gedaagde] betwist dat [eiseres] voor het evenement met 5 man maar liefst 1520 uur heeft gewerkt. Dit verweer heeft [gedaagde] al gevoerd vanaf de hoofdprocedure in eerste aanleg in 2016. Met de besprekingen en de correspondentie tussen [eiseres] en [gedaagde] zullen hooguit een paar uur gemoeid zijn geweest, waarbij het ook gaat om gebruikelijke aquisitiewerkzaamheden, die sowieso voor rekening van [eiseres] komen. [gedaagde] verwijst naar de producties die in de hoofdprocedure en deze schadestaatprocedure zijn overgelegd waaruit de hoeveelheid correspondentie tussen [eiseres] en [gedaagde] over het evenement blijkt. Die contacten waren beperkt en vrijwel uitsluitend met de heer [naam 10] van [eiseres] . Wat de overige medewerkers voor werkzaamheden zouden hebben uitgevoerd, is onduidelijk. Als met de gevorderde externe schadeposten rekening moet worden gehouden, wordt ook niet aan 304 uur per medewerker gekomen. Verder is geen salarisspecificatie of bewijs van betaling overgelegd, noch is er bewijs van de opgevoerde uurtarieven met opslagen werkgeverslasten en overheadkosten. Uit de gemiddelde urenbesteding per evenement blijkt evenmin welke kosten [eiseres] in redelijkheid heeft gemaakt voor dit evenement totdat de onderhandelingen zijn afgebroken.

2.27.

Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] niet deugdelijk heeft onderbouwd dat 1520 uur is besteed aan de voorbereiding van het evenement. [eiseres] verwijst naar overzichten, maar laat na te onderbouwen op welke te staven feiten die overzichten zijn gebaseerd. Algemene stellingen over tijdrovendheid van de voor [gedaagde] georganiseerde evenementen en een berekening van de gemiddelde urenbesteding per evenement volstaan ook niet als concrete onderbouwing van de daadwerkelijk gemaakte interne kosten. Dat er een aantal uren gemoeid is geweest met de voorbereidingen blijkt wel uit de correspondentie met derden over aspecten die te maken hadden met de voorbereidingen van het evenement en ook uit de correspondentie tussen [eiseres] en [gedaagde] . Anders dan [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat een (groot) deel van die werkzaamheden niet onder de gebruikelijke acquisitiewerkzaamheden valt. Het gaat om daadwerkelijke voorbereidingen van het evenement en niet om het opmaken van offertes door [eiseres] ten behoeve van de acquisitie. Omdat er enerzijds aanknopingspunten (de betreffende correspondentie) zijn dát er concrete werkzaamheden zijn verricht, maar anderzijds niet duidelijk blijkt hoeveel tijd daarmee gepaard is gegaan, zal de rechtbank het aantal bestede interne uren zelf begroten op grond van haar bevoegdheid uit hoofde van 6:97 BW. Gelet op de correspondentie waar het om gaat, mede gezien de inhoud ervan en de achterliggende werkzaamheden, komt de rechtbank uit op een totale tijdsbesteding van 80 uur. De gestelde bruto loonkosten en overhead is door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank van de juistheid van die gegevens zal uitgaan. De rechtbank zal een gemiddelde nemen van de verschillende tarieven per medewerker. De rechtbank komt dan uit op € 97.280 (totale kosten/ 1520 (totale gestelde bestede uren) = € 64,00 per uur aan (gemiddelde) uurtarief (inclusief werkgeverslasten en overhead). 64,00 x 80 uur =

€ 5.120,00. Dat bedrag zal worden toegewezen vergoeding van gemaakte voor interne kosten.

2.28.

Resumerend zal dus worden toegewezen een bedrag van € 18.487,50 ( [naam hotel] € 2.476,00 + [naam 4] € 7.116,50 + [naam 7] € 3.775,00 + Interne kosten

€ 5.120,00).

2.29.

[eiseres] vordert vergoeding van de wettelijke rente over het gehele bedrag vanaf 21 augustus 2015. [gedaagde] stelt dat niet duidelijk is dat de bedragen destijds, laat staan tot op heden, betaald zijn, zodat ook geen wettelijke rente over de bedragen verschuldigd is. Dat [naam hotel] voor voornoemde datum betaald is, blijkt echter uit de processtukken. Ook dat [naam 7] betaald is (behoudens een bedrag van € 1.165,00 dat op 22 september 2015 is betaald, zodat over dat bedrag vanaf die datum de wettelijke rente zal worden toegewezen) blijkt uit de processtukken. Verder moet het ervoor gehouden worden dat de interne kosten voor voornoemde datum zijn gemaakt. Het gaat namelijk om loonkosten die doorgaans maandelijks worden betaald. Dat de betreffende kosten pas later betaald zijn, blijkt niet. [naam 4] is nog niet betaald. De rechtbank zal de wettelijke rente over dat bedrag toewijzen vanaf de dag der dagvaarding.

2.30.

[eiseres] heeft het in haar processtukken nog over andere P.M. posten maar daar heeft zij niets over gesteld, laat staan dat zij die voldoende onderbouwd heeft of daarvoor een concreet bedrag voor heeft gevorderd. Dat deel van de vordering van [eiseres] zal bij gebreke van de hiervoor genoemde informatie worden afgewezen.

2.31.

[gedaagde] zal als de deels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 81,83

- griffierecht 4.030,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 5.197,83

Anders dan [eiseres] stelt is er geen reden om af te wijken van het liquidatietarief.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 18.847,50 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over respectievelijk

€ 10.206,00 met ingang van 21 augustus 2015 en over € 1.165,00 met ingang van 22 september 2015 en over € 7.116,50 met ingang van de dag der dagvaarding, in alle gevallen tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 5.197,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Maarschalkerweerd en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.