Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:97

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
7106790 CV EXPL 18-4728
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aanspraak op bonus over jaren dat werkneemster boventallig was, werking Sociaal Plan en CAO

Werkneemster vordert met terugwerkende kracht over de jaren 2015, 2016 en 2017 betaling van een bonus en hogere mobiliteitspremie. Partijen verschillen (onder meer) van mening of recht bestaat op bonus ten tijde van boventalligheid. Uitleg Sociaal Plan en CAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0083
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 7106790

Rolnummer : 18-4728

Uitspraakdatum : 17 januari 2019

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. W. van Grieken,

tegen

Essent N.V.,

gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M. Ritmeester.

Partijen worden hierna [eiseres] en Essent genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 oktober 2018 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de ten behoeve van de comparitie van partijen namens [eiseres] toegestuurde producties 18 en 19;

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 18 december 2018.

1.2.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1

[eiseres] is op 1 oktober 2007 in dienst getreden bij Essent, in de functie van Ontwikkelingscoach Service & Verkoop.

2.2

Bij brief van 24 april 2015 heeft Essent aan [eiseres] laten weten dat zij vanaf 1 mei 2015 boventallig wordt verklaard. Het Sociaal Plan Essent 2008-2016 (hierna: het Sociaal Plan) is op haar van toepassing. Dit Sociaal Plan heeft de status van CAO.

2.3

Na verkregen toestemming van de Toetsingscommissie en vervolgens van het UWV heeft Essent de arbeidsovereenkomst met [eiseres] , met inachtneming van de geldende opzegtermijn, opgezegd tegen 1 september 2018.

2.4

Aan [eiseres] is bij het einde van haar dienstverband een mobiliteitspremie betaald van € 27.453,94 bruto.

3 Het geschil

3.1

[eiseres] heeft gevorderd dat Essent wordt veroordeeld, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

- tot betaling van de bonus over 2015, 2016 en 2017, zijnde een bedrag van € 11.419,53, vermeerderd met wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging;

- tot betaling van een bedrag van € 4.528,44 bruto, zijnde het verschil tussen de mobiliteitspremie waarop [eiseres] volgens het Sociaal Plan recht heeft en het haar betaalde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging;

- tot betaling van de volledige proceskosten, waaronder begrepen de kosten voor juridische bijstand ad € 6.000,- excl. BTW;

- in de nakosten, en de overige kosten van de procedure, waaronder begrepen een bedrag aan salaris voor haar gemachtigde;

3.2

[eiseres] legt aan haar vorderingen (kort samengevat) het volgende ten grondslag.

[eiseres] heeft, op grond van de met Essent gesloten arbeidsovereenkomst en de schriftelijk vastgelegde bonusregeling van Essent, recht op een bonusuitkering over de jaren 2015 tot en met 2017. Essent heeft haar het recht op deze uitkering ten onrechte ontzegd op de grond dat zij in 2015 meer dan 4 maanden ziek is geweest respectievelijk op de grond van haar boventalligheid. Ingevolge het Sociaal Plan heeft [eiseres] recht op uitkering van alle vaste en overeengekomen loonbestanddelen. De bonusuitkering is zo’n vast loonbestanddeel. De bonus moet worden berekend op basis van de gemiddelde bonusuitkering die [eiseres] in de loop van haar dienstverband heeft ontvangen.

De mobiliteitspremie die [eiseres] is toegekend, is onjuist berekend. Essent heeft geen rekening gehouden met een aantal vaste loonbestanddelen. Op basis van het Sociaal Plan moet de mobiliteitspremie worden berekend met behulp van de toenmalige kantonrechtersformule. Bij die formule geldt dat bij de berekening van de in aanmerking te nemen beloning wordt uitgegaan van het bruto maandsalaris, vermeerderd met vaste en overeengekomen looncomponenten. Een structurele bonus en het BS benefit budget als bedoeld in artikel 5.1 van de geldende CAO, zijn vaste looncomponenten. Deze hadden bij de berekening moeten worden betrokken en dit is niet gebeurd. De mobiliteitspremie is daardoor op een te laag bedrag vastgesteld.

3.3

Essent heeft als verweer (kort samengevat) het volgende aangevoerd.

Het Sociaal Plan bevat geen juridische grondslag voor een bonusuitkering bij boventalligheid. Ingevolge artikel 5.3 van dat plan blijft de boventallige werknemer recht houden op het salaris en het geldende salarisperspectief. Ook worden wettelijke en CAO-aanspraken gerespecteerd. De bonusuitkering valt daar echter niet onder. De bonus is namelijk geen vast looncomponent. De aanspraak op een bonus is afhankelijk van onder meer de bedrijfsprestaties en de prestaties van de individuele werknemer. Boventallige werknemers dragen in de regel niet bij aan het bedrijfsresultaat. Zij werken aan een overgang naar ander werk en worden daar gedurende drie jaar voor gefaciliteerd door Essent. Alleen indien een boventallige werknemer werkzaamheden verricht in een tijdelijke rol, kan er een bonusaanspraak ontstaan voor de tijd dat die tijdelijke rol duurt. Van een dergelijke situatie is bij [eiseres] geen sprake geweest. Voor zover er zou worden geoordeeld dat [eiseres] wel een bonusaanspraak heeft, dan heeft te gelden dat de berekening moet plaatsvinden door het gemiddelde te nemen dat de laatste 3 jaar voor boventalligheid aan bonus is uitgekeerd.

Gedurende de eerste 4 maanden van 2015 heeft [eiseres] geen aanspraak op een bonusuitkering omdat zij geen bonuswaardig werk heeft gedaan, wegens ziekte en kort na de hersteld melding ingetreden boventalligheid.

Bij het bepalen van de mobiliteitspremie is het salarisbegrip, zoals dit is gedefinieerd in de geldende CAO, leidend. Niet in die definitie benoemde elementen worden buiten beschouwing gelaten.

Essent is meer subsidiair van mening dat er reden is voor matiging van de wettelijke verhoging en dat er geen grond is voor een integrale vergoeding van de proceskosten.

3.4

Wat partijen verder nog hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun standpunten zal, voor zover nodig, bij de beoordeling worden weergegeven.

4 De beoordeling

Bonusaanspraak over de eerste 4 maanden van 2015

4.1

In artikel 7, lid 3 van de arbeidsovereenkomst die tussen partijen heeft gegolden, staat het volgende:

“3. Naast het vaste jaarinkomen kan de werkgever krachtens en overeenkomstig het daarvoor geldende beleid jaarlijks een bruto variabele beloning toekennen van maximaal 10% van het vaste jaarinkomen. De hoogte van de variabele beloning is afhankelijk van de gerealiseerde doelstellingen, die jaarlijks worden overeengekomen.

Deze bruto variabele beloning wordt alleen uitgekeerd als:

(…)

(…)

De werknemer gedurende het bonusjaar niet voor een periode van in totaal vier maanden of langer arbeidsongeschikt is geweest;

(…)”

4.2

Vast staat dat [eiseres] , na een urenopbouw in de eerste maanden van 2015, per 13 april 2015 volledig arbeidsgeschikt is gemeld. Zij is dus in 2015 geen vier maanden ziek geweest en tussen partijen staat inmiddels vast dat de bonusaanspraak niet reeds strandt op de lengte van haar arbeidsongeschiktheid in 2015.

4.3

Essent heeft ter zitting toegelicht dat [eiseres] in de eerste vier maanden van 2015 geen bonuswaardig werk heeft verricht. Er zijn met haar geen resultaatsafspraken gemaakt omdat zij aanvankelijk in ander werk dan de bedongen arbeid aan het re-integreren was. Nadat [eiseres] per 13 april 2015 hersteld gemeld was, zijn er geen resultaatsafspraken meer met haar gemaakt omdat inmiddels duidelijk was dat ze 2 weken later boventallig zou worden. Gedurende die 2 weken heeft zij, naar eigen zeggen, het werk bij de afdeling Mobiliteit voortgezet waarop zij tijdens haar re-integratie was ingezet.

4.4

De kantonrechter volgt Essent in haar standpunt dat [eiseres] geen aanspraak heeft op een bonusuitkering over de eerste vier maanden van 2015. Ter toelichting hierop geldt het volgende.

Vast staat dat [eiseres] in de eerste vier maanden van 2015 niet haar eigenlijke werk heeft uitgevoerd, wat tot medio april 2015 het gevolg was van haar arbeidsongeschiktheid. Dat Essent [eiseres] daarna niet meer heeft ingezet op haar eigen werk en ook geen resultaatsafspraken meer heeft gemaakt voor de 2 weken die nog restten tot het moment van boventallig worden, kan haar in redelijkheid niet worden tegengeworpen als slecht werkgeverschap. Van belang is verder dat bonustoekenning haar ratio vindt in het belonen van bijdragen van medewerkers aan het bedrijfsresultaat. De kantonrechter is van oordeel dat niet kan worden volgehouden dat [eiseres] in die eerste vier maanden van 2015 een (bonuswaardige) bijdrage heeft geleverd aan dat bedrijfsresultaat. Dat dit haar niet te verwijten is, maakt dit niet anders. Tenslotte heeft de kantonrechter in ogenschouw genomen dat bonustoekenning een discretionaire bevoegdheid is, die getoetst dient te worden aan de norm van goed werkgeverschap. Die norm is naar het oordeel van de kantonrechter niet geschonden met de beslissing om [eiseres] geen bonus toe te kennen over de eerste vier maanden van 2015.

Bonusaanspraak over de periode van boventalligheid

4.5

In artikel 5.3 van het Sociaal Plan staat het volgende.

“Boventallige Werknemers behouden het toegekende salaris, evenals het schriftelijk vastgestelde salarisperspectief en de individueel toegekende schriftelijk vastgelegde salarisafspraken. Gedurende de mobiliteitsperiode vindt geen afbouw plaats van toeslagen die op basis van de op de Werknemer toepasselijke CAO onder het salarisbegrip vallen. Voor boventallige Werknemers is de geldende beoordelingssystematiek en het geldende salarisbeleid van toepassing. Wettelijke en CAO-aanspraken worden gerespecteerd. (…)”

4.6

Het geschil op het punt van de bonusaanspraak over de periode van boventalligheid draait om de vraag of de in artikel 7, lid 3 van de arbeidsovereenkomst vastgelegde variabele beloning (de bonus) deel uitmaakt van het toegekende salaris dan wel is aan te merken als een individueel toegekende, schriftelijk vastgelegde salarisafspraak.

4.7

In het Sociaal Plan is het salaris gedefinieerd als: het salaris zoals dat in de toepasselijke ENb-CAO is bepaald, tenzij hieronder (de kantonrechter neemt aan dat is bedoeld: in dat wat hierna in de begripsbepalingen of elders in het Sociaal Plan) anders is bepaald. In artikel 5.3 is niet vermeld dat er moet worden uitgegaan van een ander salarisbegrip dan in het plan is gedefinieerd. Dit betekent dat leidend is het salarisbegrip zoals dit in de CAO is gedefinieerd en die definitie luidt als volgt:

“ Het schaalsalaris (eventueel vermenigvuldigd met het deeltijdpercentage), vermeerderd met:

  1. de eventuele vaste persoonlijke toelage(n) per maand;

  2. 8% (de voormalige vakantie-uitkering per maand, zie bijlage 7);

  3. De vergoeding in geld voor wacht- en storingsdienst, gemiddeld per maand over de voorgaande periode van 12 maanden;

  4. De vergoeding in geld voor ploegendienst (zie paragraaf 3.3.).”

De vaste persoonlijke toelage is als volgt gedefinieerd:

“een vaste maandelijkse toeslag op het schaalsalaris. Dat kan een bedrag zijn of een percentage van dat schaalsalaris. Een vaste persoonlijke toelage wordt voor onbepaalde tijd toegekend, alleen:

  1. Als je uitstekend je werk doet;

  2. Als garantie omdat je in een lager gekwalificeerde functie bent geplaatst;

  3. Als er bijzondere eisen aan je worden gesteld.

Alle toelagen op het schaalsalaris die om andere redenen zijn toegekend, tellen niet mee als vaste persoonlijke toelage.”

4.8

Naar het oordeel van de kantonrechter valt de in de arbeidsovereenkomst vermelde variabele beloning niet onder het element “salaris” in artikel 5.3 van het Sociaal Plan. Vervolgens is de vraag of het wel te vatten is onder een individueel toegekende, schriftelijk vastgelegde salarisafspraak. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter evenmin het geval. Doorslaggevend is dat er in de arbeidsovereenkomst geen ongeclausuleerd recht op een bonus is opgenomen. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.4 is overwogen, berust het toekennen van een bonus op een discretionaire bevoegdheid van Essent en dit is met het woordje “kan” ook tot uitdrukking gebracht in artikel 7, lid 3 van de arbeidsovereenkomst. Essent heeft beleid ontwikkeld dat ten grondslag ligt aan bonustoekenning. Doel van het bonusbeleid is werknemers te belonen voor geleverde prestaties die actief bijdragen aan de resultaten van Essent. Deze prestaties worden beoordeeld aan de hand van vooraf bepaalde individuele doelstellingen. Essent heeft toegelicht dat werknemers die boventallig zijn en onder de werking van het Sociaal Plan vallen, in beginsel geen prestaties leveren die actief bijdragen aan de resultaten van Essent. Uit het Sociaal Plan blijkt dat de boventallige werknemer in de mobiliteitsperiode van drie jaar, primair wordt begeleid en bemiddeld van werk naar werk. Dit traject wordt door Essent gefaciliteerd. De resultaatsafspraken die in de mobiliteitsperiode worden gemaakt met de boventallige werknemer, zijn afspraken die zien op de eigen mobiliteit van de medewerker en niet op het behalen van bedrijfsresultaat. De kantonrechter is van oordeel dat Essent op goede gronden heeft geconcludeerd dat er in beginsel geen bonusaanspraak is in een periode van boventalligheid. Niet alleen biedt het Sociaal Plan geen grondslag voor een dergelijke aanspraak; zo’n aanspraak strookt ook niet met de doelstelling van het bonusbeleid.

4.9

Essent heeft aangegeven dat er wel een bonusaanspraak kan ontstaan als een boventallige werknemer werkzaamheden verricht in een tijdelijke rol, indien die werkzaamheden bijdragen aan het resultaat van Essent. [eiseres] heeft gesteld dat zij een aantal keer dergelijke werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van Essent. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij in de periode gelegen tussen augustus 2015 en december 2015 als trainer heeft gewerkt aan het Unity project. Haar opdracht was om via trainingen een gedragsverandering te bewerkstelligen die nodig was voor het werken met een nieuw systeem. Haar collega-trainer was een externe. Verder heeft [eiseres] toegelicht dat zij in de periode waarin ze boventallig was diverse workshops heeft gegeven aan Essentmedewerkers, onder andere op het gebied van het ontvangen van feedback. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] Essent hier al in 2017 van in kennis heeft gesteld en aanspraak heeft gemaakt op bonustoekenning op basis van dit tijdelijk werk.

4.10

De kantonrechter vindt het voorshands niet onaannemelijk dat er in deze tijdelijke rollen, die dicht lijken te liggen bij de oorspronkelijke werkzaamheden van [eiseres] , sprake is van bonuswaardig werk. Dat de tewerkstelling geen ander doel had dan het opdoen van werkervaring en het opbouwen van een netwerk, overtuigt de kantonrechter vooralsnog niet. Omdat de kantonrechter nog onvoldoende inzicht heeft in de precieze aard van de tijdelijke werkzaamheden, in de mate van inzet voor die werkzaamheden (hoeveel uur per week) en de periode waarin die werkzaamheden zijn verricht, zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld om bij akte op deze punten een nadere toelichting te verstrekken. De kantonrechter benadrukt dat alleen tijdelijke werkzaamheden die ten behoeve van Essent zijn verricht relevant zijn.

Essent zal de gelegenheid worden geboden om, in reactie op de nadere toelichting, bij akte uiteen te zetten of die tijdelijke werkzaamheden een bonusaanspraak rechtvaardigen. Zo niet, dan dient Essent uiteen te zetten waarom niet. Als bepaalde werkzaamheden wel een bonusaanspraak rechtvaardigen, dan dient Essent uiteen te zetten tot welk bonusbedrag deze aanspraak zou leiden en welke berekening er aan dat bedrag ten grondslag ligt. De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen voor een aktewisseling op dit punt.

Mobiliteitspremie

4.11

Met betrekking tot de berekening van de mobiliteitspremie stelt de kantonrechter voorop dat in het Sociaal Plan deze premie als volgt is gedefinieerd.

“Uitkering waarvan de hoogte, ongeacht de hoogte van het jaarsalaris, is afgeleid van de geldende kantonrechtersformule 1 (waarbij de factor = 1) en die eenmalig wordt vastgesteld op het moment van boventalligverklaring”.

4.12

De kantonrechter stelt vast dat de definitie uitwijst dat de berekening afgeleid moet worden van de kantonrechtersformule zoals die gold ten tijde van de boventallig verklaring van [eiseres] . Zij volgt Essent echter in haar standpunt dat voor de invulling van de beloningscomponent in die kantonrechtersformule moet worden uitgegaan van het salarisbegrip, zoals dit is gedefinieerd in het Sociaal Plan (waarin is verwezen naar het salarisbegrip uit de CAO). In de definitiebepaling staat namelijk dat de hoogte van de uitkering is afgeleid van de geldende kantonrechtersformule. Dit betekent naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de invulling van het salarisbegrip plaats dient te vinden in afwijking van dat wat in het Sociaal Plan en de CAO is gedefinieerd. De voetnoot, die bij de definitie van de mobiliteitspremie is geplaatst, noodzaakt niet tot een andersluidend oordeel. In die noot staat namelijk niet meer dan dat in het geval dat de geldende kantonrechtersformule gedurende de looptijd van het Sociaal Plan mocht leiden tot een lagere uitkomst dan de versie die in bijlage 4 is opgenomen, de uitkomst van laatstgenoemde versie geldt. Voorstelbaar was immers dat er gedurende de looptijd van het Sociaal Plan een wijziging zou optreden in de (als bijlage 4 opgenomen versie van de) kantonrechtersformule, die tot een nadeliger resultaat zou leiden. Overigens heeft te gelden dat aanbeveling 3.3, opgenomen in bijlage 4, ook spreekt over vaste looncomponenten. Zoals hiervoor is overwogen, kan de variabele beloning als bedoeld in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst niet worden gekwalificeerd als een vast looncomponent.

4.13

De kantonrechter is van oordeel dat Essent terecht de beloningscomponent heeft gekoppeld aan het salarisbegrip uit de CAO. De mobiliteitsuitkering is dus op een juiste wijze berekend.

Kosten rechtsbijstand

4.14

Uit dat wat hiervoor is overwogen, blijkt dat van een evidente ongegrondheid van het verweer tegen de vorderingen van [eiseres] geen sprake is. Integendeel, dit verweer slaagt op vele punten. Slechts op het punt van de bonusaanspraak wegens verrichte werkzaamheden in een tijdelijke rol tijdens boventalligheid, zou de (subsidiaire) vordering van [eiseres] nog kunnen slagen. Of dit daadwerkelijk zo is, is onderwerp van de nadere beoordeling die op basis van de aktewisseling zal plaatsvinden. Wat daar de uitkomst ook van zal zijn, een proceskostenveroordeling als door [eiseres] gevorderd zal in geen geval worden toegewezen.

4.15

In afwachting van aktewisseling houdt de kantonrechter alle beslissingen aan.

5 De beslissing

De kantonrechter

- stelt [eiseres] in de gelegenheid om bij akte, te nemen op de rol van donderdag 14 februari 2019, een nadere toelichting te geven op de werkzaamheden, die zij als boventallige werknemer ten behoeve van Essent heeft verricht in een tijdelijke rol, waarbij in elk geval moet worden ingegaan op de aard van die werkzaamheden, de mate van inzet voor die werkzaamheden en de periode waarin die werkzaamheden zijn verricht;

- stelt Essent in de gelegenheid om een antwoord-akte te nemen op de rol van donderdag 14 maart 2019, waarbij wordt in gegaan op de punten die zijn beschreven in rechtsoverweging 4.10;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2019.

1 De geldende kantonrechtersformule kan gedurende de looptijd van dit Sociaal Plan niet leiden tot een lagere uitkomst dan de kantonrechtersformule zoals die is opgenomen in bijlage 4 (ktr: bijlage 4 zijn de aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters)