Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:96

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-01-2019
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
C/01/340157 / KG ZA 18-652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Verkoop (voormalige) echtelijke woning. Man wenst het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Vrouw wenst dat de woning aan een derde die € 265.000 voor de woning heeft geboden wordt verkocht. De vordering van de man dat de woning voor € 265.250 aan hem wordt verkocht, wordt afgewezen. Man plaatste geen “te koop-“ bord in zijn tuin en weigerde mee te werken aan nieuwe foto’s. Nadat de geïnteresseerde derde € 265.000 had geboden, heeft de man € 265.250 geboden. Geen optimale verkoopprocedure. Vordering van de vrouw wordt toegewezen omdat haar belangen dienen te prevaleren”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/340157 / KG ZA 18-652

Vonnis in kort geding van 7 januari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.G. Spijker te Boxmeer,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.M.G. Senssen-Franssen te Cuijk.

Partijen zullen hierna “de man” en “de vrouw” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 november 2018 inclusief 14 producties;

  • -

    de eis in reconventie van de vrouw inclusief één productie;

  • -

    de door de man nagezonden productie 15;

  • -

    de door de vrouw nagezonden productie;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van de man;

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn ex-echtelieden en 33 jaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 14 augustus 2017 (zaaknummer/rekestnummer: C/01/314319/FA RK 16-5680) is de echtscheiding uitgesproken en heeft de rechtbank dat wat partijen zijn overeengekomen in het echtscheidingsconvenant (door de man op 12 mei 2017 en door de vrouw op 9 mei 2017 ondertekend) opgenomen in de beschikking. De beschikking is op 30 augustus 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de voormalige echtelijke woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning).

2.3.

Voorzover hier relevant zijn partijen in de artikelen 2.7. en 2.8. omtrent de woning het navolgende in het echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) overeengekomen:

“2.7. De echtelijke woning van partijen aan [adres] zal worden verkocht. Makelaardij [naam makelaar] is belast met de verkoop van de woning. Van de verkoopopbrengst zal allereerst de hypotheekschuld ad € 112.000,-- bij de ING worden afgelost. Daarna zullen de met de verkoop samenhangende kosten worden voldaan waaronder de kosten van de makelaar. Het restantbedrag zal tussen partijen bij helfte worden verdeeld.

Wanneer op het moment van de notariële overdracht van de woning sprake is van een achterstand in de woonlasten (hypotheek e.d.) dan komt deze achterstand uitsluitend voor rekening en ten laste van de man, nu hij de woning bewoont (zie artikel 2.8). Een eventuele achterstand wordt derhalve op het aandeel van de man in het restantbedrag in mindering gebracht en niet op het aandeel van de vrouw.

2 8. Tot aan de verkoop van de woning zal de man in de echtelijke woning blijven wonen. Alle kosten met betrekking tot deze woning (bijv. hypotheek, gemeentelijke heffingen, verzekeringspremie, nutsvoorzieningen) komen voor rekening van de man, zonder verdere verrekening.”

2.4.

Partijen hadden reeds op 10 januari 2017 makelaar [naam makelaar] de verkoopopdracht van de woning gegeven. De vraagprijs is toen gezamenlijk bepaald op € 250.000,- k.k..

2.5.

In mei 2017 meldde zich een potentiële koper bij de makelaar die de woning voor een bedrag van € 235.000,- wilde kopen. De koop is uiteindelijk niet door gegaan omdat partijen het niet eens konden worden over de verkoopprijs. De vrouw kon akkoord gaan met een eindbod van € 240.000,- k.k. en de man stelde zich op het standpunt dat de woning voor minimaal het bedrag van € 245.000,- verkocht diende te worden. De potentiële koper is toen afgehaakt.

2.6.

Makelaar [naam makelaar] heeft op 11 oktober 2017 vanwege de verstoorde relatie tussen partijen besloten om de verkoopopdracht terug te geven.

2.7.

Bij vonnis in kort geding van 28 december 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank - onder meer - de vordering van de man om de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de man en diens nieuwe partner [naam partner] tegen een verkoopprijs van € 225.000,-, afgewezen.

2.8.

De vrouw heeft na het wijzen van het kort geding vonnis van 28 december 2017 drie makelaars voorgesteld aan de man om de verkoop van de echtelijke woning ter hand te nemen, te weten: makelaar [naam makelaar 2] te Cuijk, Hans de Makelaar te Gennep en WOON makelaars te Grave.

2.9.

De man heeft vervolgens makelaar [naam makelaar 2] een opdracht verstrekt een waardebepaling te doen van de woning. Makelaar [naam makelaar 2] heeft de woning toen getaxeerd op een waarde van € 225.000,-.

2.10.

Partijen hebben nadien geen overeenstemming bereikt over de woning, zodat een tweede kort geding procedure is gevoerd. Bij vonnis van 5 juli 2018 is de man veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan het geven van een opdracht tot het bemiddelen bij de verkoop van de woning. De voorzieningenrechter heeft daarbij geoordeeld dat de taxatie van makelaar [naam makelaar 2] ad € 225.000,- en het gelijkluidende bod van de man gelet op de stijgende lijn in de huizenprijzen niet doorslaggevend kunnen worden geacht. De voorzieningenrechter heeft voorts geoordeeld dat de vrouw voldoende recht had om de woning in de vrije verkoop aan te bieden. Tevens is de reconventionele vordering van de man om de woning aan hem te verkopen voor € 225.000,- afgewezen.

2.11.

Partijen hebben vervolgens gezamenlijk opdracht tot bemiddeling bij verkoop van de woning gegeven aan Woon makelaars te Grave. Deze makelaar heeft een vrijblijvende waardebepaling gedaan die is uitgekomen op een bedrag van € 237.500,-. De makelaar heeft daarbij een vraagprijs geadviseerd van € 250.000,-.

2.12.

De man heeft op voorhand een bod gedaan van € 245.000,-. De vrouw heeft dit bod geweigerd en heeft vastgehouden aan de vrije verkoop van de woning.

2.13.

Na het aanbieden in de vrije verkoop heeft zich een geïnteresseerde gemeld die een openingsbod heeft gedaan van € 250.000,-. Na enige onderhandeling heeft deze geïnteresseerde op 25 oktober 2018 een finaal eindbod gedaan van € 265.000,-. Dit bod is gedaan onder voorbehoud van financiering en onder voorbehoud van een bouwtechnische keuring.

2.14.

Op 26 oktober 2018 is dit bod per e-mail aan de vrouw verzonden, waarop zij heeft gereageerd dat zij akkoord gaat met dit “geweldige” bod.

2.15.

Op 26 oktober 2018 heeft de man contact opgenomen met de makelaar en het eindbod van de derde partij overboden. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij € 265.250,- als bod wil neerleggen onder voorbehoud van financiering.

2.16.

De vrouw heeft dit bod van de man niet geaccepteerd.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

De man vordert in conventie bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de voorzieningenrechter:

a. de vrouw veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de man tegen het bedrag van € 265.250,-, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, door het ondertekenen van de daartoe vereiste notariële akte van verkoop en levering met bij de instrumenterende notaris gebruikelijke en/of door deze wenselijk geachte inhoud en daartoe op uitnodiging van die notaris te verschijnen op een door die notaris te bepalen dag en uur op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag bij weigering van deze medewerking;

b. bepaalt dat in het geval de vrouw niet binnen één week na betekening van dit vonnis zal meewerken aan de verkoop en levering van het registergoed, dat het ten deze te wijzen vonnis na ommekomst van die week in de plaats zal treden van de vereiste medewerking van de vrouw voor al hetgeen noodzakelijk is om het registergoed in eigendom te doen overdragen en dit vonnis in de plaats te laten treden van de handtekening van de vrouw bij de notariële leveringsakte en de financiële afwikkeling.

c. de vrouw veroordeelt in de werkelijke proceskosten, alsmede in de nakosten.

3.2.

De man heeft aan zijn vorderingen – kort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd:

De verdeling moet worden gelast zoals door de man gevorderd. Hij heeft een hoger bod gedaan dan de waardebepaling van de woning die blijkt uit recente taxaties. Hij is financieel in staat om de woning over te nemen en de vrouw niet. De man heeft dan ook recht en belang bij overname van de woning en de vrouw niet. Hij bewoont de woning en hij betaalt de volledige woonlasten. Door de overname van de woning zijn partijen op korte termijn niet meer financieel verbonden en worden de kosten van de makelaar bespaard. De vrouw heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd op grond waarvan zij het bod van de man zou mogen weigeren. Zij dient dan ook veroordeeld te worden in de werkelijke proceskosten. De man heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering omdat de hypotheekregels per 1 januari 2019 veranderen.

3.3.

De vrouw heeft hiertegen – kort weergegeven – het volgende verweer gevoerd:

Zij handhaaft haar standpunt dat de man gehouden is uitvoering te geven aan het convenant en dat de woning – dus – verkocht dient te worden aan een derde. De man heeft ook na het vonnis niet zijn medewerking verleend aan openbare verkoop van de woning. Zo heeft de makelaar geen nieuwe foto’s mogen maken en geen verkoopbord mogen plaatsen. Verder is de vrouw van mening dat de man misbruik maakt van zijn positie als eigenaar en dat derden geen reële kans krijgen om de woning te kopen. De man heeft onvoldoende aangevoerd om tot een wijziging van de gemaakte afspraken te komen. Daarnaast is zij van mening dat haar belang tot verkoop van de woning aan een derde zwaarder weegt dan het belang van de man om de woning te kopen. Zij heeft psychisch veel last van de situatie en de aanwezigheid van de man in [woonplaats] . De vorderingen van de man dienen derhalve te worden afgewezen. Dit geldt eveneens voor de veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten. Het is de keuze van de man om het convenant en de latere uitspraken van de voorzieningenrechter niet na te komen.

3.4.

De vrouw vordert gelet op het voorgaande in reconventie bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de voorzieningenrechter:

a. de man veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan het sluiten van een koopovereenkomst waarbij de woning zal worden verkocht aan de heer [naam koper] voor een bedrag van € 265.000,-, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft;

b. bepaalt dat dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man bij het sluiten van een koopovereenkomst met de heer [naam koper] ;

c. bepaalt dat dit vonnis in de plaats komt van de voor de (notariële) eigendomsoverdracht van de woning aan de heer [naam koper] noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man met bepaling dat de aldus op te maken leveringsakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden ingeschreven;

d. bepaalt dat de notariële eigendomsoverdracht binnen twee maanden na dit vonnis moet plaatsvinden;

In voorwaardelijke reconventie, voor het geval de woning aan de man wordt toebedeeld:

e. bepaalt dat de vrouw uitsluitend gehouden is haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de man indien zij gelijktijdig met de levering uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de woning rustende hypothecaire verplichtingen wordt ontslagen;

f. de man veroordeelt om op het moment van levering van de woning aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 76.625,00 bij gebreke waarvan de levering geen doorgang zal hebben;

g. de man veroordeelt tot het voldoen van de kosten van de notaris in verband met de levering van de woning aan hem;

h. de man – in conventie en reconventie – veroordeelt in de proceskosten.

3.5.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze gezamenlijk worden besproken.

4.2.

Over en weer is het spoedeisend belang bij de respectieve vorderingen niet betwist. Omdat het huwelijk van partijen op 30 augustus 2017 is ontbonden en thans sprake is van biedingen van de man en een geïnteresseerde, hebben partijen over en weer spoedeisend belang bij hun vorderingen.

4.3.

Door de indiening van het echtscheidingsverzoek en de daarop volgende ontbinding van het huwelijk van partijen, is de huwelijksgoederengemeenschap waar de woning deel van uitmaakte op grond van art. 1:99 lid 1, aanhef, en onder b jo 163 lid 1 BW ontbonden. Krachtens art. 3:189 lid 2 jo 166 lid 3 jo art. 6:2 lid 1 BW zijn de man en de vrouw verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Krachtens art. 3:189 lid 2 jo 3:185 lid 1 BW gelast de rechter, in het geval partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.

4.4.

Toen het convenant tot stand kwam gingen partijen ervan uit dat de man het aandeel van de vrouw in de woning niet van haar kon overnemen en zijn zij verkoop van de woning aan een derde overeengekomen. Omdat de man thans de woning volgens zijn adviseur samen met zijn huidige partner zou kunnen financieren, rijst in beginsel de vraag of ook de man een bod op de woning kan doen. Die vraag kan niet worden beantwoord op grond van uitleg van het convenant. In zoverre is sprake van een leemte in het convenant.

4.5.

Omdat het convenant de vraag of de man een bod mag doen niet beantwoordt en in zoverre van een complete verdeling geen sprake is, dient de rechter uiteindelijk vast stellen of de woning aan de geïnteresseerde derde dient te worden verkocht, danwel aan de man dient te worden toebedeeld. Daarbij dient hij rekening te houden naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als het algemeen belang.

4.6.

Omdat de woning volgens het convenant niet aan een van de partijen wordt toebedeeld maar door bemiddeling van een makelaar aan een derde zal worden verkocht, waarbij de overwaarde tussen partijen gelijkelijk zal worden gedeeld, moet het ervoor worden gehouden dat partijen op zoek zouden gaan naar een derde die de beste prijs voor de woning wenst te bieden. De man heeft niet betwist dat hij geen “te koop-“ bord in de tuin heeft geplaatst en ook niet heeft meegewerkt aan het maken van nieuwe actuele foto’s van de woning. Hij heeft er daarmee niet voor gezorgd dat de beste omstandigheden zijn gecreëerd om de beste prijs “uit de markt” te halen. De verkoopprocedure deugt ook niet omdat de man wist wat het maximale bod van de geïnteresseerde was en hij vervolgens nog een hoger bod heeft kunnen doen (€ 265.250,- in plaats van € 265.000,-). Deze omstandigheden leiden ertoe dat in ieder geval de conventionele vorderingen van de man dienen te worden afgewezen.

4.7.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de woning aan de geïnteresseerde derde dient te worden verkocht. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het algemeen belang er niet aan in de weg staat dat de woning aan de geïnteresseerde derde wordt verkocht. De man beroept zich erop dat hij eigenaar van de woning is, hij een emotionele binding met de woning heeft, hij zijn kinderen in de woning heeft zien opgroeien en investeringen in de woning heeft gedaan. Hetzelfde geldt voor de vrouw. Ook zij is eigenaar van de woning, heeft een emotionele binding met de woning, heeft haar kinderen in de woning zien opgroeien en heeft samen met de man investeringen in de woning gedaan. Voor de man is van belang dat hij in de woning kan blijven wonen. Voor de vrouw is van belang dat de woning aan een derde wordt verkocht omdat voor haar niet te verteren is dat de man in de woning met zijn huidige partner verder gaat na 33 jaar huwelijk met de vrouw.

4.8.

Wat de voorzieningenrechter betreft dienen de belangen van de vrouw te prevaleren boven de belangen van de man. De man heeft geen enkel begrip getoond voor de emotionele problemen die de vrouw heeft omdat de man, na 33 jaar huwelijk in de woning met een nieuwe partner is gaan samenwonen. Hij heeft in eerste instantie de in het convenant overeengekomen verkoop van de woning aan een derde door bemiddeling van een makelaar gefrustreerd. Eerst nadat de man door de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 5 juli 2018 onder verbeurte van een dwangsom daartoe is veroordeeld, heeft hij meegewerkt aan een opdracht aan een nieuwe makelaar (nadat de vorige makelaar zich had teruggetrokken). Voordat het zover kwam heeft de man zich eerst op het standpunt gesteld dat de woning minimaal € 245.000,- moest opbrengen (nadat een geïnteresseerde voor de woning € 235.000,- had geboden) en vervolgens (tevergeefs) in rechte gevorderd dat de woning voor een bedrag van € 225.000 aan hem wordt toebedeeld. Omdat de man de in het convenant overeengekomen verkoopprocedure heeft gefrustreerd, thans een derde geïnteresseerde bereid is voor de woning een bedrag van € 265.000,- te betalen en dit bedrag ruim meer bedraagt dan de vrijblijvende waardebepaling van de makelaar van € 237.500,-, terwijl de man al geruime tijd “zit” op het deel van de vrouw in de overwaarde van de woning, zullen de reconventionele vorderingen van de vrouw die zien op de verkoop van de woning aan de geïnteresseerde derde worden (gedeeltelijk) worden toegewezen. Tekent de man de koopovereenkomst met [naam koper] , dan moet hij de kans krijgen om bij de notaris te verschijnen om de akte van levering te tekenen. De voorzieningenrechter kan niet bepalen dat een leveringsakte rechtsgeldig in de openbare registers kan worden ingeschreven. Omdat de conventie van de man word afgewezen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan beoordeling van de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van de vrouw.

4.9.

Omdat partijen ex echtelieden van elkaar zijn, zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter,

In conventie:

5.1.

wijst de vorderingen van de man af,

5.2.

compenseert de proceskosten met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt,

In (voorwaardelijke) reconventie:

5.3.

veroordeelt de man om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan het sluiten van een koopovereenkomst waarbij de woning zal worden verkocht aan [naam koper] voor een bedrag van € 265.000,-,

5.4.

veroordeelt de man tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat de man niet aan de veroordeling in r.o. 5.3. voldoet,

5.5.

bepaalt dat boven een bedrag van € 20.000,- geen dwangsommen zullen worden verbeurd,

5.6.

bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsuiting van de man voor het totstandkomen van een koopovereenkomst met [naam koper] voor een bedrag van € 265.000,- in het geval hij weigert de koopovereenkomst met [naam koper] te tekenen en 14 dagen na betekening van dit vonnis zijn verstreken,

5.7.

bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsuiting van de man in het geval hij weigert de akte van levering van de woning aan [naam koper] (voor een bedrag van € 265.000,-) te tekenen en 14 dagen na betekening van dit vonnis zijn verstreken,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.9.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

5.10.

wijst de vorderingen voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2019.