Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:905

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
01/997511-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende vijf jaar in samenwerking met een groot aantal tuinders een grootschalige fraude gepleegd bij de verkoop van de oogst op stam door de tuinders. Verdachte had daartoe een netwerk van voornamelijk buitenlandse bedrijven opgezet. Ook heeft verdachte met dat doel een groot aantal Luxemburgse bankrekeningen geopend. De op die rekeningen gestorte gelden bleven buiten zicht van de Nederlandse fiscus.

Op zich acht de rechtbank voor die feiten een jarenlange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op de plaats. Gelet echter op de overschrijding van de redelijke termijn van 6 EVRM met ruim zes en een half jaar en de wijze waarop de zaken tegen de individuele tuinders zijn afgedaan, veroordeelt de rechtbank verdachte niet tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte wordt veroordeeld tot de wettelijk maximaal toelaatbare voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar met een proeftijd van twee jaar, de maximaal toelaatbare taakstraf van 240 uur en de maximaal toelaatbare geldboete van € 134.000,--

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/997511-09

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1947] ,

wonende te [postcode 1] [ [land] ], [straatnaam 2]

voor deze zaak woonplaats kiezende te [postcode 2] , [straatnaam 3] .

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 juni 2018, 15 oktober 2018, 15 januari 2019, 17 januari 2019, 21 januari 2019, 22 januari 2019 en 5 februari 2019. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 april 2018. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. [bedrijf 1] , verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand december 2007 tot en met de maand november 2008, althans in of omstreeks de periode van de maand december 2005 tot en met 5 juli 2010 te [plaatsnaam] in de gemeente Ooststellingwerf, althans in Nederland en/of te Hamont-Achel, althans in Belgie, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de (bedrijfs- en/of object-)administratie van de B.V. en/of van [bedrijf 2] , zijnde (dat deel van) die (bedrijfs- en/of object-) administratie (telkens) (een) (samenstel van) geschrift(en) die/dat bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, hebbende de B.V. en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in (dat deel van) die (bedrijfs- en/of object-)administratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken:

* 15, in elk geval een of meer koopovereenkomst(en) tussen [bedrijf 3] als verkoper en [bedrijf 2] . als koper, (telkens) terzake de verkoop en/of levering door [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] . van zogenaamde oogst op stam tegen een/de in die koopovereenkomst(en) vermelde (ver)koopprijzen/ (ver)koopprijs (DOC-046-02, p. 011817 t/m p. 011846 p.v. en AMB-089, p. 005762 p.v.) en/of

* 13, in elk geval een of meer koopovereenkomst(en) tussen [bedrijf 4] als verkoper en [bedrijf 2] . als koper, (telkens) terzake de verkoop en/of levering door [bedrijf 4] aan [bedrijf 2] . van zogenaamde oogst op stam tegen een/de in die koopovereenkomst(en) vermelde (ver)koopprijzen/(ver)koopprijs (DOC-046-02, p. 011723 t/m p. 011748 p.v. en AMB-089, p. 005762 p.v.),

zulks terwijl (een) verko(o)p(en) en/of levering(en) van oogst op stam, door voornoemde verkoper(s) aan [bedrijf 2] ., zoals (telkens) in die koopovereenkomst(en) waren/was vermeld, in werkelijkheid (telkens) niet hebben/heeft plaatsgevonden, in elk geval (telkens) niet hebben/heeft plaatsgevonden tegen (een) in die koopovereenkomst(en) vermelde (ver)koopprijzen/(ver)koopprijs en/of aan de in die koopovereenkomst(en) vermelde koper, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand maart 2006 tot en met 5 juli 2010 te Luxemburg, althans in het land Luxemburg en/of in de gemeente(n) Beek en/of Budel en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van (een) voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(en) was en/of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had, en/of- (een) voorwerp(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, hebbende hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) (telkens) -zakelijk weergegeven-:

- op een tijdstip in of omstreeks de periode van 3 maart 2006 tot en met 8 maart 2006, een contant geldbedrag groot EURO 8.327.387,96 of daaromtrent gestort op, althans doen of laten storten op de bankrekening nummer [bankrekeningnummer 1] name van klant [klantnummer 1] bij de [Bank] (p. 001386 en p. 001387 pv) en/of

- op twee, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 januari 2007 tot en met 2 maart 2007, twee, althans een geldbedrag(en) tot een totaalbedrag groot EURO 9.500.000,- of daaromtrent (telkens) gestort op, althans doen of laten storten op de bankrekening nummer [klantnummer 2] ten name van klant [klantnummer 2] bij de [Bank] (p. 001389, p. 001390, p. 001393 en p. 001394 pv) en/of

- op een tijdstip in of omstreeks de periode van 28 februari 2008 tot en met 29 februari 2008, een geldbedrag groot EURO 4.664.134,84 of daaromtrent contant opgenomen, althans contant doen of laten opnemen vanaf de bankrekening nummer [bankrekeningnummer 2] ten name van [bedrijf 16] bij de [bank in Luxemburg] (p. 001399 en p. 001400 pv) en/of

- op een tijdstip in of omstreeks de periode van 28 februari 2008 tot en met 29 februari 2008, een geldbedrag groot EURO 2.819.907,- of daaromtrent contant opgenomen, althans contant doen of laten opnemen vanaf de bankrekening nummer [bankrekeningnummer 8] ten name van [bedrijf 2] bij de [bank in Luxemburg]

(p. 001401 en p. 001402 pv),

- op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 mei 2008 tot en met 7 juli 2008, een of meer geldbedrag(en) tot een totaalbedrag groot $ 2.963.805,- of daaromtrent (telkens) overgeboekt, althans doen of laten overboeken vanaf de bankrekening nummer/ [bankrekeningnummer 3] ten name van [bedrijf 9] naar de bankrekening nummer [bankrekeningnummer 4] ten name van [bedrijf 11] (p. 010391, p. 010393 en p. 010394 pv) en/of

- op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand juli 2008 tot en met 5 juli 2010, althans op of omstreeks 5 juli 2010, een vliegtuig, model [type] in gebruik en/of in bezit, in elk geval voorhanden gehad,

terwijl hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) (telkens) wist(en) dat die/dat voorwerp(en) (telkens) - onmiddellijk of middellijk -, geheel of gedeeltelijk, afkomstig waren/was uit enig misdrijf, en aldus van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Inleiding.

Verdachte heeft in de jaren ’90 van de vorige eeuw drie ondernemingen in Polen opgericht, waaronder in 1996 [bedrijf 14] (hierna: [bedrijf 14] ). Vanaf 1995 is hij begunstigde van [bedrijf 9] , gevestigd op de Britse Maagdeneilanden. Hij onderhoudt al enige decennia zakelijke contacten met tuinders in Brabant en Limburg. In februari 2003 werd hij enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), gevestigd in [plaatsnaam] . In maart 2004 worden op zijn verzoek op Cyprus [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en [bedrijf 16] (hierna: [bedrijf 16] ) opgericht. Ook van die ondernemingen is hij de enige begunstigde.

Op 1 maart 2005, is ten behoeve van verdachte de onderneming [bedrijf 5] opgericht. Bij de [Bank] in Luxemburg heeft verdachte op naam van deze onderneming op 24 maart 2005 een rekening met nummer [banknr 3] geopend. Verdachte is ook de ultimate beneficial owner van de tegoeden (assets) op deze rekening. Op 10 maart 2005 zijn aan deze rekening 27 onderliggende rekeningen (subrekeningen) gekoppeld. Verdachte heeft bij een aantal van deze subrekeningen, ten behoeve van een aantal tuinders, bij de [Bank] in Luxemburg een schriftelijke “Declaration when opening an account” ondertekend. Met deze rechtshandeling wijst hij deze tuinders (natuurlijke personen) aan als ultimate beneficial owner van de tegoeden (assets) op de rekeningen bij die bank. De tuinders hebben deze formulieren ook ondertekend, zodat zij geacht worden daarvan op de hoogte te zijn.

Vanaf eind 2005 werd gebruik gemaakt van een vast model koopovereenkomst. [bedrijf 2] staat daarop vermeld als koper van de oogst op stam, en de tuinder als verkoper. Ook het objectnummer van de tuinder is vermeld. De tekst in alle overeenkomsten is verder gelijk, behoudens de (vetgedrukte) variabelen, zoals de aard van de oogst, de locatie en grootte van het perceel, de prijs en de vermoedelijk te verwachten omvang van de oogst in kilo’s. De tuinders die een perceel oogst op stam wilden verkopen namen via het faxnummer van [bedrijf 1] contact op met verdachte. De prijs per kilo werd eenmaal per jaar vastgesteld. Verdachte nam een exemplaar van de koopovereenkomst mee naar de tuinder, die het op zijn bedrijf ondertekende. Verdachte nam dat exemplaar mee en liet het uiteindelijk op Cyprus ondertekenen door de directeur van [bedrijf 2] , mevrouw. [betrokkene 4] . [bedrijf 2] betaalde de overeengekomen prijs gedurende het jaar in delen, aan de tuinders. Meer dan 1200 van dit soort overeenkomsten zijn bij doorzoekingen aangetroffen.

De administratie van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is op een server in Nuenen aangetroffen. Daaruit blijkt dat de tuinders ieder een objectnummer hebben gekregen, behorend bij de te oogsten percelen. Voor ieder van die ongeveer 40 objectnummers werd per kalenderjaar een overzicht bijgehouden van: de omzet die met de verkoop van de oogst werd behaald, de contractprijs van de koopovereenkomsten oogst op stam, de onkosten en het saldo dat vervolgens als een soort winst overbleef. Deze totaaloverzichten hebben betrekking op de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008.

Uit onderzoek is gebleken dat het saldo, dat op jaarbasis na aftrek van de onkosten resteerde, in de meeste gevallen, via een interne overboeking, enkele maanden na het boekjaar terecht kwam op voormelde rekeningen op naam van [bedrijf 10] bij de [Bank] , waarvan de tuinders ultimate beneficial owner waren. In sommige gevallen werd niet het gehele bedrag, maar ongeveer 95% van dit bedrag overgemaakt. Dit gebeurde steeds in opdracht van verdachte, door interne overboekingen, reeds vanaf februari 2006. Dit geld kwam in 2006 van rekening [banknr 3] , en in 2006 tot en met 2009 van een drietal rekeningen van [bedrijf 9] bij de [Bank] .

Verder zijn bij doorzoekingen gespreksnotities aangetroffen van overleg dat verdachte heeft gehad met mensen van een advieskantoor op Cyprus uit (in ieder geval) 2003 tot en met 2007. In dit verband is eveneens correspondentie per e-mail aangetroffen, doorlopend tot in 2009.

Vanaf eind 2005 tot eind 2008 was de werkwijze in grote lijnen als volgt : [bedrijf 2] koopt de oogst op stam van de tuinders zoals hiervoor vermeld. Poolse arbeiders, in dienst bij [bedrijf 16] en/of de Poolse ondernemingen van verdachte, oogsten de gewassen. De oogst wordt geleverd aan [bedrijf 2] , die deze vervolgens doorverkoopt aan [bedrijf 1] . [bedrijf 1] verkoopt de oogst in Nederland via de veiling en andere kanalen zoals aan [betrokkene 6] . De koopsom wordt gestort op de Luxemburgse bankrekening van [bedrijf 1] , die deze bedragen doorbetaalt aan [bedrijf 2] , eveneens op een Luxemburgse bankrekening. Voor de jaren 2006 tot en met 2008 bedroeg de omzet ruim 177 miljoen euro.

Van deze rekening van [bedrijf 2] worden de tuinders betaald voor de geleverde oogst, conform de contractprijs, vermeerderd met het landbouwforfait voor de omzetbelasting. Ook wordt [bedrijf 14] betaald vanaf de rekening van [bedrijf 2] . Deze gelden worden door [bedrijf 14] doorgestort naar [bedrijf 16] en zijn bestemd voor de lonen van het oogstpersoneel. Het bedrag dat [bedrijf 16] aan lonen betaalt wordt opgehoogd met een marge van (uiteindelijk) 40% ten behoeve van verdachte. Zowel op de rekening van [bedrijf 2] als op de rekening van [bedrijf 16] , beide in Luxemburg, blijven aan het einde van het jaar bedragen over. Deze bedragen worden door verdachte contant opgenomen en kort daarna gestort op rekeningen van [bedrijf 9] , eveneens in Luxemburg. Bedragen vanaf die rekeningen komen vervolgens terecht op de rekening van [bedrijf 5] , ook in Luxemburg. Verdachte geeft aansluitend opdracht om bedragen ter hoogte van (ongeveer) de saldi uit de jaaroverzichten per tuinder over te maken naar de subrekeningen van de respectievelijke tuinders. Over de jaren 2006 tot en met 2008 gaat dit om ruim 15 miljoen euro. De tuinders verwerken laatstgenoemde bedragen niet in hun Nederlandse boekhouding.

Vanaf januari 2009 is de werkwijze enigszins aangepast. [bedrijf 2] is vervangen door [bedrijf 6] en [bedrijf 16] door [bedrijf 15] . De nieuwe ondernemingen zijn eveneens op Cyprus gevestigd en verdachte is van beide ltd’s de beneficial owner. Verder is het landbouwforfait niet meer toegepast en fungeerde [bedrijf 14] niet meer als tussenstation voor de lonen van het oogstpersoneel.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir en de schriftelijke repliek nader omschreven gronden heeft de officier van justitie geconcludeerd dat verdachte een constructie heeft opgezet waar valse koopovereenkomsten van oost op stam tussen [bedrijf 1] als koper en diverse tuinders als verkoper deel uit maakten en dat verdachte als feitelijk leidinggever van de door [bedrijf 1] gepleegde feiten moet worden aangemerkt. De officier van justitie is van mening dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.

Tevens is de officier van justitie van mening dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is. De genoemde gelden en de gelden waarmee het vliegtuig is gekocht, zijn afkomstig van de onder 1 bewezen verklaarde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota en de schriftelijke dupliek nader omschreven gronden heeft de verdediging gesteld dat de koopovereenkomsten oogst op stam niet vals zijn en dat die koopovereenkomsten niet met [bedrijf 1] . zijn gesloten. Het onder 1 ten laste gelegde feit kan niet aan [bedrijf 1] worden toegerekend en daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Ook van het onder 2 ten laste gelegde feit dient verdachte – aldus de verdediging – te worden vrijgesproken omdat niet is bewezen dat de herkomst van de genoemde gelden en de gelden waarmee het vliegtuig zijn betaald, van misdrijf afkomstig zijn.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Het oordeel van de rechtbank.

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit.

[tuinder 1] en [tuinder 2] zijn twee van de tuinders waarmee verdachte voormelde koopovereenkomsten sloot.

Als eerste wordt [bedrijf 1] en verdachte verweten dat de koopovereenkomsten valselijk zijn opgemaakt omdat de oogst op stam niet daadwerkelijk door de tuinders is verkocht en/of geleverd aan [bedrijf 2] . Voor dit verwijt bestaat geen wettig en overtuigend bewijs, zodat hiervoor vrijspraak dient te volgen. Op basis van het dossier is genoegzaam komen vast te staan dat de oogst daadwerkelijk is verkocht en geleverd. Dit blijkt onder meer uit de betalingen die conform de overeenkomsten aan de tuinders zijn gedaan. Voorts heeft getuige [getuige 1] verklaard dat [verdachte] (en dus niet de tuinder) vanuit de veiling werd beschouwd als de verkoper van de oogst die werd aangeleverd.

Het tweede verwijt aan [bedrijf 1] is dat de koopovereenkomsten valselijk zijn opgemaakt omdat de verkoop en levering van de oogst op stam niet heeft plaatsgevonden tegen de in die overeenkomsten opgenomen verkoopprijs. De rechtbank acht dit onderdeel, gelet op de

bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen, wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe wordt, in aanvulling op de inleidende overwegingen, als volgt overwogen.

[tuinder 1] heeft objectnummer 109, en [tuinder 2] objectnummer 103.

Hun onderliggende rekeningen bij [Bank] hebben nummer [banknr 1] respectievelijk [banknr 2] .

Bij [tuinder 1] gaat het wat betreft de tenlastelegging om 15 opeenvolgende koopovereenkomsten in het boekjaar 2008. Het saldo bedraagt over dat jaar volgens het totaaloverzicht € 68.119,08. Dit bedrag is op 23 maart 2009 met een interne overmaking van de [Bank] overgeboekt van rekening [bankrekeningnummer 5] van [bedrijf 9] onder code “109” naar rekening [bankrekeningnummer 6] .

Van [tuinder 2] zijn 13 opeenvolgende koopovereenkomsten uit het boekjaar 2008 tenlastegelegd. De omzet over dat jaar (€ 4.138.945,20) minus de betaalde contracten

(€ 1.833.000) en de onkosten (€ 2.305.945,20) levert een saldo op van € 0,00. Dit saldo werd veroorzaakt doordat het feitelijk saldo van € 46.502,01 als saldo is overgeheveld naar het jaar 2009.

Uit het dossier blijkt een vast stramien wat betreft de doorboeking van het saldo na het boekjaar:

Bij [tuinder 1] werd 95% van het saldo over 2005 doorgeboekt naar de subrekening. Het saldo over de boekjaren 2006 (€ 45.004,10) en 2008 (€ 68.119,08) werd exact doorgeboekt. Over 2007 was het saldo nihil. Bij [tuinder 2] werd het saldo over 2005 eveneens voor 95% doorgeboekt naar zijn subrekening. De saldi over 2006 en 2007 werden volledig doorgeboekt naar zijn subrekening.

Nu zowel [tuinder 1] als [tuinder 2] hun saldo over 2005, 2006 en 2007 zo goed als volledig kregen doorgeboekt op die subrekening, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat beide tuinders jegens verdachte aanspraak hadden op het saldo dat na ieder boekjaar tot stand was gekomen. Deze saldi hielden rechtstreeks verband met de koopovereenkomsten die in dat jaar waren gesloten. Dit betekent ook dat de tuinders, alsmede verdachte, bij het sluiten van de tenlastegelegde koopovereenkomsten in 2008 wisten dat de verdiensten voor de tuinders niet alleen bestonden uit de optelsom van de prijzen die in de overeenkomsten waren opgenomen. Daar waar over een boekjaar een positief saldo zou worden bereikt, hadden de tuinders immers ook aanspraak op dit saldo. In de drie voorafgaande jaren was het zo gegaan, en er zijn geen aanwijzingen dat het over 2008 anders zou zijn.

Niet zonder betekenis hierbij is dat de subrekeningen ten behoeve van beide tuinders reeds in maart 2005 zijn geopend, en bij een Luxemburgse bank . De datering doet vermoeden dat het openen van de rekeningen deel uitmaakte van afspraken met de tuinders over de wijze van samenwerken over de jaren die zouden volgen. Het lag daarbij op de weg van verdachte om een trust op te richten. Dat werd [bedrijf 5] , ook opgericht in maart 2005.

Dat de tuinders juist Luxemburgse bankrekeningen hebben gebruikt, en de betreffende saldi daarop jarenlang niet hebben opgenomen in hun boekhouding, wijst erop dat zij een zwart geld circuit wensten te creëren. Dit past exact bij een aangetroffen notitie van een gesprek tussen verdachte en zijn adviseurs op Cyprus: “The trust wil pay the farmer for the “black” money he recieves today from the distributor and this money is not taxable. (..) We need a trust for every Farmer…” Ook voor zijn andere ondernemingen gebruikte verdachte vrijwel uitsluitend Luxemburgse bankrekeningen.

Het bestaan van afspraken tussen verdachte en beide tuinders over hun aanspraak op het saldo na ieder boekjaar wordt bevestigd door het feit dat in dezelfde periode ook andere tuinders op deze wijze met verdachte hebben samengewerkt. Zo zijn er in totaal 27 subrekeningen geopend zoals die van beide tuinders. Bij vier andere tuinders is onderzocht wat er met het saldo is gebeurd. Drie van hen kregen over 2005 ook 95% van hun saldo, en in de jaren daarna het volledige saldo. De ander kreeg over 2005 88% en daarna de volledige bedragen.

Verdachte heeft gesteld dat de saldi die op de jaaroverzichten staan niet aan de tuinders, maar aan hem toekwamen, en dat hij er geheel uit eigen beweging voor heeft gekozen om tuinders die een goed jaar hadden gedraaid, nadien een bedrag te schenken. Hij stelde dit volledig buiten de wetenschap van de tuinders om te doen. Hij wees hierbij op de innige band die hij met deze tuinders heeft opgebouwd waarbij hij zich gedrongen voelde om iets te doen voor hun oude dag.

Deze stelling is, gezien het voorgaande, niet aannemelijk geworden. Naast de zeer vaste regelmaat waarmee de tuinders hun saldo kregen uitgekeerd, vormt het feit dat de bedragen vanaf boekjaar 2006 tot op de laatste cent werden betaald (en bijvoorbeeld niet in ronde bedragen, zodat het restant bij verdachte bleef) voldoende indicatie dat de gelden niet ter vrije beschikking aan verdachte stonden. Ook is niet goed voorstelbaar dat verdachte op deze wijze vele miljoenen euro’s heeft geschonken. Er is bij de doorzoekingen bovendien geen enkel document aangetroffen dat de lezing van verdachte ondersteunt. Ook heeft geen enkele tuinder dit bevestigd. Bij feit 2 komt de rechtbank hierop nog terug.

Evenmin heeft verdachte kunnen onderbouwen dat de onderhavige overeenkomsten met de tuinders deel uitmaken van een groter geheel van afspraken, zoals hij ter zitting heeft gesteld. Van een overkoepelende overeenkomst is in geen enkel opzicht gebleken.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat in de tenlastegelegde koopovereenkomsten doelbewust niet alle afspraken tussen verdachte, als vertegenwoordiger van de koper, en de tuinders zijn opgenomen. In die zin zijn de overeenkomsten valselijk opgemaakt. Daarbij was het voor de tuinders steeds wezenlijk dat zij jaarlijks aanspraak hadden op eventuele positieve saldi, en dat die bedragen op hun Luxemburgse bankrekening, dus buiten het zicht van de Nederlandse belastingdienst, werden overgemaakt. De koopovereenkomsten zijn een zeer belangrijke schakel in de afspraken die verdachte met de tuinders heeft gemaakt.

Voor de rechtbank staat ook vast dat deze koopovereenkomsten in de boekhouding van [bedrijf 1] zijn opgenomen, zodat [bedrijf 1] als dader van de valsheid in geschrifte moet worden beschouwd. Ze zijn immers aangetroffen op de server in Nuenen, die eigendom was van [bedrijf 1] . De omstandigheid dat de server uiteindelijk wordt betaald door [bedrijf 2] en dat [bedrijf 1] daartoe facturen stuurt, doet hieraan niet af. Dat geldt ook voor het feit dat [bedrijf 2] als contractspartij is vermeld op de overeenkomsten. Er bestond geen helder onderscheid tussen de verschillende administraties op de server. Verdachte was de enige persoon die in dit verband relevante handelingen voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft verricht. Verdachte heeft bevestigd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1] .

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit, eerste vier gedachtestreepjes.

Onder feit 2 onder het eerste tot en met het vierde gedachtestreepje is aan verdachte kort gezegd ten laste gelegd dat hij vier maal geldbedragen heeft witgewassen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze in de tenlastelegging genoemde contante stortingen en opnamen daadwerkelijk zelf heeft gedaan. De rechtbank dient derhalve te onderzoeken of verdachte zich hierbij schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van witwassen.

De genoemde bedragen betreffen steeds het grootste deel van de gelden die na afloop van een boekjaar nog op de bankrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 16] bij de Kredietbank Luxemburg waren overgebleven. Verdachte heeft deze gelden steeds contant opgenomen en vervolgens contant gestort op de bankrekening van [bedrijf 9] bij de [Bank] in Luxemburg. Vervolgens heeft verdachte deze bedragen intern laten doorboeken naar andere bankrekeningen van [bedrijf 9] en naar diverse bankrekeningen op naam van [bedrijf 10] . [bedrijf 10] is opgericht door [bedrijf 9] , [bedrijf 7] en [bedrijf 8] en verdachte is geregistreerd als begunstigde.

Zoals hiervoor reeds overwogen blijkt uit de informatie die is ontvangen van de [Bank] in Luxemburg dat de tegoeden van een aantal van de bankrekeningen op naam van [bedrijf 10] toekomen aan diverse tuinders met wie [bedrijf 2] koopovereenkomsten van oogst op stam heeft gesloten. Ook is gebleken dat geen van de tuinders de tegoeden op deze bankrekeningen heeft geboekt in zijn administratie of hiervan opgave heeft gedaan bij de belastingdienst.

De Financial Action Task Force (FATF) heeft een aantal min of meer objectieve kenmerken geformuleerd waarvan wordt aangenomen dat zij duiden op het witwassen van crimineel verkregen geld: witwastypologieën. Het contant opnemen van grote geldbedragen die direct weer contant worden gestort, het ontbreken van een zakelijke relatie tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 16] enerzijds en [bedrijf 9] anderzijds die de stortingen kan verklaren en het gegeven dat de uiteindelijk rechthebbenden op de tegoeden op de [Bank] niet degenen zijn op wiens naam de bankrekeningen zijn gesteld, zijn alle aan te merken als dergelijke witwastypologieën. Afgezet tegen hetgeen hiervoor onder ‘algemeen’ en met betrekking tot feit 1 reeds is overwogen, is het vermoeden gerechtvaardigd dat de geldbedragen die in de tenlastelegging zijn genoemd afkomstig zijn van enig misdrijf. Voorshands geldt als enige redelijke verklaring dat sprake is van een vooropgezet plan van verdachte en de betrokken tuinders om een deel van de omzet die door de verkochte oogsten is gerealiseerd buiten de boeken te houden en aan controle van de overheid te onttrekken.

Onder deze omstandigheden mag van verdachte worden verwacht dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de gelden en dat die verklaring concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Verdachte heeft (eerst) ter zitting in 2019 een verklaring afgelegd die erop neerkomt dat de aan het eind van het jaar overblijvende saldi op de bankrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 16] aan hem toekomen als winst na belasting uit de ondernemingen, dat hij de contante opnames en stortingen heeft verricht om die bedragen aan het zicht van de Nederlandse AID/de Arbeidsinspectie te onttrekken en dat de bedragen die hij op de VP-rekeningen heeft laten overboeken als schenkingen aan de tuinders in privé moeten worden geduid waarover hij, noch de tuinders belastingplichtig zijn. De tuinders zouden hiervan niet op de hoogte zijn geweest. Verdachte heeft verder een aantal polissen van levensverzekeringen aan de rechtbank overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen.

Deze verklaring houdt tegen de achtergrond van het dossier naar het oordeel van de rechtbank geen steek. Uit de informatie die uit Cyprus is ontvangen blijkt dat door [bedrijf 2] over de genoemde jaren alleen over het jaar 2006 aangifte winstbelasting is gedaan op Cyprus. In het bedrag aan omzet dat over dat jaar is opgegeven, is de omzet die uit de koopovereenkomsten met de tuinders is gegenereerd niet meegenomen. Van winst na belastingen uit [bedrijf 2] lijkt dan ook amper sprake te zijn.

De bankrekeningen bij de [Bank] waartoe de tuinders gerechtigd zijn, zijn al in 2005 geopend. De tuinders hebben de formulieren behorende bij deze bankrekeningen mede-ondertekend. Uit de mutatie-overzichten blijkt dat van deze rekeningen betalingen zijn gedaan. Ook heeft een van de tuinders ( [tuinder 1] ) zelf een bedrag van 50.000 euro op ‘zijn’ subrekening gestort. Hieruit blijkt dat de tuinders wel degelijk op de hoogte waren van het bestaan van de bankrekeningen en ook feitelijk beschikten over de tegoeden. De polissen van de levensverzekeringen die door de verdediging ter zitting aan de rechtbank zijn overgelegd, vermelden verder alle als startdatum data gelegen in 2009 of 2010. Dat deze polissen buiten medeweten van de verzekeringsnemers (de tuinders) werden afgesloten en het inlegde kapitaal zonder hun medeweten is overgeboekt van de subrekeningen, is op geen enkele manier aannemelijk geworden.

De rechtbank ziet geen noodzaak tot het verrichten van nader onderzoek naar de juistheid van de verklaring van verdachte, aangezien deze verklaring wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat de in de tenlastegelegde genoemde bedragen geheel of gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geldbedragen genoemd onder de eerste vier gedachtestreepjes van feit 2 samen met de tuinders heeft witgewassen door te verhullen wie de rechthebbenden op die geldbedragen waren en door die geldbedragen voorhanden te hebben, om te zetten en over te dragen terwijl hij wist dat het geld geheel of gedeeltelijk van misdrijf afkomstig was. Gelet op het structurele karakter van deze handelwijze, te weten met betrekking tot meerdere tuinders en over meerdere jaren, is de rechtbank tevens van oordeel dat verdachte en de betrokken tuinders van dit witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit, vijfde en zesde gedachtestreepje.

Met betrekking tot het vijfde en zesde gedachtestreepje is verdachte ten laste gelegd het witwassen van een bedrag aan geld en van een vliegtuig. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt:

Hierboven heeft de rechtbank geconcludeerd dat de gelden die op de bankrekeningen van [bedrijf 9] terecht zijn gekomen geheel dan wel gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig waren. Tevens is vastgesteld dat verdachte de rechthebbende van deze bankrekeningen was en beschikte over de tegoeden hierop. Verdachte heeft in totaal een bedrag van $ 2.963.805,- over laten maken van bankrekening [bankrekeningnummer 3] ten name van [bedrijf 9] , naar bankrekeningnummers ten name van [bedrijf 11] gevestigd in Aarhus Denemarken. Achtereenvolgens ging het om de volgende data en bedragen:

op maandag 19 mei 2008, van bankrekening [bankrekeningnummer 4] $ 300.000;

op vrijdag 27 juni 2008, van bankrekening [bankrekeningnummer 9] $ 15.000;

op vrijdag 27 juni 2008, van bankrekening [bankrekeningnummer 7] $ 2.648.805,-.

Op maandag 7 juli 2008 is door [bedrijf 11] ( [bedrijf 11] ) vervolgens een bedrag van $ 2.648.805,- overgemaakt naar [betrokkene 7] in Louey, Frankrijk als betaling voor de levering van een vliegtuig model [type] uit de serie [serienummer] . Dit vliegtuig is ook daadwerkelijk door de leverancier [betrokkene 7] aan [bedrijf 11] geleverd. Het vliegtuig is door verdachte tezamen met als piloot getuige [getuige 2] in ontvangst genomen in Frankrijk en naar Denemarken gevlogen.

Tussen [bedrijf 11] en [bedrijf 16] is gedurende enige tijd een lease overeenkomst gesloten ter zake van het vliegtuig. Op of omstreeks 7 november 2008 is het vliegtuig door [bedrijf 11] als “gebruikt goed” geleverd aan de toenmalige vriendin van verdachte, [ex-vriendin] . Vervolgens is het vliegtuig op of omstreeks 16 februari 2009 door [ex-vriendin] voor een prijs van

$ 2.868.758,00 verkocht aan [bedrijf 17] te Cyprus. Het koopcontract is ondertekend door [ex-vriendin] als verkopende partij en door verdachte als kopende partij. [bedrijf 17] werd op 5 september 2008 opgericht op Cyprus en is aldaar gevestigd. De aandelen van deze limited worden gehouden door [bedrijf 12] , gevestigd in Anguilla British West Indies. De oprichter van de [bedrijf 12] is [bedrijf 13] . De begunstigde van de [bedrijf 12] is de [verdachte] .

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte als uiteindelijk gerechtigde in [bedrijf 9] . $ 2.963.805,- van [bedrijf 9] heeft overgedragen aan [bedrijf 11] , terwijl hij wist dat dat geld geheel of gedeeltelijk, uit enig misdrijf afkomstig was.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die gedurende het gehele proces van: de keuze voor het vliegtuig, de aankoop, de lease aan [bedrijf 16] als “ultimate beneficiary” van deze Ltd, tot en met de uiteindelijke levering aan [bedrijf 17] het vliegtuig in gebruik heeft gehad.

Hiermee komt de rechtbank eveneens tot een bewezenverklaring van hetgeen onder het vijfde en zesde gedachtestreepje aan verdachte ten laste is gelegd.

ten aanzien van de overige door de verdediging gevoerde verweren.

Naast de hiervoor genoemde bewijsverweren, heeft de verdediging bij gelegenheid van het pleidooi een aantal bewijsverweren gevoerd. Deze verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebezigd en zoals die in de bij dit vonnis behorende bijlage zijn opgenomen. De door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet van dien aard en ernst, dat de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt dan wel dat deze te dier zake gerede twijfel doen ontstaan.

conclusie.

Gelet op de inhoud van de in de bewijsbijlage nader omschreven bewijsmiddelen en op hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1. [bedrijf 1] , verder te noemen 'de B.V.', op tijdstippen in de periode van de maand december 2005 tot en met 5 juli 2010 in Nederland en/of in België telkens tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk de bedrijfsadministratie van de B.V. en/of van [bedrijf 2] , zijnde die bedrijfsadministratie telkens geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, hebbende de B.V. toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in die bedrijfsadministratie voornoemd opgenomen en verwerkt:

* 15 koopovereenkomsten tussen [bedrijf 3] als verkoper en [bedrijf 2] . als koper, telkens terzake de verkoop en levering door [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] . van zogenaamde oogst op stam tegen een in die koopovereenkomsten vermelde verkoopprijzen,

* 13 koopovereenkomsten tussen [bedrijf 4] als verkoper en [bedrijf 2] . als koper, telkens terzake de verkoop en levering door [bedrijf 4] aan [bedrijf 2] . van zogenaamde oogst op stam tegen de in die koopovereenkomsten vermelde verkoopprijzen,

zulks terwijl verkoop van oogst op stam, door voornoemde verkopers aan [bedrijf 2] ., zoals in die koopovereenkomsten was vermeld, in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden tegen in die koopovereenkomsten vermelde verkoopprijzen, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken, aan welke verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

2. verdachte op tijdstippen in de periode van de maand maart 2006 tot en met 5 juli 2010 te Luxemburg en/of in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen van voorwerpen de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbenden op die voorwerpen waren en wie die voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, hebbende hij, verdachte en/of (een of meer) van zijn

medeverdachte(n) telkens zakelijk weergegeven-:

  • -

    op een tijdstip in de periode van 3 maart 2006 tot en met 8 maart 2006, een contant geldbedrag groot EURO 8.327.387,96 gestort op de bankrekening nummer [bankrekeningnummer 1] name van klant [klantnummer 1] bij de [Bank] en

  • -

    op twee tijdstippen in de periode van 26 januari 2007 tot en met 2 maart 2007 een geldbedrag tot een totaalbedrag groot EURO 9.500.000,- telkens gestort op de bankrekening nummer [bankrekeningnummer 5] ten name van klant [klantnummer 2] bij de [Bank] en

  • -

    op een tijdstip in de periode van 28 februari 2008 tot en met 29 februari 2008, een geldbedrag groot EURO 4.664.134,84 contant opgenomen vanaf de bankrekening nummer [bankrekeningnummer 2] ten name van [bedrijf 16] bij de [bank in Luxemburg] en

  • -

    op een tijdstip in de periode van 28 februari 2008 tot en met 29 februari 2008, een geldbedrag groot EURO 2.819.907,- contant opgenomen vanaf de bankrekening nummer [bankrekeningnummer 8] ten name van [bedrijf 2] bij de [bank in Luxemburg] en

  • -

    op tijdstippen in de periode van 19 mei 2008 tot en met 7 juli 2008 geldbedragen tot een totaalbedrag groot $ 2.963.805, overgeboekt, althans doen of laten overboeken vanaf de bankrekening nummer/ [bankrekeningnummer 3] ten name van [bedrijf 9] naar de bankrekening nummer [bankrekeningnummer 4] ten name van [bedrijf 11] en

  • -

    op tijdstippen in de periode vanaf de maand juli 2008 tot en met 5 juli 2010 een vliegtuig, model [type] in gebruik en in bezit gehad,

terwijl hij, verdachte en/of een of meer van zijn medeverdachten (telkens) wist(en) dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk -, geheel of gedeeltelijk, afkomstig waren uit enig misdrijf, en aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar zal worden veroordeeld. Voor zover op het onder verdachte in beslag genomen geld en vliegtuig strafvorderlijk beslag rust, dient verbeurdverklaring te volgen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank tot een veroordeling van verdachte komen, de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf buiten elke proportie is gelet op de ruime overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in het EVRM en het grote verschil tussen de eis van de officier van justitie en de wijze waarop de strafzaken tegen diverse betrokken tuinders zijn afgedaan.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De verweten gedragingen, inclusief strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft vanaf 2005 ongeveer vijf jaar lang in nauwe samenwerking met meer dan twintig Nederlandse tuinders een zeer grootschalige fraude gepleegd. Daarbij werd gebruikt gemaakt van meer dan tien voornamelijk in het buitenland opgerichte rechtspersonen en een groot aantal Luxemburgse bankrekeningen. De omzet die verdachte tezamen met de tuinders wist te behalen was gemiddeld bijna 60 miljoen euro per jaar. Het grootste deel daarvan werd weliswaar uiteindelijk op reguliere wijze in de administratie van de tuinders verwerkt, maar daarnaast werd een bedrag van in totaal meer dan 20 miljoen euro op geraffineerde wijze aan het zicht van de belastingdienst onttrokken. In het bijzonder hebben de tuinders hiervan geprofiteerd, maar verdachte was degene die dit met zijn web van internationale rechtspersonen en bijbehorende bankrekeningen mogelijk heeft gemaakt.

De belastingfraude moet deze tuinders vele miljoenen euro’s hebben opgeleverd. Het moge zo zijn dat verdachte de tuinders een oplossing bood voor het probleem dat zij niet aan voldoende oogstpersoneel konden komen, maar dat is slechts één zijde van het verhaal. De afspraken die verdachte omstreeks 2004-2005 met de tuinders heeft gemaakt hadden ongetwijfeld immers ook betrekking op het creëren van een omvangrijk zwart geldcircuit, waarvan verdachte vanaf het begin op de hoogte is geweest.

De rechtbank ziet de rollen van verdachte enerzijds en de tuinders anderzijds dan ook als gelijkwaardig. Ze konden in dit verband niet zonder elkaar. De tuinders hadden verdachte nodig om zonder veel rompslomp over voldoende personeel te beschikken en een deel van de omzet buiten de boekhouding te kunnen houden. En verdachte had de tuinders nodig om over hun volledige omzet te beschikken, en deze volgens vaste afspraken te verdelen. Of verdachte en zijn rechtspersonen in de jaren 2005 tot en met 2010 aan al hun fiscale verplichtingen hebben voldaan is niet helder geworden. Dat de constructie voor verdachte zeer lucratief was, blijkt evenwel onder meer uit de aanschaf van het vliegtuig en de tegoeden op de buitenlandse bankrekeningen van zijn ondernemingen.

Het is deze gang van zaken die voor de rechtbank het uitgangspunt is voor de strafmaat. De bewezenverklaarde valsheid in geschrifte en het witwassen zijn als het ware de vorm waarin de fraude tot uiting is gekomen.

Verdachte heeft in de administratie van [bedrijf 1] valse documenten (de koopovereenkomsten) doen opnemen. Deze overeenkomsten hadden het doel derden te misleiden, vooral vanuit het perspectief van de tuinders. Verdachte heeft geprobeerd de waarheid te verhullen in een poging daar voordeel uit te behalen. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte (met de tuinders) ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van dergelijke documenten pleegt te worden gesteld.

De concrete witwashandelingen, onmisbaar in de gehele constructie, heeft verdachte zelf uitgevoerd. Witwassen leidt in het algemeen tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de criminele herkomst van gelden wordt verhuld.

Met zijn handelwijze heeft verdachte een groot financieel voordeel voor zichzelf en de aangesloten tuinders weten te realiseren. Het op die wijze vergaarde geld heeft verdachte via een ingewikkeld netwerk van banktransacties en contante betalingen en geldopnamen teruggesluisd naar de aangesloten tuinders, die het vervolgens buiten het zicht van de

(belasting-)autoriteiten hebben gehouden. Verdachte heeft in dit geheel een coördinerende en sturende rol gespeeld, waarbij verdachte altijd de controle over het geld heeft gehad. Verdachte was de hiermee een cruciale figuur in een omvangrijk netwerk.

Strafmatigende omstandigheden

a. schending van de redelijke termijn

Evenals de officier van justitie en de raadsvrouwe van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van deze zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 5 juli 2010, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld.

Voor deze feiten is verdachte voor het eerst gedagvaard tegen de terechtzitting van 4 juni 2018. Op die zitting is de behandeling van de zaak op verzoek van verdachte aangehouden. Nadat deze zaak op diverse zittingen inhoudelijk is behandeld, heeft de rechtbank uitspraak bepaald op 19 februari 2019. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aannemelijk maken dat het tijdsverloop vanaf de inverzekeringstelling van verdachte tot de terechtzitting van 4 juni 2018 niet is toe te rekenen aan de officier van justitie. Ook is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot de conclusie leiden dat afgeweken dient te worden van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt.

Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door de rechtbank op 19 februari 2019 de redelijke termijn met ruim zes en een half jaar is overschreden. Het overgrote deel van deze termijnoverschrijding kan niet aan verdachte worden verweten. Voor deze termijnoverschrijding zal de rechtbank verdachte compenseren.

b. afdoening van de strafzaken van de tuinders

Het openbaar ministerie heeft met een groot aantal tuinders schikkingen getroffen. Deze hielden in dat iedere tuinder eerst met de belastingdienst tot een vergelijk moest komen. Nadat dat was gebeurd, heeft het openbaar ministerie voor iedere tuinder een schikkingsbedrag vastgesteld. Naar de rechtbank heeft begrepen, hebben 18 tuinders aldus tezamen een bedrag van 25 miljoen euro aan het openbaar ministerie betaald. Hoeveel de tuinders daarnaast aan de belastingdienst hebben betaald, is het openbaar ministerie, noch de rechtbank kenbaar gemaakt. Bij de schikking met het openbaar ministerie behoorde voor elke tuinder daarnaast nog een werkstraf van 120 uur. Geen van de tuinders is gedagvaard.

De keuze van het openbaar ministerie om de strafzaken van de tuinders op deze wijze af te doen, moet gevolgen hebben voor de straftoemeting aan verdachte. Dit omdat niet gezegd kan worden dat de tuinders ten opzichte van verdachte een ondergeschikte rol hebben vervuld.

De strafmodaliteit

Zonder deze beide strafmatigende omstandigheden zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren zonder meer passend zijn geweest voor verdachte.

Verdachte is in deze zaak vier dagen na zijn aanhouding op 5 juli 2010 weer vrijgelaten. Het is de vraag of aan verdachte, die sinds dat moment al acht en een half jaar heeft moeten wachten op zijn berechting, nog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd.

Nu het openbaar ministerie bij de tuinders, die in vergelijkbare mate als verdachte van de constructie voordeel hebben genoten, gekozen heeft voor herstel van de schade via de belastingdienst en een schikking met het openbaar ministerie bestaande uit een financiële vergoeding en een taakstraf, is de rechtbank van oordeel dat ook bij verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats is. De rol van verdachte voor, tijdens en na de constructie wijkt daarvoor te weinig af van die van de tuinders.

De rechtbank zal daarom een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde, mede gezien de strafmatigende omstandigheden, voldoende tot uitdrukking brengt. Dit betekent dat, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf, de maximale werkstraf van 240 uur en de maximale boete zal worden opgelegd.

De wettelijke peildatum voor de boete is 1 maart 2006. In de bewezenverklaarde periode tot en met 5 juli 2010, was op elk van de bewezen verklaarde feiten een geldboete van ten hoogste

€ 67.000 gesteld. Bij het opleggen van een straf aan verdachte wil de rechtbank verdachte daar treffen waar hij zijn voordeel heeft behaald, namelijk in de financiële sfeer. Daarom zal de rechtbank de wettelijk maximaal toelaatbare geldboete aan verdachte opleggen, waarbij de rechtbank zich realiseert dat de op te leggen boete slechts een fractie is van het daadwerkelijk door verdachte genoten voordeel.

Artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht voorziet bij geldboetes niet in beperking van de cumulatie. De rechtbank stelt de boete voor ieder feit op het maximale bedrag van € 67.000.

De totale boete bedraagt derhalve € 134.000.

De officier van justitie heeft overigens ook een vordering aanhangig gemaakt ter ontneming van het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel. Op deze vordering moet door de rechtbank nog worden beslist.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van 240 uur en een geldboete van € 134.000.

Beslissing op het beslag.

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van het onder verdachte in beslag genomen geld en vliegtuig. Over dit beslag zal de rechtbank in deze procedure niet beslissen omdat dit conservatoir beslag is, gebaseerd op artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is in deze strafzaak slechts gehouden te beslissen op beslagen gebaseerd op artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering. Van het bestaan van laatstgenoemde beslagen is de rechtbank niet gebleken.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 47, 51, 57, 225 en

420ter van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit.

medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken, meermalen gepleegd en/of van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen

 een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar.

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

 een taakstraf voor de duur van 240 uren [tweehonderd veertig uren] te vervangen door 120 dagen hechtenis indien veroordeelde deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.

beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze taakstraf in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht. De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op twee uren te verrichten arbeid.

 een geldboete van € 134.000,-- [honderdvierendertigduizend euro] te vervangen door 365 dagen hechtenis in het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,

mr. W. Brouwer en mr. A.W.A. Kap-Knippels, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 19 februari 2019.

Mr. Kap-Knippels is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.