Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:880

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
01/995052-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door de slachterij van verdachte is de verwerking van paarden niet geregistreerd, terwijl ook op de facturen en pakbonnen niet stond vermeld dat het geleverde vleesproduct paardenvlees (kon) bevatte(n). De klanten gingen er vanuit dat de geleverde producten overeenkomstig hun bestelling alleen rundvlees bevatte. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijk leidinggeven aan: (mede)plegen van valsheid in geschrift, het gebruik maken van valse geschriften, overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.2 eerste lid Wet Dieren, telkens begaan door een rechtspersoon.

De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 324 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bij de strafoplegging is onder meer rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/995052-18

Datum uitspraak: 15 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [1966] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 januari 2019, 29 januari 2019 en 1 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 augustus 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 29 januari 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

[bedrijf 1] (thans [bedrijf 10] ) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 25 maart 2014, in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of [gemeente 3] en/of [gemeente 4] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen 7, althans een of meerdere geschrift(en) te weten:

(Zaak 1, AMB-155, pagina 369 t/m 382 proces-verbaal)

-een verklaring van 12 april 2013 (DOC 67, pagina 1098 proces-verbaal) en/of

-een verklaring van 29 januari 2014 (DOC 68, pagina 1099 proces-verbaal) en/of

(Zaak 2, AMB-156, pagina 389 t/m 413 proces-verbaal)

-een factuur met nummer 126006 (DOC 3069, pagina 1588 proces-verbaal) en/of

-een factuur met nummer 126449 (DOC 2865, pagina 1432 proces-verbaal) en/of -een pakbon met nummer 57375 (DOC 2803, pagina 1400 proces-verbaal) en/of

-een verklaring van 11 februari 2013 (DOC 2650, pagina 1385 proces-verbaal) en/of

(Zaak 4, AMB 158, pagina 449 t/m 465 proces-verbaal)

-een pakbon met nummer 64209 (DOC 4257, pagina 2178 proces-verbaal)

dat/die (telkens) bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt of heeft/hebben laten opmaken dan wel heeft/hebben vervalst of heeft/hebben laten vervalsen, door (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid:

(Zaak 1)

-in de verklaring van 12 april 2013 te verklaren dat het geleverde rundvlees (beef) vrij is van paard-dna en/of dat het rundvlees van [bedrijf 1] uit 100% rundvlees bestaat zonder toevoegingen, terwijl in werkelijkheid rundvlees en/of (rundvlees)producten is/zijn geleverd die/dat zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond(en) en/of

-in de verklaring van 29 januari 2014 te verklaren dat het geleverde rundvlees en/of de geleverde rundvleesproducten vrij is/zijn van paard-dna en/of dat het rundvlees van [bedrijf 1] uit 100% rundvlees bestaat zonder toevoegingen, terwijl in werkelijkheid rundvlees en/of (rundvlees)producten is/zijn geleverd die/dat zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond(en) en/of

(Zaak 2)

-op de factuur met nummer 126006:

o snipper 70-30 te vermelden/laten vermelden en/of

o niet te vermelden/laten vermelden dat het geleverde product zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond althans

o de suggestie te wekken dat het bestelde rundvlees werd geleverd, terwijl in werkelijkheid een product werd geleverd dat zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond en/of

-op de factuur met nummer 126449:

o snipper II te vermelden/laten vermelden en/of

o niet te vermelden/laten vermelden dat het geleverde product zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond althans

o de suggestie te wekken dat het bestelde rundvlees werd geleverd, terwijl in werkelijkheid een product werd geleverd dat zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond en/of

-op de pakbon met nummer 57375:

o snipper II te vermelden/laten vermelden en/of

o niet te vermelden/laten vermelden dat het geleverde product zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond althans

o de suggestie te wekken dat het bestelde rundvlees werd geleverd terwijl in werkelijkheid een product werd geleverd dat zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond en/of

-in de verklaring van 11 februari 2013 te verklaren dat alle snippers 2 die bij [bedrijf 1] zijn gekocht door [bedrijf 2] in 2012 tot nu (datum verklaring), bestaan uit 100% rundvlees terwijl in werkelijkheid deze snippers zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestonden en/of

(Zaak 4)

-op de pakbon met nummer 64209:

o beef trimmings halal te vermelden/laten vermelden terwijl in werkelijkheid Snipper II vlees werd geleverd,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl verdachte tot het plegen van vorenomschreven feit(en) (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan die verboden gedraging(en) (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[bedrijf 1] (thans [bedrijf 10] ) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 25 maart 2014, in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of [gemeente 3] en/of [gemeente 4] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van 7, althans een of meerdere vals(e) of vervalst(e) geschrift(en) te weten: (Zaak 1, AMB-155, pagina 369 t/m 382 proces-verbaal)

-een verklaring van 12 april 2013 (DOC 67, pagina 1098 proces-verbaal) en/of

-een verklaring van 29 januari 2014 (DOC 68, pagina 1099 proces-verbaal) en/of

(Zaak 2, AMB-156, pagina 389 t/m 413 proces-verbaal)

-een factuur met nummer 126006 (DOC 3069, pagina 1588 proces-verbaal) en/of

-een factuur met nummer 126449 (DOC 2865, pagina 1432 proces-verbaal) en/of -een pakbon met nummer 57375 (DOC 2803, pagina 1400 proces-verbaal) en/of

-een verklaring van 11 februari 2013 (DOC 2650, pagina 1385 proces-verbaal) en/of (Zaak 4, AMB 158, pagina 449 t/m 465 proces-verbaal)

-een pakbon met nummer 64209 (DOC 4257, pagina 2178 proces-verbaal)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat [bedrijf 1] (telkens) voornoemde factu(u)r(en) en/of pakbon(nen) en/of verklaring(en) aan [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] althans aan haar klant(en)/afnemer(s) heeft/hebben verzonden althans ter beschikking gesteld en bestaande die valsheid of vervalsing telkens hierin dat:

(Zaak 1)

-in de verklaring van 12 april 2013 werd verklaard dat het aan u geleverde rundvlees (beef) vrij is van paard-dna en/of dat het rundvlees van [bedrijf 1] uit 100% rundvlees bestaat zonder toevoegingen, terwijl in werkelijkheid rundvlees en/of (rundvlees)producten is/zijn geleverd die/dat zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond(en) en/of

-in de verklaring van 29 januari 2014 werd verklaard dat het aan u geleverde rundvlees en/of rundvleesproducten vrij is/zijn van paard-dna en/of dat het rundvlees van [bedrijf 1] uit 100% rundvlees bestaat zonder toevoegingen, terwijl in werkelijkheid rundvlees en/of (rundvlees)producten is/zijn geleverd die/dat zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond(en) en/of

(Zaak 2)

-op de factuur met nummer 126006:

o 'snippers 70-30' was vermeld en/of o niet was vermeld dat het geleverde product zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond althans o de suggestie werd gewekt dat het bestelde rundvlees werd geleverd, terwijl in werkelijkheid een product werd geleverd dat zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond en/of

-op de factuur met nummer 126449 en/of op de pakbon met nummer 57375:

o (telkens) snipper II was vermeld en/of o niet was vermeld dat het geleverde product zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond althans o de suggestie werd gewekt dat het bestelde rundvlees werd geleverd, terwijl in werkelijkheid (telkens) een product werd geleverd dat zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond en/of

-in de verklaring van 11 februari 2013 werd verklaard dat alle snippers 2 die bij [bedrijf 1] zijn gekocht door [bedrijf 2] in 2012 tot nu (datum verklaring), bestaan uit 100% rundvlees terwijl in werkelijkheid de partijen

snippers 2 in 2012 gedeeltelijk zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestonden en/of

(Zaak 4)

-op de pakbon met nummer 64209:

o beef trimmings halal was vermeld terwijl in werkelijkheid Snipper II vlees werd geleverd, zulks terwijl verdachte tot het plegen van vorenomschreven feit(en) (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan die verboden gedraging(en) (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

[bedrijf 1] (thans [bedrijf 10] ) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 25 maart 2014, in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of [gemeente 3] en/of [gemeente 4] , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen heeft gehandeld in strijd met artikel 18 Verordening (EG) nr. 178/2002, immers was/waren in of omstreeks voornoemde periode een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) levensmiddelen waaronder

-17 althans een of meerdere partij(en) Snippervlees (AMB-86, pagina 776 t/m 785 proces-verbaal en/of -(een partij/levering van) 24.378 kg Snipper II (AMB-53, pagina 677 t/m 685 proces-verbaal en/of

-190 en/of 117 kg uier vers (pakbon 57722, DOC 3391, pagina 1799 proces-verbaal) en/of

-253,5 en/of 193,5 en/of 224,5 kg uier vers en/of 352 kg Snipper B (pakbon 57800, DOC 3392, pagina 1800 proces-verbaal) en/of

-220,5 kg Snipper II (pakbon 57839, DOC 3393, pagina 1801 proces-verbaal en/of

-180 kg uier vers (pakbon 57924, DOC 3394, pagina 1802 proces-verbaal en/of

-926 kg EKO Snipper 90-10 (pakbon 57979, DOC 3395, pagina 1803 proces-verbaal,

niet in ieder stadium van de productie en/of de verwerking en/of de distributie traceerbaar,

zulks terwijl verdachte tot het plegen van vorenomschreven feit(en) (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan die verboden gedraging(en) (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten en heeft ter terechtzitting onder meer het volgende aangevoerd.

Feit 1 en feit 2.

Op de factuur nr. 126006 stond als productomschrijving ‘snipper 70/30’ volgens pakbon 49402. Op de pakbon 49402 wordt door [persoon 1] gehakt 70/30 uitgeslagen en afgeboekt van artikelcode nr. 128 ‘rundvleessnipper II’. Het op de factuur genoemde product, de hoeveelheid en de prijs komt overeen met de gegevens op de uitgeslagen pakbon.

De aanduiding ‘snipper 70/30’ is niet in strijd met de waarheid opgemaakt en evenmin onvoldoende onderscheidend. Uit het procesdossier blijkt niet dat door de productomschrijving op factuur nr. 126006 werd verhuld dat in werkelijkheid een gemengd product van rund- en paardenvlees werd geleverd in plaats van rundvlees.

[verdachte] heeft ter terechtzitting van 28 januari 2019 verklaard dat pakbon 57375 een interne pakbon betreft die werd opgemaakt door de exportmanager [persoon 2] .

Om te voorkomen dat twee keer dezelfde partij op dezelfde partijnummers worden uitgeslagen, werden op de interne pakbon andere partijnummers vermeld. De interne pakbon is echter naar geen enkele partij verzonden.

[bedrijf 1] heeft geen enkele bemoeienis gehad met het feit dat [persoon 3] / [bedrijf 2] aan [bedrijf 4] opdracht heeft gegeven om de partij ‘rundersnippers II’ te verladen als ‘gehakt 70/30’.

[bedrijf 1] heeft geen opzet gehad op het misleiden van potentiële afnemers van [bedrijf 2] Op de door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] verzonden factuur stond ‘snipper II’ en die omschrijving kwam overeen met de voorraad ‘rundersnippers II’ bij [persoon 1] . Ook heeft [bedrijf 1] aan [persoon 3] twee verschillende productspecificaties ter beschikking gesteld die zouden kunnen passen bij het product ‘snipper II’. Beide productspecificaties zijn aangetroffen in de administratie van [bedrijf 2]

Uit het procesdossier blijkt niet dat op pakbon 57375 werd verhuld dat in werkelijkheid een gemengd product van rund- en paardenvlees werd geleverd in plaats van rundvlees.

[bedrijf 1] heeft geen bemoeienis gehad met het opmaken van de paardvrijverklaring van 11 februari 2013 ten behoeve van [bedrijf 2] Medeverdachte [persoon 3] heeft ter terechtzitting van 28 januari 2019 verklaard dat hij de paardvrijverklaring heeft opgesteld en op briefpapier van [bedrijf 1] heeft uitgeprint. Uit het procesdossier volgt niet dat [bedrijf 1] medeverdachte [persoon 3] daartoe opdracht heeft gegeven.

De paardvrijverklaringen van 12 april 2013 en 29 januari 2014 zijn niet in strijd met de waarheid door [bedrijf 1] opgemaakt.

Feit 3.

Volgens de raadsman is de oorzaak van het verschil tussen het door de NVWA berekende aantal slachtingen van pony’s en het aantal slachtingen van pony’s zoals vermeld in de administratie van [bedrijf 1] gelegen in het feit dat de NVWA ook het aantal afgekeurde – en daarmee weliswaar gedode maar niet geslachte – pony’s heeft meegerekend. Gelet op de permanente controle die door de NVWA werd uitgeoefend, is het ondenkbaar dat er meer pony’s zijn geslacht dan in het overzicht van de NVWA wordt vermeld (DOC-2809, p. 1406).

[verdachte] heeft ter terechtzitting van 28 januari 2019 nog verklaard dat dierlijke bijproducten pas later worden toegevoegd aan het gewicht van het slachtvlees, zodat er altijd iets meer vlees worden uitgeslagen dan vooraf is ingewogen.

Het niet op de pakbonnen opvoeren van de bijbehorende partijnummers zijn kleine niet opzettelijke slordigheden die nauwelijks van invloed zijn geweest op de traceerbaarheid van de partijen snipper II. De niet ingevulde partijnummers hebben uitsluitend betrekking op dierlijke bijproducten en niet op slachtvlees. Overigens waren de dierlijke bijproducten wel traceerbaar via de slachtgegevens.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelenbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde onder feit 1, feit 2 en feit 3 wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank acht in het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de onder C, D en E genoemde valse geschriften, zodat verdachte in zoverre van die onderdelen van het onder feit 2 ten laste gelegde zal wordt vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Inleiding.

[bedrijf 1] hield zich bezig met de in- en verkoop van vee (runderen, lammeren en geiten), huiden, veevoeder en aanverwante artikelen en met het slachten van vee. Verdachte [verdachte] was via de holdingvennootschap [bedrijf 5] enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1]

was gespecialiseerd in het slachten en verwerken van luxe vleesrassen. Per week werden tussen 500 en 600 runderen geslacht en verwerkt. [bedrijf 1] leverde onder meer partijen vlees aan [bedrijf 2] en liet partijen vlees onder meer opslaan door [bedrijf 4]

Naar aanleiding van klachten uit Engeland en Ierland in januari 2013 over aangetroffen paardenvlees in rundvleesproducten afkomstig uit Nederland, werd door de NVWA inspecteur, EDP auditor [persoon 4] , een audit uitgevoerd met betrekking tot de tracering van paardenvlees. Het onderzoek was gericht op de traceerbaarheid van paarden- en ponyvlees dat bij [bedrijf 1] in 2012 werd geslacht en verwerkt. De conclusie in het auditrapport was dat – hoewel een bedrijf moet kunnen aantonen van wie producten zijn ontvangen en aan wie producten zijn geleverd – ten aanzien van het paardenvlees binnen het bedrijf van [bedrijf 1] geen enkele vorm van tracering mogelijk was.

Op 29 oktober 2013 is CIE-informatie ontvangen dat bij een vestiging van [bedrijf 4] een grote partij paardenvlees gemengd met rundvlees zou staan. Deze partij zou afkomstig zijn van [bedrijf 1] uit [gemeente 5] . Op de etiketten van deze partij zou alleen rundvlees zijn vermeld.

Op 11 december 2013 zijn bij een vestiging van [bedrijf 4] in [gemeente 3] en bij [bedrijf 6] in [gemeente 2] (waar [persoon 1] een deel van de haar in bewaring gegeven producten opsloeg) in totaal 46 monsters genomen van partijen vlees afkomstig van [bedrijf 1]

Op 24 december 2013 werd bekend dat door het onderzoekscentrum Rikilt te Wageningen in vier van 46 monsters onderzochte monsters vlees afkomstig van door [bedrijf 1] geleverde partijen ‘B snippers’ en ‘Runder snipper II’ die waren opgeslagen bij [bedrijf 6] in [gemeente 2] DNA van paard is aangetroffen.

Op 3 februari 2014 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op de bedrijfslocatie van [bedrijf 1] , waarbij diverse administratieve stukken, digitale gegevens, enkele computers en enkele gegevensdragers in beslag zijn genomen.

Op 6, 11, 12 en 13 februari 2014 zijn door de NVWA 46 monsters afgenomen bij de vestigingen van [bedrijf 4] in [gemeente 3] en in [gemeente 4] , [bedrijf 11] in [gemeente 6] en [bedrijf 6] in [gemeente 2] .

Op 24 februari 2014 werd bekend dat acht van de 46 monsters die door NVWA werden genomen positief zijn getest op DNA van paard.

Op 12 februari 2014, 18 februari 2014 en op 15 april 2014 wordt in analyserapporten van [bedrijf 7] , naar aanleiding van onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Franse afnemer [bedrijf 3] , bevestigd dat in de aan hen geleverde partijen snipper II afkomstig van [bedrijf 1] paardenvlees is verwerkt.

Op 3 april 2017 heeft de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging een deskundige benoemd in verband met een te verrichten contra-onderzoek naar de monsters die eerder door NVWA waren onderzocht.

Op 31 mei 2017 werden de resultaten van dit onderzoek door het Van Haeringen Laboratorium bekend. In de vier monsters die eerder door NVWA waren onderzocht waarbij paard werd aangetroffen, werd een variabel percentage paardenvlees van 15% tot 55% aangetoond, in drie andere monsters een percentage van 4% tot 44%, in vier andere monsters werd een variabel percentage paardenvlees van 6% tot 88% aangetoond en in 1 monster werd een percentage paardenvlees van 10% tot 13% aangetoond.

Ten aanzien van alle monsters wordt aangegeven dat de aanwezigheid van paardenvlees naar het oordeel van de rapporteur niet is veroorzaakt door vervuiling in het productieproces.

Door bovenvermelde feiten en omstandigheden is de verdenking ontstaan dat [bedrijf 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en) valselijk opmaken van diverse geschriften, het tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en) gebruik maken van diverse valse geschriften en het overtreden van de traceerbaarheidseis zoals neergelegd in artikel 18 van Verordening EG nr. 178/2002 en strafbaar gesteld krachtens artikel 6.2 Wet Dieren, in artikel 2.4b, eerste lid, onder b Regeling dierlijke producten.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 2.

De verwerking van ponyvlees in het product snipper II in de periode van september 2012 tot en met februari 2013.

Getuige [persoon 3] heeft ter zitting van 28 januari 2019 verklaard dat hij altijd 100% rundvlees bij [bedrijf 1] heeft besteld. Getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] hebben namens [bedrijf 3] respectievelijk [bedrijf 8] verklaard dat zij altijd 100% rundvlees bij [bedrijf 2] hebben besteld.

Uit analyserapporten van het onderzoekscentrum Rikilt Wageningen, het NVWA en het contra-onderzoek van het Van Haeringen laboratorium is gebleken dat in totaal 12 monsters uit door [bedrijf 1] geleverde partijen ‘Snipper B’ en ‘Runder snipper II’ DNA van paard bevatten.

Verdachte heeft ter zitting van 28 januari 2019 verklaard dat, indien er pony’s beschikbaar waren, ponyvlees samen met afsnijdsels van runderen (kopvlees, vliesvlees, middenrif en steekvlees) werd opgemengd en verwerkt in het product Snipper II. Volgens verdachte werden er 5,5 pony’s per week geslacht, van 1 september 2012 tot 11 februari 2013. Uit de keuringsgegevens van NVWA blijkt echter dat in de periode van september 2012 tot en met februari 2013 726 paarden zijn ingekocht. De rechtbank merkt op basis van voornoemde gegevens op dat – ook indien verdachte wordt gevolgd in zijn standpunt dat van die 726 pony’s er slechts ongeveer 500 zijn geslacht en verwerkt – in de voornoemde periode gemiddeld tenminste 20 pony’s per week moeten zijn geslacht.

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat door [bedrijf 1] in de periode van september 2012 tot en met februari 2013 ponyvlees in het product Snipper II werd verwerkt wanneer dit voorradig was. Verder wordt vastgesteld dat [bedrijf 1] in haar administratiesysteem geen paarden en pony’s kon registreren en dat zij van een partij geslacht vlees niet registreerde of daarin al dan niet paard was verwerkt.

De door of namens [bedrijf 1] verstrekte paardvrijverklaringen van 11 februari 2013, 12 april 2013 en 29 januari 2014.

Door of namens [bedrijf 1] zijn in de periode van februari 2013 tot en met januari 2014 drie paardvrijverklaringen opgemaakt.

De paardvrijverklaring van 11 februari 2013 is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van [bedrijf 3] aan [bedrijf 8] , die dit verzoek heeft doorgestuurd aan [bedrijf 2]

De paardvrijverklaring van 12 april 2013 is aangetroffen als PDF-bestand met de naam ‘Statement horse free 2013 UK version’ op de bedrijfscomputer in het kantoor van [bedrijf 2]

De paardvrijverklaring van 29 januari 2014 is tevens aangetroffen op de bedrijfscomputer van [bedrijf 2] onder de naam ‘paardvrij verklaring 2014’.

De raadsman heeft ter zitting van 29 januari 2019 het standpunt betrokken dat verdachte de paardvrijverklaring van 11 februari 2013, waarin door of namens [bedrijf 1] wordt verklaard dat alle snippers II die bij hen in de periode van 2012 tot 11 februari 2013 door [bedrijf 2] zijn ingekocht, uit 100% rundvlees bestaan en zijn geproduceerd bij [bedrijf 1] , niet heeft opgesteld, maar dat deze gelet op het handschrift wel door verdachte lijkt te zijn ondertekend.

Medeverdachte [persoon 3] heeft ter zitting van 28 januari 2019 verklaard dat hij deze verklaring namens [verdachte] en [bedrijf 1] heeft opgesteld op verzoek van [verdachte] , en dat hij daarvoor briefpapier van [bedrijf 1] heeft gebruikt.

De rechtbank stelt vast dat de paardvrijverklaringen van 12 april 2013 en van 29 januari 2014 eveneens op briefpapier van [bedrijf 1] zijn opgesteld. Tevens stelt de rechtbank vast dat de handtekeningen op de paardvrijverklaringen van 12 april 2013 en 29 januari 2014 identiek zijn aan de handtekening onder de paardvrijverklaring van 11 februari 2013, en daarom vermoedelijk niet origineel, maar ingescand zijn.

De rechtbank gaat er om die reden van uit dat de paardvrijverklaringen van 12 april 2013 en 29 januari 2014 evenzo tezamen en in vereniging door [verdachte] / [bedrijf 1] en [persoon 3] / [bedrijf 2] zijn opgesteld.

Bij de doorzoeking in het bedrijfspand van [bedrijf 1] is op de computer van de kwaliteitsmanager [persoon 5] een tweede versie van de productspecificatie van Snipper II (datum: 10-11-2012) aangetroffen, waarin staat vermeld dat Snipper II bestaat uit rundvlees zonder toevoegingen. De voornoemde productspecificatie is tevens aangetroffen in de in beslag genomen administratie van [bedrijf 2]

[verdachte] heeft ter zitting van 28 januari 2019 erkend dat voor het product ‘Snipper II’ twee verschillende versies van de productspecificatie ‘Snipper II’ waren opgesteld die wisselend van toepassing waren: een eerste versie van de productspecificatie (datum: 01-09-2012) waarop stond vermeld: max 20% paardenvlees en een tweede productspecificatie (datum: 10-11-2012) waarop stond vermeld: rundvlees zonder toevoegingen.

De rechtbank is op basis van voornoemde omstandigheden van oordeel dat door [verdachte] / [bedrijf 1] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans is aanvaard dat de voornoemde paardvrijverklaringen in strijd met de waarheid en daarmee valselijk werden opgemaakt en gebruikt en dat door de paardvrijverklaringen is verhuld dat de door [bedrijf 1] geleverde partijen ‘snipper 70/30’ en ‘snipper II’ mogelijk paardenvlees bevatten.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] tezamen en in vereniging met [bedrijf 2] de voornoemde verklaringen in strijd met de waarheid heeft opgemaakt en die verklaring als echt en onvervalst heeft gebruikt.

Factuur nr. 126006, factuur nr. 126449 en pakbon nr. 57375.

Op de factuur met nummer 126006 van [bedrijf 1] verzonden aan [bedrijf 2] staat als artikelomschrijving vermeld ‘snipper 70/30’. Deze factuur heeft betrekking op de levering van 22.922 kg snipper 70/30 aan [bedrijf 2] , die de partij op 17 september 2012 door [persoon 1] had laten verladen aan [bedrijf 3] .

Op de factuur met nummer 126449 van [bedrijf 1] verzonden aan [bedrijf 2] staat als artikelomschrijving vermeld ‘snipper II’. Deze factuur heeft betrekking op de levering van 22.490 kg ‘snipper II’ aan [bedrijf 2] , die de partij op 16 oktober 2012 had laten vermelden aan [bedrijf 3] .

Beide facturen zijn aangetroffen in de administratie van [bedrijf 2]

Op de factuur met nummer 126449 wordt verwezen naar pakbon nr. 57375. Op die pakbon staat de artikelomschrijving ‘snipper II’ vermeld. Op de bijbehorende CMR nr. 877838 wordt het transport van 22.490 kg ‘gehakt 70/30’ van [bedrijf 4] in opdracht van [bedrijf 2] naar [bedrijf 3] bevestigd. Op de bijbehorende traceerlijst van [bedrijf 4] staat als artikelomschrijving ‘minerai de boeuf 70/30’ vermeld.

Op de factuur met nummer 126006 wordt verwezen naar pakbon nr. 49402. Op die pakbon staat de artikelomschrijving ‘snipper 70/30’ vermeld.

Op de bijbehorende CMR nr. 877222 wordt het transport van 22.922 kg ‘gehakt 70/30’ van [bedrijf 4] in opdracht van [bedrijf 2] naar [bedrijf 3] bevestigd. Op de bijbehorende traceerlijst van [bedrijf 4] staat als artikelomschrijving ‘minerai de boeuf 70/30’ vermeld.

Op de facturen en pakbonnen van [bedrijf 1] stond niet vermeld dat het artikel/product mogelijkerwijs (immers afhankelijk van het al dan niet voorhanden zijn van paardenvlees ten tijde van de verwerking van de afsnijdsels) uit zowel rund- als paardenvlees bestond, ondanks het feit dat door [bedrijf 2] telkens rundersnippers waren besteld.

Uit de voornoemde bewijsmiddelen volgt dat door [bedrijf 1] met betrekking tot de partijen vlees met artikelomschrijving ‘snipper 70/30’ en ‘snipper II’ die in september 2012 en oktober 2012 aan [bedrijf 2] werden geleverd, op de in verband daarmee opgemaakte facturen en pakbonnen werd verhuld wat er in werkelijkheid werd geleverd.

Dit werd gedaan door in plaats van een met de samenstelling van het product overeenkomende aanduiding van het geleverde product een algemene aanduiding op de facturen en pakbonnen te vermelden. Uit die algemene aanduiding bleek niet dat een gemengd product van rund- en paardenvlees werd verhandeld. Het op facturen verhullen van hetgeen in werkelijkheid wordt geleverd door in plaats van de naam van de geleverde producten een algemene omschrijving daarvan op die facturen te vermelden, dient te worden gekwalificeerd als valselijk opmaken in de zin van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6354, NJ 2008, 74).

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] de genoemde facturen en pakbonnen vals en in strijd met de waarheid heeft opgemaakt.

De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte de voornoemde facturen en pakbonnen als echt en onvervalst heeft gebruikt door het verzenden aan of ter beschikkingstellen van [bedrijf 2] . Niet is gebleken dat [verdachte] de hand heeft gehad in het ter beschikking stellen of verzenden van bedoelde documenten aan [bedrijf 3] , zodat verdachte van dat onderdeel van het onder 2 ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

Pakbon nr. 64209.

Door [bedrijf 1] wordt in februari 2013 en in maart 2013 snipper II vlees van [bedrijf 1] naar [bedrijf 4] vervoerd en aldaar opgeslagen. Bij [bedrijf 4] worden deze partijen vlees ingeboekt onder artikelnummer 128 als ‘Runder snippers II’.

Op 6 juni 2013 heeft [persoon 2] ., werkzaam als exportmanager bij [bedrijf 1] , per e-mail aan [persoon 8] , administratief medewerker bij [bedrijf 4] , opdracht gegeven om snipper II uit te slaan onder de artikelomschrijving ‘beef trimmings halal’.

Op 10 juni 2013 wordt door [bedrijf 1] 24.000 kg ‘beef trimmings halal’ (rundersnippers halal) aan [bedrijf 2] verkocht. De partijnummers die op de uitgaande pakbon van [bedrijf 4] aan [bedrijf 2] staan vermeld komen overeen met de in februari 2013 en maart 2013 ingeslagen Snippers II bij [bedrijf 4] . De partijnummers voorkomend op de pakbon aan [bedrijf 2] zijn dezelfde partijnummers als de in februari en maart ingeslagen rundersnippers bij [persoon 1] en zijn bij [bedrijf 1] uitgeslagen als Snipper II. Uit het dossier blijkt niet dat in deze periode halal vlees is ingeslagen bij [bedrijf 4] .

[verdachte] heeft tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 27 september 2016 verklaard dat de hoeveelheid halal geslacht vlees varieerde per slachtdag. Op bepaalde slachtdagen was 30% van het slachtvlees halal geslacht, op andere dagen was slechts 2% van het slachtvlees halal geslacht. Dit was afhankelijk van vraag en aanbod. [verdachte] heeft evenwel ter terechtzitting van 28 januari 2019 verklaard dat de helft van het totale slachtvlees halal werd geslacht. Tevens heeft [verdachte] verklaard dat de karkassen van de pony’s niet apart werden gehouden van de runderkarkassen, dat er indien voorhanden ponyvlees in het product Snipper II werd verwerkt, en dat vlees waarin paard was verwerkt niet halal kon zijn. De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat niet valt uit te sluiten dat ponyvlees samen met halalvlees in partijen Snipper II werd verwerkt.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] de voornoemde pakbon vals en in strijd met de waarheid heeft opgemaakt en als echt en onvervalst heeft gebruikt.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3.

Artikel 18 EG Verordening 178/2002 bepaalt dat de herkomst van vlees in elk stadium van de vleesproductie (productie, verwerking en distributie) moet kunnen worden getraceerd. Overtreding van dit voorschrift is strafbaar gesteld krachtens artikel 6.2 van de Wet Dieren (artikel 2.4b, eerste lid, onder b Regeling dierlijke producten).

Op 20 juli 2012 werd door [bedrijf 2] een partij van 24.378 kg Snippers II geleverd aan [bedrijf 9] in Frankrijk. Bij deze partijen zijn door verdachte, [bedrijf 2] en [bedrijf 4] onderling documenten uitgewisseld waarin telkens verschillende productbenamingen voor het product Snipper II worden gebruikt.

Op 20 juli 2012 heeft [persoon 8] , administratief medewerker bij [bedrijf 4] , per e-mail een vervoersdocument (CMR) nr. 772993, een traceerlijst met daarop uitsluitend partijnummers van Nederlandse runderen en een uitgaande pakbon nr. 47472 gestuurd. Op de verkoopfactuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] wordt verwezen naar de door [bedrijf 1] opgemaakte pakbon nr. 54726 en volgens voormelde pakbon zijn de runderen van de partijnummers afkomstig uit België, Frankrijk, Duitsland en Ierland. De partij van 24.378 kg is onder de artikelomschrijving ‘gehakt 70/30’ uitgeslagen bij [bedrijf 4] in [gemeente 4] . [bedrijf 2] heeft de partij Snippers via de tussenpersoon [persoon 6] verkocht aan de Franse afnemer [bedrijf 9] .

Op 21 juli 2017 is pakbon nr. 54726 per e-mail door [persoon 2] van [bedrijf 1] verstuurd aan [bedrijf 2]

Op het Recall-overzicht van de door [bedrijf 1] op 2 februari 2014 in gang gezette terugroep van onder meer de producten ‘snipper II’ en ‘snipper B’, ontbreken de partijnummers die op de traceerlijst van [persoon 1] vermeld staan.

De NVWA heeft de traceerbaarheid van 17 andere leveringen partijen Snipper II uit het eigen Recall-overzicht van [bedrijf 1] onderzocht. Ten aanzien van de 17 leveringen werd telkens vastgesteld dat de pakbonnen partijnummers met betrekking tot buitenlandse runderen bevatten en dat de traceerlijsten uitsluitend partijnummers met betrekking tot Nederlandse runderen bevatten.

Ten slotte staan op een aantal pakbonnen geen partijnummers vermeld, zodat de herkomst van die partijen in elk geval niet traceerbaar is.

[verdachte] heeft ter zitting van 28 januari 2019 verklaard dat in het product snipper II afsnijdsels van kopvlees, vliesvlees, middenrif en steekvlees werden verwerkt, hetgeen soms werd opgemengd met ponyvlees. De getuige [getuige 3] heeft ter zitting van 28 januari 2019 verklaard dat aan het eind van de (slacht)dag alle afsnijdsels van verschillende partijen rundvlees in snipper II werden verwerkt tot één charge. [verdachte] heeft ter zitting erkend dat alle afsnijdsels werden geboekt op landcode -03 (Nederland), omdat de grootste partij afsnijdsels van rundvlees steeds afkomstig was van runderen uit Nederland. De rechtbank concludeert dat derhalve het product ‘snipper II’ was samengesteld uit vlees, afkomstig van verschillende partijen runderen uit verschillende landen, maar dat dit aan de hand het toegekende partijnummer niet te herleiden was. Daarnaast gold de omstandigheid dat binnen [bedrijf 1] , naar bleek uit onderzoek door de NVWA, geen protocol bestond voor het toekennen van partijnummers aan paarden.

Daarmee kon het verwerkte paardenvlees in ieder geval niet worden herleid tot individuele partijnummers, zodat evenmin de herkomst c.q. oorsprong van het paardenvlees kon worden vastgesteld.

De rechtbank stelt voorts vast dat de door [bedrijf 1] gehanteerde handelswijze rechtstreeks afbreuk doet aan de traceerbaarheid van het in het product “snipper II” verwerkte vlees, omdat niet meer kan worden nagegaan van welke (soort) dieren uit welke landen het vlees dat in het product ‘snipper II’ is verwerkt afkomstig is. De rechtbank gaat voorbij aan het door verdachte ter zitting betrokken standpunt dat het opmengen van paardenvlees met rundvlees onder het product ‘snipper II’ met toestemming van de NVWA plaatsvond, omdat die stelling niet nader is onderbouwd en op geen enkele wijze steun vindt in het dossier. De enkele omstandigheid dat dagelijks medewerkers van de NVWA op het bedrijf aanwezig waren ter keuring van de voor de slacht aangevoerde dieren maakt dit niet anders. Zulks alleen al, nu niet kan worden vastgesteld dat die medewerkers naast hun taak om zorg te dragen voor de vaststelling of dieren gezond waren, tevens tot taak hadden toezicht te houden op het mengen van vlees van gezond bevonden dieren.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] opzettelijk de traceerbaarheidseis heeft overtreden zoals neergelegd in artikel 18 EG Verordening nr. 178/2002 en strafbaar gesteld krachtens artikel 6.2 Wet Dieren in artikel 2.4b, eerste lid, onder b Regeling dierlijke producten.

Is [bedrijf 1] strafrechtelijk aansprakelijk voor het valselijk opmaken en gebruiken van de geschriften en overtreding van de traceerbaarheidseis?

De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten kunnen worden toegerekend aan [bedrijf 1] het naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006, 328) van belang is vast te stellen of de gedraging is verricht in sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan sprake zijn als in het concrete geval één of meer van de volgende omstandigheden aan de orde zijn:

- Het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

- De gedraging past in de normale bedrijfsuitvoering van de rechtspersoon;

- De gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het uitgeoefende bedrijf;

- De rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op voorkoming van die gedraging.

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon en dat deze in redelijkheid aan [bedrijf 1] zijn toe te rekenen.

Het opmaken van facturen, pakbonnen en verklaringen en het versturen daarvan aan derden, alsmede het toekennen van partijnummers betrof telkens het handelen van een persoon die in dienstbetrekking was van [bedrijf 1] , dan wel het handelen van verdachte zelf als directeur van de rechtspersoon.

Dit zijn gedragingen die passen in de normale bedrijfsvoering met betrekking tot de handel in vlees door de rechtspersoon. [bedrijf 1] kon erover beschikken of de gedragingen al dan niet plaatsvonden.

De rechtbank acht daarom bewezen dat [bedrijf 1] de documenten valselijk en in strijd met de waarheid heeft opgemaakt en daarvan gebruik heeft gemaakt.

De verklaring van [verdachte] dat enkel sprake was van niet-opzettelijke slordigheden in de administratie en van administratieve fouten, en dat de niet ingevulde partijnummers telkens betrekking hadden op dierlijke bijproducten die wel traceerbaar waren via slachtgegevens, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Uit de analyserapporten van Rikilt en NVWA en het contra-onderzoek door Van Haeringen Laboratorium is gebleken dat in totaal 12 monsters van 100% als rundvlees verkochte partijen vlees DNA van paard is aangetroffen. [bedrijf 1] had geen protocol voor het toekennen van partijnummers aan paardenvlees. De voornoemde gang van zaken duidt veeleer op bewust handelen dan op een vergissing.

Heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedragingen?

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad van feitelijk leiding geven sprake kan zijn als verdachte – hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was – maatregelen achterwege heeft gelaten ter voorkoming van de verboden gedraging, en hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij de gedraging opzettelijk heeft bevorderd (HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016, 375).

Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting van 28 januari 2019 blijkt dat verdachte via [bedrijf 5] bestuurder en enig aandeelhouder is van [bedrijf 1] Verdachte had de feitelijke zeggenschap binnen [bedrijf 1]

Verdachte heeft ter zitting verklaard de paardvrijverklaring van 11 februari 2013 te hebben ondertekend. Verdachte heeft in al zijn verklaringen blijk gegeven van het feit dat hij relevante beslissingen voor het bedrijf, zoals het inkopen en slachten van pony’s, nam.

Getuige [getuige 4] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte] hem in november 2012 opdracht heeft gegeven twee verschillende productspecificaties voor het product Snipper II op te stellen. Uit het plan van aanpak tot verbetering van de track and tracing, waarin de handmatige koppeling van gegevens uit het administratiesysteem U-Slim aan partijnummers in het administratiesysteem Reflex als risico voor de traceerbaarheid van partijen vlees werd onderkend, leidt de rechtbank af dat hoewel verdachte wist dat de traceerbaarheid van het vlees onder druk stond, desondanks niet direct heeft ingegrepen, maar zich integendeel heeft beperkt tot het (doen) opstellen van een verbeteringsvoornemen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het (mede)plegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en feitelijk leiding geven aan medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.2, eerste lid, Wet Dieren, in artikel 2.4b, eerste lid, onder b Regeling dierlijke producten, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

[bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2012 tot en met 25 maart 2014 in Nederland, al dan niet (toevoeging rechtbank) tezamen en in vereniging met een ander 7 geschriften te weten:

A. een verklaring van 12 april 2013 en

B. een verklaring van 29 januari 2014 en

C. een factuur met nummer 126006 en

D. een factuur met nummer 126449 en

E. een pakbon met nummer 57375 en

F. een verklaring van 11 februari 2013 en

G. een pakbon met nummer 64209;

die telkens bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen – telkens valselijk heeft opgemaakt door telkens valselijk en in strijd met de waarheid:

A. in de verklaring van 12 april 2013 te verklaren dat het geleverde rundvlees (beef) vrij is van paard-dna en dat het rundvlees van [bedrijf 1] uit 100% rundvlees bestaat zonder toevoegingen, terwijl in werkelijkheid rundvlees en rundvleesproducten zijn geleverd die zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestonden en

B. in de verklaring van 29 jan 2014 te verklaren dat de geleverde rundvleesproducten vrij zijn van paard-dna en dat het rundvlees van [bedrijf 1] uit 100% rundvlees bestaat zonder toevoegingen, terwijl in werkelijkheid rundvlees en rundvleesproducten zijn geleverd die zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestonden.

C. – op de factuur met nummer 126006:

niet te vermelden dat het geleverde product zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond.

D. – op de factuur met nummer 126449:

niet te vermelden dat het geleverde product zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond.

E. – op de pakbon met nummer 57375:

niet te vermelden dat het geleverde product zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond.

F. – in de verklaring van 11 februari 2013 te verklaren dat alle snippers II die bij [bedrijf 1] zijn gekocht door [bedrijf 2] in 2012 tot 11 februari 2013 bestaan uit 100% rundvlees, terwijl in werkelijkheid deze snippers zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestonden en

G. – op de pakbon met nummer 64209:

beef trimmings halal te vermelden terwijl in werkelijkheid Snipper II vlees werd geleverd,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

zulks terwijl verdachte aan die verboden gedragingen telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2012 tot en met 25 maart 2014 in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van 7 valse geschriften te weten:

A. een verklaring van 12 april 2013 en

B. een verklaring van 29 januari 2014 en

C. een factuur met nummer 126006 en

D. een factuur met nummer 126449 en

E. een pakbon met nummer 57375 en

F. een verklaring van 11 februari 2013 en

G. een pakbon met nummer 64209;

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat zij voornoemde facturen, pakbonnen en verklaringen aan [bedrijf 2] heeft verzonden althans ter beschikking gesteld en bestaande die valsheid telkens hierin dat:

- in de verklaring van 12 april 2013 werd verklaarde dat het aan u geleverde rundvlees (beef) vrij is van paard-dna en dat het rundvlees van [bedrijf 1] uit 100% rundvlees bestaat zonder toevoegingen, terwijl in werkelijkheid rundvlees en rundvleesproducten zijn geleverd die zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestonden en

- in de verklaring van 29 januari 2014 werd verklaard dat de aan u geleverde rundvlees en rundvleesproducten vrij zijn van paard-dna, terwijl in werkelijkheid rundvlees en rundvleesproducten zijn geleverde die zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestonden

- op de factuur met nummer 126006:

niet was vermeld dat het geleverde product zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond en

- op de factuur met nummer 126449 en op de pakbon met nummer 57375:

niet was vermeld dat het geleverde product zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestond en

- in de verklaring van 11 februari 2013 werd verklaard dat alle snipper II die bij Van [bedrijf 1] zijn gekocht door [bedrijf 2] in 2012 tot 11 febr 2013, bestaan uit 100% rundvlees, terwijl in werkelijkheid de partijen snippers 2 in 2012 gedeeltelijk zowel uit rundvlees als uit paardenvlees bestonden en

- op de pakbon met nummer 64209:

beef trimmings halal was vermeld terwijl in werkelijkheid snipper II vlees werd geleverd,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

zulks terwijl verdachte aan die verboden gedragingen telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

[bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2012 tot en met 25 maart 2014 in Nederland heeft gehandeld in strijd met artikel 18 Verordening (EG) nr. 178/2002, immers waren in voornoemde periode een of meerdere hoeveelheden levensmiddelen waaronder

- 17 partijen Snipper II en

- een partij van 24.378 kg Snipper II en

- 190 en 117 kg uier vers en

- 253,5 en 193,5 en 224,5 kg uier vers en 352 kg Snipper B en

- 220,5 kg Snipper II en

- 180 kg uier vers en

- 926 kg EKO Snipper 90-10,

niet in ieder stadium van de productie en verwerking en distributie traceerbaar.

zulks terwijl verdachte aan die verboden gedragingen telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het volgende. In de onderhavige zaak is de volksgezondheid niet in gevaar geweest, omdat de aan verdachte verweten feiten uitsluitend zijn begaan met betrekking tot partijen gekeurd paardenvlees. Er is geen sprake geweest van opzettelijke misleiding. Verdachte had op de facturen en pakbonnen hooguit iets beter kunnen specificeren dat in het product Snipper II paardenvlees was verwerkt. Met de verkoop van het product Snipper II is door verdachte een minimale winst behaald, van slechts € 18.000,--. De negatieve beeldvorming, de bestuursrechtelijke maatregelen door de NVWA en het conservatoir beslag op inkomsten uit slachtvlees na de doorstart van de onderneming hebben veel impact gehad op verdachte.

De grootschaligheid en ernst van de beweerdelijke fraude wordt in de onderhavige zaak teveel benadrukt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte was via [bedrijf 5] bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] Deze rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door valse facturen, pakbonnen en verklaringen op te maken, het gebruik maken van die valse documenten door deze aan haar klanten en afnemers en medeverdachte [bedrijf 4] ter beschikking te stellen en overtreding van de traceerbaarheidseis zoals neergelegd in artikel 18 van Verordening EG nr. 178/2002 en strafbaar gesteld krachtens artikel 6.2 Wet Dieren, in artikel 2.4b, eerste lid, onder b Regeling dierlijke producten.

Door [bedrijf 1] zijn in de periode tussen 1 september 2012 en 11 februari 2013 – een periode van bijna zes maanden – in totaal ongeveer 500 paarden geslacht (gemiddeld tenminste ongeveer 20 pony’s per week). De verwerking van paarden is niet geregistreerd, terwijl ook op de facturen en pakbonnen niet stond vermeld dat het geleverde vleesproduct paardenvlees (kon) bevatte(n). De klanten gingen er vanuit dat de geleverde producten overeenkomstig hun bestelling alleen rundvlees bevatte.

Nadat het paardenvleesschandaal begin 2013 bekend was geworden, zijn door of namens [bedrijf 1] aan diverse klanten en afnemers paardvrijverklaringen afgegeven, maar de partijen die onder vigeur van deze (deels achteraf vervaardigde) documenten waren verhandeld, waren feitelijk bij lange na niet allemaal paardvrij.

Hierdoor zijn klanten en uiteindelijk ook de consument misleid, en is misbruik gemaakt van het vertrouwen dat bedrijven in het economische verkeer in elkaar stellen. Dit klemt te meer waar het betreft ondernemingen die zich bezig houden met het produceren en in het verkeer brengen van voedingsmiddelen, waarbij mede vanwege het belang van de volksgezondheid de samenstelling en herkomst van de producten boven iedere twijfel verheven dient te zijn.

Door het handelen van de onderneming van verdachte zijn afnemers in de problemen gekomen en is hun reputatie beschadigd. Verdachte heeft door het voeren van een onjuiste en onvolledige administratie het controlerende instanties zoals de NVWA onmogelijk gemaakt na te gaan in welke partijen/producten het ingekochte paardenvlees is verwerkt. Het traceren van het ingekocht vlees is daardoor moeilijk of zelfs onmogelijk gebleken. Die traceerbaarheid is noodzakelijk om de veiligheid van voedingsmiddelen en daarmee de volksgezondheid te waarborgen. Verdachte heeft daarmee welbewust de integriteit van de vleessector geschonden.

Een zaak als deze veroorzaakt grote maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers wat betreft de voedselveiligheid en wantrouwen jegens producenten van voedingsmiddelen en de daarop uitgeoefende controle.

Deze zaak is mede aan het licht gekomen naar aanleiding van meldingen uit Engeland en Ierland in januari 2013 met betrekking tot aangetroffen paardenvlees in rundvleesproducten die afkomstig zouden zijn uit Nederland. Verdachte heeft door deze zaak bijgedragen aan het negatieve imago van de Nederlandse vleesindustrie in Nederland en in het buitenland. Hij heeft daarmee de belangen van die sector geweld aangedaan.

Gelet op de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte zelf is getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde strafbare feiten, in die zin dat die feiten voor hem grote financiële gevolgen hebben gehad.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank betrekt hierin met name, dat verdachte ten aanzien van een aantal onderdelen van het onder 2 ten laste gelegde feit is vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat als uitgangspunt in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in voorarrest is doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank stelt echter vast dat in de onderhavige zaak sprake is van een overschrijding van het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

De redelijke termijn begint te lopen zodra vanwege de overheid jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Ten aanzien van de berechting van de zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn met een eindvonnis dient te zijn afgerond, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in deze zaak op 26 augustus 2014 begint te lopen. Op die dag is [verdachte] in verzekering gesteld.

De uitspraak in deze zaak is op 15 februari 2019. In totaal zijn dus 4 jaar en 6 maanden verstreken sinds het moment dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat hij voor de onderhavige zaak zou worden vervolgd, waardoor sprake is van een termijnoverschrijding van 2 jaar en 6 maanden.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging op diverse momenten gedurende de behandeling van de onderhavige strafzaak onderzoekswensen heeft gedaan:

- Op 17 maart 2016 heeft de toenmalige raadsman van verdachte, mr. P.J. Hoogendam, een verzoek tot het horen van twaalf getuigen ingediend.

- Op 16 maart 2016 heeft de toenmalige raadsman van verdachte, mr. P.J. Hoogendam, diverse onderzoekswensen ingediend: een contra-onderzoek met betrekking tot de monstername van 11 december 2013 door Rikilt Wageningen, een contra-onderzoek met betrekking tot de monsternames van 6, 11, 12 en 13 februari 2014 door de NVWA, alsmede verstrekking van de volledige onderzoeksrapportage met vermelding van de gehanteerde wijze van bemonstering, een contra-onderzoek met betrekking tot de monstername door DDPP in Frankrijk met betrekking tot de in oktober 2012 aan Franse afnemers geleverde partijen snipper II en nader onderzoek naar de wijze van bemonstering alsmede vertaling van enkele stukken, een contra-onderzoek met betrekking tot de monstername door DDPP in Frankrijk met betrekking tot de in september 2012 aan Franse afnemers geleverde partijen snipper II en nader onderzoek naar de wijze van bemonstering alsmede vertaling van enkele stukken.

Tevens heeft de toenmalig raadsman mr. Hoogendam zijn eerder ingediende getuigenverzoeken met betrekking tot [verdachte] , [getuige 4] , [persoon 8] , [persoon 1] , [persoon 2] , [getuige 3] , [persoon 3] , [persoon 7] , herhaald.

- Op 23 januari 2017 is door de verdediging bezwaar gemaakt tegen het door de rechter-commissaris (RC) op 12 januari 2017 geuite voornemen het dossier te sluiten om reden dat de verdediging de RC niet tijdig van de gewenste duidelijke vraagstelling en de te benoemen deskundige had voorzien. Op 14 februari 2017 is dit bezwaarschrift – nadat de verdediging tijdens de behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer alsnog haar vraagstelling had aangegeven en deskundigen had aangedragen - gegrond verklaard.

- Op 3 april 2017 heeft de rechter-commissaris dr. Van Haeringen Laboratorium als deskundige benoemd in verband met het verrichten van contra-onderzoek naar de vier positief geteste monsters door NVWA.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn voor wat betreft de periode tussen het indienen van de twaalf getuigenverzoeken op 17 maart 2016 tot de benoeming van het dr. Van Haeringen Laboratorium als deskundige in het contra-onderzoek op 3 april 2017 voor rekening van verdachte komt, zodat 1 jaar en 17 dagen van de termijnoverschrijding is toe te rekenen aan verdediging, en dat deel in mindering wordt gebracht op de termijnoverschrijding. Dit betekent dat de te compenseren termijnoverschrijding 1 jaar en 5 maanden bedraagt. Als maatstaf voor de vermindering van de op te leggen straf hanteert de rechtbank in zo’n geval het uitgangspunt van tien procent.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 324 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Toepasselijke wetsartikelen.

Wetboek van Strafrecht, art. 14a, 14b, 14c, 47, 51, 57, 225.

Wet op de economische delicten, art. 1, 2 en 6.

Wet Dieren, art. 6.2.

Regeling dierlijke producten, art. 2.4b.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Bewezenverklaring.

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Strafbaarheid van het feit.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

feitelijk leidinggeven aan (mede)plegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 2:

feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 3:

feitelijk leidinggeven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.2, eerste lid, Wet Dieren [artikel 2.4b, eerste lid, onder b Regeling dierlijke producten], begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 324 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

Mr. W.F. Koolen, mr. M.T. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Klaar, griffier,

en is uitgesproken op 15 februari 2019.