Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:858

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
26-02-2021
Zaaknummer
18_1589
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:4270, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek inzage persoonsgegevens ogv art. 35 Wbp en verzet tegen verstrekking persoonsgegevens ogc art 40 Wbp, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/1589

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] ,

beiden wonend in [woonplaats] , eisers

en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Timmermans).

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2017 heeft de burgemeester het verzet van eisers tegen verstrekking van hun persoonsgegevens door het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Oost-Brabant (hierna: het RIEC) aan een jurist van de gemeente Bladel en/of medewerkers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) als niet‑gerechtvaardigd beoordeeld.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft de burgemeester het verzoek van eisers om inzage in het gebruik van hun persoonsgegevens door het RIEC gehonoreerd. De burgemeester heeft eisers daarbij meegedeeld dat het RIEC bezig is twee overzichten van de persoonsgegevens die over eisers zijn verwerkt samen te stellen, waarin is vermeld de doelen of doeleinden waarvoor deze gegevens zijn verwerkt, wie deze gegevens ontvangen en informatie over de herkomst van de gegevens. De burgemeester heeft eisers meegedeeld dat hij deze overzichten uiterlijk binnen twee weken zal toezenden.

Bij brief van 20 november 2017 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 12 oktober 2017 en 27 oktober 2017.

Bij besluit van 21 december 2017 heeft de burgemeester in aanvulling op zijn besluit van 27 oktober 2017 twee overzichten van persoonsgegevens (het ene betrekking hebbend op eiser sub 1 en het andere op eiseres sub 2) aan eisers verstrekt. De burgemeester heeft daarbij aangegeven dat het naar zijn oordeel gerechtvaardigd is om geen nadere overzichten aan eisers te verstrekken.

Bij besluit op bezwaar van 2 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester de besluiten van 12 oktober 2017, 27 oktober 2017 en 21 december 2017 gehandhaafd, met dien verstande dat hij de motivering van het besluit van 27 oktober 2017 heeft aangevuld.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij beslissing van 10 augustus 2018 heeft een andere rechter van de rechtbank bepaald dat de door de burgemeester verzochte beperking van de kennisneming van een aantal stukken (de geheime stukken) gerechtvaardigd is, met uitzondering van drie stukken. Met instemming van de burgemeester heeft de rechtbank die drie stukken toegevoegd aan de openbare gedingstukken.

Eisers hebben desgevraagd toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven voor het betrekken van de geheime stukken bij de beoordeling van het beroep.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2018. Eiser [eiser] is naar de zitting gekomen. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is naar de zitting gekomen mr. [naam] , onder meer werkzaam bij het RIEC.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Sinds 25 mei 2018 geldt binnen de Europese Unie (EU) de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Per die datum is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ingetrokken (artikel 51 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, Staatsblad 2018, nr. 144). Het bestreden besluit dateert echter van vóór 25 mei 2018. Dit betekent dat deze zaak beoordeeld moet worden naar het recht zoals dat gold tot 25 mei 2018. De Wbp is dus van toepassing. De relevante bepalingen uit de Wbp zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Achtergrond van de zaak

2. Bij brief van 23 augustus 2017 hebben eisers de burgemeester onder verwijzing naar artikel 35 van de Wbp verzocht om inzage in het gebruik van hun persoonsgegevens door het RIEC. Daarnaast hebben zij verzet als bedoeld in artikel 40 van de Wbp aangetekend tegen de verstrekking van hun persoonsgegevens aan [naam] , als jurist werkzaam bij de gemeente Bladel, en/of aan (medewerkers van) de NVWA.

De besluiten van de burgemeester

3. De burgemeester acht het verzet niet gerechtvaardigd. Een betrokkene kan verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden. Het moet daarbij gaan om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met de bijzondere situatie van de betrokkene. Volgens de burgemeester is hiervan in dit geval geen sprake. Dat eisers vanwege de gegevensverwerking mogelijk worden geconfronteerd met besluiten van diverse overheidsinstanties die volgens hen onrechtmatig zijn, is geen reden om de gegevensverwerking op voorhand uit te sluiten. Als eisers vinden dat bepaalde overheidsbesluiten onrechtmatig zijn, dan kunnen zij dit aan de orde te stellen in de daarvoor bestemde procedure. In die procedure(s) kunnen eisers desgewenst naar voren brengen dat de gegevensverwerking onrechtmatig is (geweest).

Volgens de burgemeester is de gegevensverwerking (het verstrekken van persoonsgegevens van eisers aan (een medewerker van) de gemeente Bladel en/of (medewerkers van) de NVWA) proportioneel en voldoet het aan het subsidiariteitsvereiste. De gemeente Bladel is een ketenpartner van het RIEC, evenals onder meer de politie, het Openbaar Ministerie (OM) en de Belastingdienst. De NVWA is weliswaar geen ketenpartner van het RIEC, maar de politie kan op basis van artikel 16 van de Wet politiegegevens (Wpg) informatie delen met andere opsporingsdiensten, zoals de NVWA.

4. De burgemeester heeft het inzageverzoek gehonoreerd en twee door het RIEC opgestelde overzichten verstrekt aan eisers. In het bestreden besluit heeft de burgemeester uiteengezet dat persoonsgegevens van eisers zijn verwerkt, omdat eisers door het RIEC zijn aangemerkt als een ‘handhavingsknelpunt’ (artikel 1.7 van het Convenant ten behoeve van bestuurlijke en geïntegreerde aanpak georganiseerde criminaliteit, bestrijding handhavingsknelpunten en bevordering integriteitsbeoordelingen, hierna: het convenant). De burgemeester heeft vervolgens aangegeven wat de herkomst van de persoonsgegevens van eisers is en met wie de persoonsgegevens is gedeeld. De burgemeester heeft verstrekking van nadere overzichten geweigerd op grond van artikel 43, onder b en d, van de Wbp. Tegen eisers loopt momenteel een strafrechtelijk onderzoek. Als eisers kennis nemen van de verwerkte persoonsgegevens of onderliggende documenten, dan geeft dat eisers onder meer inzicht in de manier waarop het nog niet afgeronde opsporingsonderzoek wordt uitgevoerd en worden het opsporingsbelang en de informatiepositie van het OM belemmerd. Ook zouden hieruit direct of indirect gegevens van derden kunnen worden herleid, waaronder van medeverdachten, slachtoffers, benadeelden, getuigen en bij het onderzoek betrokken ambtenaren. Dit is eveneens een inbreuk op het opsporingsonderzoek en zal voorts de persoonlijke levenssfeer en andere rechten en vrijheden van deze personen schaden. Om die reden dient het te blijven bij de twee aan eisers verstrekte overzichten, aldus de burgemeester.

Het beroep en de beoordeling daarvan

5. De rechtbank heeft, naast de openbare gedingstukken, kennis genomen van de geheime stukken. Mede op basis van deze stukken, komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van het verzet

6. Uit de Memorie van Toelichting (TK 1997-1998, 25892, nr. 3) blijkt dat artikel 40 van de Wbp zich richt op een rechtmatige gegevensverwerking, die pas onrechtmatig wordt nadat de betrokkene op grond van een bijzondere situatie verzet aantekent en dit verzet gerechtvaardigd wordt geacht. Verzet kan worden aangetekend tegen verwerkingen op grond van artikel 8, onderdelen e en f. Artikel 8, onderdeel e, biedt grondslag aan de gegevensverwerking door een bestuursorgaan voor de vervulling van een publieke taak. De beantwoording van de vraag of een gegevensverwerking voor dat doel daadwerkelijk noodzakelijk is, laat aan de verantwoordelijke een zekere beoordelingsruimte over. Bij de beoordeling van de noodzaak zullen bijvoorbeeld de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijke rol spelen. De beslissing die de verantwoordelijke vervolgens neemt zal slechts rekening houden en ook kunnen houden met de hem kenbare, normale omstandigheden van het geval. Deze omstandigheden afwegende kan hij tot de beslissing komen dat de gegevensverwerking gerechtvaardigd is. Het is echter mogelijk dat de bijzondere persoonlijke omstandigheden van een bij de verwerking betrokkene de balans doen doorslaan naar de andere kant.

7. Eisers hebben ter onderbouwing van het verzet gesteld, samengevat weergegeven, dat:

- zij door het RIEC ten onrechte als een handhavingsknelpunt zijn aangemerkt;

- [naam] (althans de gemeente Bladel en/of zijn burgemeester), al jarenlang een hetze tegen hen voert, uit rancune, en hen kapot maakt;

- [naam] handelt in strijd met het privacyprotocol van het RIEC en er niet voor terugdeinst om zich te bedienen van (ver)vals(t)e documenten;

- zij vanwege de gegevensverwerking in de toekomst zullen worden geconfronteerd met allerlei onrechtmatige beslissingen van allerlei overheidsinstanties;

- de manier waarop de politie tijdens RIEC-overleggen informatie over hen deelt met de NVWA onrechtmatig is.

Eisers vinden dat de burgemeester in verband met al deze omstandigheden het verzet had moeten honoreren.

8. De rechtbank is het niet eens met eisers. Zoals de burgemeester terecht heeft opgemerkt, vindt bij de beoordeling of een verzet gehonoreerd moet worden, geen beoordeling plaats van de rechtmatigheid van besluiten en/of handelingen van het RIEC en/of bij het RIEC aangesloten partners, zoals de politie en de gemeente Bladel en/of zijn medewerkers. Als eisers bevreesd zijn voor onregelmatigheden bij de verwerking van hun persoonsgegevens of vinden dat handelingen en/of beslissingen van (vertegenwoordigers van) overheidsinstanties onrechtmatig zijn, dan kunnen eisers dit aan de orde stellen in de daartoe geëigende procedures. Dit zijn echter geen omstandigheden die op voorhand het uitsluiten van verwerking van gegevens rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval geen sprake is bijzondere persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wbp, die ertoe leiden dat de gegevensverwerking niet gerechtvaardigd is.

Ten aanzien van het inzageverzoek

9. Vast staat dat eisers (nog steeds) onderwerp zijn van een strafrechtelijk onderzoek. Of dit terecht is, is voor de beoordeling of de burgemeester, afgezien van de twee verstrekte overzichten, verdere inzage aan eisers mocht weigeren niet relevant en kan in deze procedure niet aan de orde komen. Eisers kunnen dit aan de orde stellen in de strafrechtelijke procedure of, wanneer er geen strafrechtelijke procedure plaatsvindt omdat de zaak is/wordt geseponeerd, in een procedure waarin eisers zich beklagen over in de hun visie onterechte strafvervolging. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in het bestreden besluit gemotiveerd heeft onderbouwd dat en waarom het van belang is dat, afgezien van de twee verstrekte overzichten, eisers geen verdere inzage krijgen. De burgemeester heeft er op gewezen dat het opsporingsbelang meebrengt dat eisers die juist onderwerp zijn van strafrechtelijk onderzoek, geen “kijkje in de keuken” krijgen. De rechtbank kan deze redenering volgen. Tijdens de zitting heeft eiser [eiser] nog aangevoerd dat, als waar is dat de informatie die de burgemeester niet prijs wil geven herleidbaar is tot de namen van derden (medeverdachten, slachtoffers/benadeelden, getuigen, opsporingsambtenaren), de burgemeester deze gegevens zou kunnen anonimiseren. De burgemeester heeft in reactie hierop gezegd dat wanneer deze gegevens worden geanonimiseerd, er “niets meer staat” en, naar de rechtbank begrijpt, er niets meer ter inzage te geven valt. De rechtbank, die zoals hiervoor is aangegeven, kennis heeft genomen van de geheime (niet-geanonimiseerde stukken), volgt de burgemeester op dit punt.

10. Eisers hebben in hun beroepschrift nog het volgende opgemerkt: “Het RIEC is misbruikt door personen vanuit de gemeente Bladel om rancuneuze motieven. Het uitschakelen van een politieke tegenstander kan niet gezien worden als een overheidstaak, (…).”. Voor zover eisers met deze opmerking willen betogen dat de burgemeester zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 43 van de Wbp in strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is bedoeld (détournement de pouvoir), faalt dit betoog. Eisers hebben hun stelling dat de burgemeester (en/of medewerkers van de gemeente) uit rancune heeft gehandeld niet gemotiveerd onderbouwd. Bovendien heeft de burgemeester in zijn besluit gemotiveerd uiteengezet waarom hij heeft besloten om toepassing te geven aan artikel 43 Wbp. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft dit te maken met het feit dat tegen eisers een strafrechtelijk onderzoek loopt.

11. Ook heeft eiser nog opgemerkt dat niet duidelijk is welke punten van de punten a tot en met t uit het bestreden besluit betrekking hebben op hem en welke op zijn vrouw. In die punten wordt toegelicht wat de herkomst van de gegevens uit de eerder verstrekte overzichten is, de bestemming daarvan en het doel van de verwerking. De rechtbank kan deze opmerking niet volgen. Zoals al in het bestreden besluit is toegelicht, heeft de opsomming van de punten a tot en met t tot doel om in aanvulling op de verstrekte overzichten de specifieke partner van wie de gegevens afkomstig waren en met wie ze zijn gedeeld te noemen. De punten a tot en met t hebben zowel betrekking op eiser als op eiseres. Als een punt op eiseres betrekking heeft, is er namelijk tussen haakjes bij vermeld om welk punt uit het overzicht van eiseres het gaat. Uit deze informatie moet het voor eisers duidelijk zijn op wie welk punt betrekking heeft.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski - Kelders, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE – wettelijk kader

Wet bescherming persoonsgegevens

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

(…).

Artikel 8, onderdeel e:

Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:

(…);

e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of

f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

Artikel 35

1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

3. (…).

4. (…).

Artikel 40, eerste lid:

Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden.

Artikel 43:

De verantwoordelijke kan de artikelen (…) 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:

a. (…);

b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;

c. gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen;

d. het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder b en c, of

e. (…).

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:3

Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.