Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:7791

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
7336603 CV EXPL 18-7336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

bewijsopdracht eiser, lekkage dakbedekking, aanneming van werk, toerekenbare tekortkoming gedaagde, benoeming deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 7336603 \ CV EXPL 18-7336

Vonnis van 4 juli 2019

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

gemachtigde: mr. S. Depmann (DAS),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.A.A. van der Weijst.

Partijen worden hierna “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ” genoemd.

Dit vonnis is een vervolg op het op 4 april 2019 door de kantonrechter tussen partijen gewezen tussenvonnis.

1 De verdere procedure

1.1.

Voor het verloop van de procedure verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis van 4 april 2019.

1.2.

Naar aanleiding van het tussenvonnis hebben beide partijen op de rolzitting van
2 mei 2019 een akte genomen. [eiser] heeft daarbij tevens nadere producties (genummerd 16 tot en met 21) in het geding gebracht. Vervolgens heeft [gedaagde] op de rolzitting van 6 juni 2019 nog een antwoordakte genomen.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 4 april 2019 heeft de kantonrechter overwogen, gelet op het partijdebat, behoefte te hebben aan een onderzoek c.q. analyse van het dakbedekkingsmateriaal dat [gedaagde] in 2013 op het dak van [eiser] heeft aangebracht. De kantonrechter heeft voorshands geoordeeld dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige en mogelijk te stellen vragen aan partijen voorgelegd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de geformuleerde vragen, de aard van de in te roepen deskundigheid en de persoon van de te benoemen deskundige. [eiser] is daarnaast in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat [naam 1] , op wiens deskundigheid hij zijn standpunt mede baseert, beschikt over deskundigheid op het gebied van dakbedekking.

2.2.

[eiser] heeft bij akte verklaard zich te kunnen vinden in de vragen die in het tussenvonnis van 4 april 2019 door de kantonrechter zijn voorgesteld. [eiser] heeft daarnaast verklaard dat het zijn voorkeur geniet om [A] te [plaats] als deskundige te benoemen. Ter onderbouwing van de deskundigheid waarover [naam 1] beschikt heeft [eiser] nadere producties overgelegd.

2.3.

[gedaagde] heeft de kantonrechter bij akte verzocht om een heroverweging te maken en terug te komen op de inhoud van het tussenvonnis van 4 april 2019, in die zin dat geen deskundige zal worden benoemd in het kader van een bewijsopdracht aan de zijde van [eiser] , maar dat diens vorderingen reeds nu zullen worden afgewezen.

2.4.

De kantonrechter stelt voorop dat een rechter die in een tussenvonnis op een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, volgens vaste jurisprudentie daaraan in beginsel is gebonden. Deze gebondenheid geldt, zoals [gedaagde] terecht betoogt, niet onverkort. De eisen van goede procesorde kunnen namelijk meebrengen dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere, maar niet in een dictum vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing om te voorkomen dat op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak wordt gedaan.

2.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter is in het tussenvonnis van 4 april 2019 echter geen sprake van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag en kan hierop worden voortgeborduurd. Weliswaar heeft [gedaagde] thans aangevoerd dat hij niet door [eiser] in gebreke zou zijn gesteld, maar deze stelling snijdt geen hout. Niet alleen de ingebrekestelling van 12 maart 2018 maakt immers onderdeel uit van de gedingstukken, ook de reactie van [gedaagde] daarop is reeds bij dagvaarding door [eiser] in het geding gebracht. De ingebrekestelling is bovendien ook door [gedaagde] zelf in zijn verweer aangehaald.

Het is de kantonrechter genoegzaam duidelijk dat [gedaagde] het op veel punten niet eens is met de inhoud van het tussenvonnis. De aktewisseling waartoe partijen in de gelegenheid zijn gesteld, is echter niet bedoeld voor het instellen van een verkapt hoger beroep. [gedaagde] heeft niet de mogelijkheid om beslissingen die niet in zijn voordeel zijn, voor te dragen voor heroverweging in dezelfde instantie.

2.6.

Dit kan - naast de hiervoor bedoelde situatie - alleen anders zijn indien sprake is van een evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen, zoals het beginsel van hoor en wederhoor en de eisen van goede procesorde. Hoewel [gedaagde] heeft gesteld dat de eisen van goede procesorde zouden zijn geschonden, wordt hij hierin door de kantonrechter niet gevolgd. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat onvoldoende acht zou zijn geslagen op zijn gerechtvaardigde belangen. Het tegendeel is het geval. De kantonrechter heeft namelijk geoordeeld dat [gedaagde] , ook al heeft hij geen contra-expertise laten uitvoeren, voorshands voldoende gemotiveerd heeft betwist dat de oorzaak van de lekkage (enkel) is gelegen in de kwaliteit van de dakbedekking en/of de uitvoering van zijn werkzaamheden. De kantonrechter heeft hierbij in aanmerking genomen dat de conclusies van [naam 2] en [naam 1] uitsluitend zijn gebaseerd op visuele inspecties en dit, in het licht van wat door [gedaagde] is aangevoerd, onvoldoende geacht voor een deugdelijk oordeel over de oorzaak van de lekkage. Uit de bewijsopdracht volgt reeds dat hun rapporten niet van doorslaggevend belang worden geacht.

2.7.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat de bewijsopdracht zinloos zou zijn en een deskundigenonderzoek niet meer mogelijk is nu [eiser] de dakbedekking inmiddels zelf heeft verwijderd. De kantonrechter wijst er in dit verband op dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een bewijsaanbod niet mag worden gepasseerd op grond van een prognose over het resultaat van de bewijslevering. De rechter mag niet op grond van een waardering van het reeds beschikbare bewijs aan een bewijsaanbod voorbijgaan. Daarmee zou immers vooruit worden gelopen op het resultaat van de bewijslevering die nog moet plaatsvinden. Ook in dit licht ziet de kantonrechter dus geen aanleiding tot heroverweging. De vraag of het mogelijk is om aan de hand van de beschikbare uitsneden de dakbedekking op kwaliteit (vóór verwijdering) te onderzoeken en op basis van dat onderzoek te komen tot een betrouwbare beantwoording van de gestelde vragen, zal aan de deskundige worden voorgelegd. De opmerkingen van [gedaagde] zijn in dit stadium voorbarig en worden daarom gepasseerd.

2.8.

De kantonrechter tekent verder nog aan dat bij tussenvonnis van 4 april 2019 iedere verdere beslissing is aangehouden en dus over een aantal geschilpunten, waaronder de omvang van de schade en de deskundigheid van ( [naam 2] en) [naam 1] , nog dient te worden beslist. Deze punten en de daarop betrekking hebbende stellingen van partijen komen dan ook, voor zover relevant, in een later stadium van deze procedure aan de orde.

2.9.

Het staat [gedaagde] uiteraard vrij om na het te wijzen eindvonnis hiertegen hoger beroep in te stellen. Dat wat [gedaagde] overigens nog heeft opgemerkt over de ondeugdelijkheid van het tussenvonnis van 4 april 2019, daaronder mede begrepen het oordeel dat de eis in reconventie in deze procedure niet wordt toegelaten, laat de kantonrechter thans verder onbesproken. De kantonrechter heeft aan dat wat zij bij tussenvonnis over dit laatste punt heeft overwogen, niets toe te voegen.

2.10.

De kantonrechter volhardt dus in dat wat in het tussenvonnis van 4 april 2019 is overwogen en beslist.

2.11.

Niet alleen [eiser] , maar ook [gedaagde] heeft [A] bij akte als mogelijk te benoemen deskundige voorgesteld. De kantonrechter zal haar dan ook bij afzonderlijk vonnis als deskundige benoemen, indien zij zich daartoe in staat en bereid verklaard.

2.12.

Niet alleen [eiser] , maar ook [gedaagde] heeft verklaard zich te kunnen vinden in de vragen die door de kantonrechter onder 1, 3 en 4 in punt 4.7. van het tussenvonnis van
4 april 2019 zijn geformuleerd. [gedaagde] heeft daarnaast een negental vragen geformuleerd en de onder 2 in punt 4.7. door de kantonrechter geformuleerde vraag geherformuleerd. De kantonrechter zal de vragen, mede naar aanleiding van de opmerkingen van [gedaagde] , aanpassen c.q. aanvullen en aan de deskundige voorleggen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. De kantonrechter tekent hierbij aan dat zij met de vraagstelling aan de deskundige beoogt nader inzicht te krijgen in de kwaliteit van de dakbedekking. De vraagstelling zal daarop dus worden gericht en niet ruimer worden getrokken.

2.13.

In de vorige beslissing is al aangekondigd door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden gedeponeerd, namelijk [eiser] .

2.14.

De kantonrechter herhaalt dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De kantonrechter zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing is omschreven.

2.15.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan direct afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

2.16.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Aan welke eigenschappen dient een bitumen dakbedekking, aangebracht op een
30 jaar oud dakbeschot van vlasvezelplaat op een garage van 30 jaar oud, te voldoen om te kwalificeren als deugdelijke dakbedekking met een levensduur van ten minste 10 jaar?

2. Kunt u aan de hand van enkel de u ter beschikking gestelde uitsneden (waarvan [eiser] stelt dat die afkomstig zijn van de dakbedekking die eind 2013 door [gedaagde] op het garagedak van [eiser] is aangebracht) en zonder visuele inspectie van de dakbedekking vóór verwijdering, de kwaliteit bepalen die de dakbedekking had voordat verwijdering van de dakbedekking plaatsvond?

Graag uw antwoord motiveren.

3. Zo ja, kunt u op basis van onderzoek van de uitsneden op kwaliteit (uitgaande van de staat vóór uitsnijden) komen tot een betrouwbare beantwoording van de hierna gestelde vragen?

Graag uw antwoord motiveren.

4. Bevatten de u ter beschikking gestelde uitsneden (uitgaande van de staat vóór verwijdering) de eigenschappen die u heeft vermeld in uw antwoord op vraag 1? Zo niet, welke afwijkingen neemt u waar, en welke invloed hebben de waargenomen afwijkingen op de kwaliteit van de dakbedekking en in het bijzonder op de waterbestendigheid daarvan?

5. Heeft het (meermaals) belopen van de dakbedekking en/of het plaatsen van zonnepanelen invloed op de kwaliteit van de dakbedekking en in het bijzonder op de waterbestendigheid daarvan?

Zo ja, welke invloed?

Maakt het voor uw oordeel uit of de zonnepanelen zijn geplaatst door een erkend bedrijf, dan wel door een niet-erkend bedrijf dan wel een particulier?

Zo ja, wat maakt dit uit?

6. Is de omstandigheid dat een lekkage is opgetreden in het midden van het betrokken dakvlak nog van invloed op uw beantwoording van de voorgaande vragen?

Zo ja, in welke zin?

7. Heeft u voor het overige nog op- en/of aanmerkingen die voor de beoordeling van de zaak relevant zijn?

3.2.

bepaalt dat de deskundige bij afzonderlijke beschikking wordt benoemd;

het voorschot

3.3.

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:

  • -

    de deskundige dient binnen drie weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten;

  • -

    de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen;

  • -

    partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting;

  • -

    indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag;

  • -

    indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing;

3.4.

bepaalt dat [eiser] het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;

3.5.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;

het onderzoek

3.6.

bepaalt dat beide partijen hun procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen;

3.7.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige, zo nodig in overleg met partijen, te bepalen tijd en plaats;

3.8.

wijst de deskundige erop dat:

  • -

    de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);

  • -

    de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen;

  • -

    de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;

  • -

    de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan;

  • -

    indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd;

3.9.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek;

het schriftelijk rapport

3.10.

draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

3.11.

wijst de deskundige erop dat:

  • -

    uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;

  • -

    de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden;

3.12.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het conceptrapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het conceptrapport te reageren;

tot slot

3.13.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2019.