Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:7780

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2019
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
01/865017-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel.

Verwerping verweer ten aanzien van rechtsmacht.

Gelet op het bepaalde in artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet ook van toepassing op de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland, te weten in dit geval in Duitsland, hebben plaatsgevonden. Aan de Nederlandse rechter komt ten aanzien daarvan dan ook rechtsmacht toe.

Bewezenverklaring mensenhandel ex art. 273f Sr, sub 4, sub 6 en sub 9.

Partiële vrijspraak ten aanzien van tenlastegelegde periode en art. 273f Sr sub 1 en sub3.

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en aftrek van voorarrest.

Beslag: verbeurdverklaring van een mobiele telefoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865017-19

Datum uitspraak: 04 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië), op [geboortedatum] 1999,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in de P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 april 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 20 juni 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 28 januari 2019 te Eindhoven en/of Vaals en/of Hamburg, in elk geval in Nederland en/of Duitsland en/of Roemenië

[slachtoffer] heeft medegenomen en/of aangeworven met het oogmerk die [slachtoffer]

in een ander land, te weten Nederland en/of Duitsland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

en/of

een ander of anderen, te weten [slachtoffer] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitlijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie [slachtoffer] ,

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 1°) en/of

- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het

verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die

omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte

en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden

dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van

arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of

- ( telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting

van die [slachtoffer] , (sub 6°) en/of

- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst

van haar, [slachtoffer] , seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling (sub 9°)

immers heeft hij, verdachte;

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met de dood) bedreigd en/of - die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal geslagen en/of gestompt en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal gedwongen geld aan hem, verdachte te

geven en/of over te maken en/of

- de (prostitutie)werkzaamheden van die [slachtoffer] en/of de inkomsten daarvan gecontroleerd en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal vervoerd naar zogenaamde werkplaatsen

en/of - de identiteitskaart en/of portemonnee van die [slachtoffer] in handen gehad en/of gehouden en/of

- de dochter van die [slachtoffer] bij zijn ouders laten verblijven en/of

- gedreigd die dochter bij [slachtoffer] weg te houden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zullen deze in de bewezenverklaring worden verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de tenlastegelegde feiten die in Duitsland zouden hebben plaatsgehad. Ten aanzien van dat gedeelte van het feitencomplex, dat volgens de verdediging los staat van de feiten die de verdachte worden verweten en die in Nederland zouden zijn gepleegd, ontbreekt het de Nederlandse rechter aan rechtsmacht, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie kunnen gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht ook in Nederland worden vervolgd, mits deze gedragingen deel uitmaken van een strafbaar feit dat zowel in Nederland als in het buitenland is gepleegd. Om rechtsmacht te kunnen aannemen moet het daarbij gaan om hetzelfde feitencomplex. In dat geval geldt de rechtsmacht voor het gehele feitencomplex.

De rechtbank komt, zoals overwogen in de navolgende rechtsoverwegingen, tot het oordeel dat daarvan sprake is. De aan verdachte in de tenlastelegging verweten varianten van mensenhandel hebben niet alleen in Duitsland, maar ook in Nederland, te weten in Eindhoven, plaatsgehad en vormen een en hetzelfde feitencomplex. Gelet op het bepaalde in artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet ook van toepassing op de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland, te weten in Duitsland, hebben plaatsgevonden. Aan de Nederlandse rechter komt ten aanzien daarvan dan ook rechtsmacht toe.

Het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt verworpen, de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen.

De overige voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding

De rechtbank gaat op grond van de in de bijlage weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden, die overigens niet zijn betwist.

Het slachtoffer mevrouw [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer] ) is vanuit Roemenië naar Hamburg (Duitsland) gereisd om in de prostitutie te gaan werken. Ze heeft daar in de maanden november en december 2018 en in januari 2019 gewerkt. Verdachte is na ongeveer een maand ook naar Hamburg gekomen.

Vervolgens wilden verdachte en [slachtoffer] in januari 2019 terug naar Roemenië reizen via Nederland. Op de luchthaven van Eindhoven zijn zowel verdachte als [slachtoffer] op 28 januari 2019 door de marechaussee gehoord. De aanleiding hiervoor was dat [slachtoffer] opviel door haar lichamelijke toestand en haar gedrag. Verdachte verklaarde [slachtoffer] enkele dagen eerder in Duitsland te hebben mishandeld. Verdachte is hierop aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de modaliteit zoals tenlastegelegd onder artikel 273f lid 1 sub 3 van het Wetboek van Strafrecht heeft de verdediging primair vrijspraak bepleit, subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft tevens vrijspraak bepleit ten aanzien van al het overige (de modaliteiten van mensenhandel tenlastegelegd onder artikel 273f lid 1 sub 1, lid 1 sub 4, lid 1 sub 6 en lid 1 sub 9 van het Wetboek van Strafrecht).

Het oordeel van de rechtbank.

Het wettelijk kader.

Aan verdachte is het delict mensenhandel tenlastegelegd. Een wezenlijk bestanddeel van diverse varianten van het delict mensenhandel is dat sprake is van uitbuiting en/of dat het oogmerk van de verdachte daarop is gericht. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat instemming met de uitbuiting niet in de weg hoeft te staan aan bewezenverklaring van die uitbuiting, indien één van de in de wet omschreven dwangmiddelen is gebruikt. De beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om een gedwongen karakter van het prostitutiewerk aan te nemen. Er hoeft in dat geval geen sprake te zijn geweest van een zodanige dwang of druk dat voor het slachtoffer geen andere keuze meer mogelijk was. De rechtbank mag (mede) uit de omstandigheden afleiden dat er sprake is van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. Vereist is wel dat de verdachte zich hiervan bewust moet zijn geweest. Van een uitbuitingssituatie in de prostitutie kan worden gesproken wanneer de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin de ‘gemiddelde mondige prostituee in Nederland’ verkeert, die zelf bepaalt voor wie, maar ook waar, wanneer, met wie en onder welke omstandigheden zij werkt.

Partiële vrijspraak periode 1 januari 2018 tot 1 november 2018

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de beschikbare bewijsmiddelen onvoldoende komen vast te staan dat verdachte zich in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 1 november 2018 heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde handelingen en dwangmiddelen. Hoewel vaststaat dat verdachte zich ook in deze periode heeft bevoordeeld uit de opbrengsten van de werkzaamheden van [slachtoffer] , kan niet vastgesteld worden dat daarbij sprake is geweest van seksuele uitbuiting of dat verdachte in deze periode dwangmiddelen heeft toegepast als opgenomen in de tenlastelegging.

Gelet hierop acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de tenlastelegging omschrevene in de periode van 1 januari tot 1 november 2018 heeft begaan, zodat de verdachte van dit deel van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Partiële vrijspraak artikel 273f lid 1 sub 1 en 3 van het Wetboek van Strafrecht

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de beschikbare bewijsmiddelen niet met voldoende zekerheid komen vast te staan dat verdachte in de periode van 1 november 2018 tot 28 januari 2019 [slachtoffer] heeft meegenomen en/of heeft aangeworven met het oogmerk haar ertoe te brengen zich in het buitenland beschikbaar te stellen voor seksuele handelingen met derden tegen betaling. Verdachte wordt daarom van dit deel van het tenlastegelegde (sub 3) vrijgesproken.

Aangezien [slachtoffer] zelf naar het buitenland is gereisd en noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] met het oogmerk van seksuele uitbuiting heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen wordt verdachte tevens vrijgesproken van het tenlastegelegde deel dat hierop ziet (sub 1).

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zijn de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen als bijlage aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van sub 4

Onder sub 4 is aan verdachte ten laste gelegd dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel het onder die omstandighe(i)d(en) ondernemen van enige handeling(en) waarvan verdachte wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte tegen [slachtoffer] gebruik heeft gemaakt van de dwangmiddelen dwang, geweld, dreiging met geweld, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.

Uit de sms-berichten die tussen verdachte en [slachtoffer] zijn uitgewisseld in de periode van 1 november 2018 tot 28 januari 2019 volgt dat verdachte geweld tegen haar gebruikte als ze niet genoeg geld had verdiend. Ook werd [slachtoffer] meermalen bedreigd met geweld. Ze werd vergeleken met andere dames die meer geld verdienden doordat ze andere seksuele handelingen uitvoerden dan [slachtoffer] welke hogere opbrengsten zouden genereren. Uit de berichten blijkt dat [slachtoffer] meerdere malen is geslagen door verdachte en verdachte [slachtoffer] bedreigt met geweld in termen als “ik zweer op mijn dochter dat als jij nog een keer zonder geld thuis komt, ik sla jouw hoofd tegen de muur” en “Als ik niet tevreden ben met hoeveel geld jij brengt ik sla je kapot”. [slachtoffer] sms’t “ontzettend veel pijn aan haar hoofd te hebben (9 december 2018), dat verdachte haar met de vuist heeft geslagen, ze haar hoofd niet meer op het kussen kan leggen van de pijn (1 januari 2019). Ook bij aankomst in Nederland in januari 2019 oefent verdachte dwang uit op [slachtoffer] . Op het vliegveld in Eindhoven constateert de marechaussee dat [slachtoffer] stijf loopt en zich zichtbaar moeizaam verplaatst door de terminal van Eindhoven Airport. Uit de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] de hele tijd onder toezicht van verdachte is en dat verdachte dominant gedrag vertoont. Dit blijkt onder andere uit het feit dat hij zich op een gegeven moment voorover buigt en [slachtoffer] met een wijzende vinger aanspreekt en hierbij in haar gezicht prikt/drukt op een zichtbare verkleuring. [slachtoffer] deinst geschrokken terug en wrijft hierna over haar gezicht. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte [slachtoffer] begeleidt door het controle hekje en haar hierbij zichtbaar stevig vastpakt bij haar rechter bovenarm. Medewerkers van de security-check melden hierna aan de marechaussee dat bij hen een jongedame zit die mishandeld is en die in het gezelschap is van een man, in wiens aanwezigheid zij niet durft te praten. De marechaussee gaat ter plaatse en ziet [slachtoffer] , die zit te beven. Zij heeft verschillende, zichtbare verwondingen in het gezicht. De marechaussee heeft bovendien gerelateerd dat [slachtoffer] – nadat ze werd meegenomen naar het kantoor van de marechaussee – met zeer zachte en trillende stem praatte, waardoor de tolk haar meerdere malen heeft moeten verzoeken om duidelijker te praten, en dat ze voortdurend zat te beven. De rechtbank leidt uit dit alles af dat verdachte op de verwondingen in het gezicht van [slachtoffer] heeft geprikt/gedrukt en haar stevig heeft vastgepakt met als gevolg dat [slachtoffer] zich, tijdens haar verblijf op het vliegveld in Eindhoven, angstig en erg onzeker voelde.

Met betrekking tot het bestanddeel ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ geldt dat misbruik kan worden verondersteld, indien de tewerkgestelde in een situatie verkeert of komt te verkeren, die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.

Met betrekking tot het bestanddeel ‘een kwetsbare positie’ geldt dat daaronder mede wordt begrepen: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.”

Er zijn verschillende omstandigheden die maken dat van deze dwangmiddelen sprake is. Verdachte en [slachtoffer] hebben een langdurige liefdesrelatie. Op enig moment is besloten dat [slachtoffer] in de prostitutie zou gaan werken om geld te verdienen. [slachtoffer] is nadat ze een periode in de prostitutie heeft gewerkt zwanger huiswaarts gekeerd en is bij verdachte en haar schoonhouders gaan wonen. Omdat de familie onvoldoende middelen had om rond te komen en verdachte en zijn ouders werkloos zijn, is [slachtoffer] , na de geboorte van haar dochtertje, wederom uit Roemenië vertrokken om in de prostitutie geld te gaan verdienen. Dit geld stuurde ze eens in de twee weken naar Roemenië. [slachtoffer] was de enige die voor een inkomen zorgdroeg. Verdachte wist op dat moment dat [slachtoffer] in een moeilijke situatie zat. Ze moest haar schoonouders, die voor haar op dat moment pas enkele maanden oude baby zorgden, van inkomsten voorzien om van te leven. Er was voor [slachtoffer] in de gegeven omstandigheden geen andere aanvaardbare keuze te maken dan voor verdachte en diens familie in de prostitutie te werken. Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen dat sprake is van een relationele ongelijkheid tussen verdachte en het slachtoffer, waarbij verdachte [slachtoffer] duidelijk (fysiek, maar ook mentaal) overheerst.

Door het toepassen van de hiervoor genoemde dwangmiddelen heeft verdachte [slachtoffer] in een situatie gebracht waarin zij zich beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard. Het opzet van verdachte was hierop, gelet op de tekst van de sms-berichten tussen verdachte en [slachtoffer] , ook gericht. [slachtoffer] is met dit alles in een situatie komen te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland (of in Duitsland) pleegt te verkeren. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, nu verdachte naar het oordeel van de rechtbank de vorenstaande dwangmiddelen heeft gebruikt, de eventuele instemming van [slachtoffer] met het verrichten van werkzaamheden in de prostitutie, niet relevant is voor de bewezenverklaring van het onder sub 4 tenlastegelegde.

Ten aanzien van sub 6

Onder sub 6 is aan verdachte tenlastegelegd dat hij (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer] .

Uitbuiting

Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting (…). Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van uitbuiting zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald van belang, waarbij de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader dienen te worden gehanteerd (HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099). Nu uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [slachtoffer] door verdachte werd gedwongen te blijven werken, terwijl zij op bepaalde momenten aangaf dat ze niet meer kon of niet meer voor hem wilde werken, dat zij meer geld moest verdienen door andere seksuele handelingen te verrichten of ondergaan dan zij zelf op dat moment kennelijk wilde of deed, verdachte controleerde hoeveel geld zij verdiende en zij de geldbedragen die zij verdiende vervolgens (grotendeels) moest afstaan aan verdachte, is sprake van het opzettelijk voordeel trekken uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer] , waarbij verdachte ook opzet had op die uitbuiting.

Ten aanzien van sub 9

Aan verdachte is onder sub 9 tenlastegelegd dat hij [slachtoffer] heeft gedwongen dan wel bewogen om hem te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling. Daarbij is (wederom) niet van belang of [slachtoffer] vrijwillig in de prostitutie werkzaam was of niet. Wel is relevant dat verdachte haar dwong – met de hiervoor onder het kopje ‘ten aanzien van onder sub 4’ bewezen geachte dwangmiddelen – om hem met haar geld te bevoordelen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank afdoende uit de bewijsmiddelen blijkt. Immers, uit de sms-berichten blijkt dat verdachte [slachtoffer] dwong om meer geld te verdienen en het geld dat zij verdiende met haar werk als prostituee (grotendeels) aan hem af te staan.

De rechtbank is van oordeel dat, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder het kopje ‘ten aanzien van sub 4’ is overwogen, de hiervoor bewezen geachte mensenhandel zich voortzette op de luchthaven in Eindhoven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de (hierboven toegelichte) bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 1 november 2018 tot en met 28 januari 2019

te Eindhoven en Hamburg telkens door dwang, geweld, dreiging met geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie [slachtoffer] ,

  • -

    heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en

  • -

    telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] , (sub 6°) en

  • -

    [slachtoffer] heeft gedwongen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [slachtoffer] , seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 9°)

immers heeft hij, verdachte;

- die [slachtoffer] meermalen bedreigd en - die [slachtoffer] meermalen geslagen en gestompt en

- die [slachtoffer] meermalen gedwongen geld aan hem, verdachte te geven en- de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer] en de inkomsten daarvan gecontroleerd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie vordert voorts bijzondere voorwaarden in de vorm van een contractverbod met het slachtoffer, [slachtoffer] .

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank bij een veroordeling rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte blijkens zijn justitiële documentatie geen soortgelijke eerdere veroordelingen heeft, het een relatief korte pleegperiode betreft en er nog steeds sprake is van een affectieve relatie tussen verdachte en [slachtoffer] , die men ook na detentie wenst voort te zetten. Verdachte en [slachtoffer] hebben samen een dochter en het gezin wil herenigd worden. De verdediging verzoekt de rechtbank een straf op te leggen die op korte termijn voor een gezinshereniging kan zorgen en geeft de rechtbank daarbij in overweging om een voorwaardelijk strafgedeelte op te leggen

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten opzichte van (zijn eigen vriendin) [slachtoffer] , tevens moeder van zijn dochter. Verdachte heeft hiervan geprofiteerd aangezien het geld wat [slachtoffer] hiermee heeft verdiend (deels) door verdachte werd gecontroleerd en aan hem werd afgedragen. Verdachte heeft [slachtoffer] bedreigd met geweld en meerdere malen – zo bleek tevens ter terechtzitting van 20 juni 2019 – ook daadwerkelijk (fors) mishandeld. Verdachte heeft gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van [slachtoffer] . Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Dat aan het handelen van verdachte – tijdelijk – een einde is gekomen, is enkel te danken aan het ingrijpen van de marechaussee, toen zij opmerkten dat [slachtoffer] er zwaar toegetakeld uitzag en duidelijk bang was voor verdachte op het vliegveld te Eindhoven.

Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] en haar lichamelijke integriteit aangetast. De bedreigingen en het geweld moeten een grote indruk op haar hebben gemaakt. [slachtoffer] bevindt zich in een afhankelijke positie van verdachte aangezien hij de vader is van haar dochter die woonachtig is bij de ouders van verdachte en ze als weinig weerbaar wordt ingeschat. Verdachte lijkt de ernst van het door hem aan [slachtoffer] aangedane leed niet dan wel onvoldoende in te zien.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het door de reclassering opgestelde advies van 25 maart 2019 (opgesteld door [reclasseringswerker] en [unitmanager] ). De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en ziet geen aanwijzingen voor een verstandelijke beperking. Bij een veroordeling wordt een straf geadviseerd zonder bijzondere voorwaarden. Reclasseringstoezicht is niet uitvoerbaar aangezien verdachte geen Nederlands spreekt en na zijn detentie voornemens is terug te keren naar Roemenië.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank een minder lange periode bewezen acht dan de officier van justitie en de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf wordt een proeftijd van 2 jaar gekoppeld. Voorts zal de rechtbank aan deze voorwaardelijke straf geen bijzondere voorwaarde(n) koppelen, ook niet in de vorm van een contactverbod zoals door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat een contactverbod in Nederland geen doel dient, nu verdachte en het slachtoffer ter zitting kenbaar hebben gemaakt met elkaar verder te willen en ze in de toekomst samen met hun dochter een gezin willen vormen.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 273f.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mensenhandel verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten:

een zwarte mobiele telefoon merk Myria, type wide 2

Dit vonnis is gewezen door:

mr. B.A.J. Zijlstra, voorzitter,

mr. L. Soeteman en mr. A.A. Jhoeri, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E.J. Huijskens, griffier,

en is uitgesproken op 4 juli 2019.