Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:7776

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
7094163 \ CV EXPL 18-5985
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht, ontbinding en ontruiming wegens overlast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 7094163 \ CV EXPL 18-5985

Vonnis van 25 juli 2019

in de zaak van:

de stichting Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl, h.o.d.n. Woonbedrijf,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

gemachtigde: mr. B. Poort,

t e g e n :

1 [bewindvoerder gedaagde sub 1] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [A] ,

2. [bewindvoerder gedaagde sub 2] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [A] ,

beiden kantoorhoudende te [woonplaats] ,

3. [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

gemachtigde: mr. B. Kaya.

Partijen worden hierna genoemd “Woonbedrijf” en “de bewindvoerders” voor gedaagde sub 1 en 2 en “ [gedaagde sub 3] ” voor gedaagde sub 3 en “gedaagden” voor alle gedaagden gezamenlijk.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt onder meer uit het volgende:

 het tussenvonnis van 28 februari 2019 en de daarin genoemde stukken;

 een brief d.d. 8 maart 2019 met productieoverzicht van de gemachtigde van Woonbedrijf met producties 57 en 58;

 een productieoverzicht met aanvullende producties 59 tot en met 64 van Woonbedrijf d.d. 19 juni 2019;

 een productieoverzicht met de aanvullende productie 65 van Woonbedrijf d.d. 25 juni 2019;

 de aantekening van de griffier van de zitting van 27 juni 2019 waarbij

mr. Poort een notitie heeft overgelegd.

1.2.

Tot slot is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Op de zitting op 7 januari 2019 is de overlast die [A] (zou) veroorzaken uitvoerig besproken en is daarop besloten om [A] zes maanden in de gelegenheid te stellen te bewijzen dat zij zich als een goed huurder kan gedragen.

2.2.

Woonbedrijf heeft bij brief van 8 maart 2019 aangegeven dat zij na de mondelinge behandeling van 7 januari 2019 nieuwe overlastmeldingen heeft ontvangen (op 3 en 7 februari, 9, 16 en 28 mei 2019) die bestaan uit vervuiling van de tuin en een ernstig incident met de hond. Woonbedrijf heeft daarom verzocht zo spoedig mogelijk een nieuwe zitting te bepalen. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 juni 2019. Op deze zitting waren aanwezig twee medewerkers van Woonbedrijf en de gemachtigden mr. Poort en mr. Kaya. Tevens is verschenen de zoon van [A] , dhr. [B] . De bewindvoerders en de rechthebbende zijn niet verschenen.

2.3.

Op de mondelinge behandeling zijn bovengenoemde meldingen besproken. Woonbedrijf heeft aangevoerd dat de overlast al dateert van 2016 en dat deze na het tussenvonnis niet is gestopt, hetgeen blijkt uit de overlastmeldingen en de foto's op de genoemde data. Dat het de afgelopen week blijkbaar alsnog gelukt is het vuilnis in de tuin op te ruimen is te laat; dit had veel eerder moeten gebeuren. Uit de meldingen blijkt voldoende dat [A] er niet in is geslaagd zich als een goed huurder te gedragen. Verder heeft [A] haar hoofdverblijf niet (meer) in het gehuurde; zij is na de eerste mondelinge behandeling korte tijd in het gehuurde geweest, maar ze is vrij snel weer vertrokken naar Turkije. Woonbedrijf wil geen afspraken meer maken om de zaak op te lossen. Voor haar en omwonenden is de maat vol.

2.4.1.

[B] betwist uitdrukkelijk dat na de zitting van 7 januari 2019 overlast veroorzaakt is. Hij heeft de hond te koop aangeboden op Marktplaats en is bezig om de tuin en alle vuilniszakken op te ruimen. Hij toont eiseres en de kantonrechter foto’s op zijn mobiele telefoon die hij genomen heeft één uur voor de zitting om aan te tonen dat hij zich heeft ingespannen om alles op te ruimen.

2.4.2.

De bewindvoerders hebben aangevoerd dat [A] haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Dat [A] niet op de zitting aanwezig is kan niet tot de conclusie leiden dat zij haar hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. Wat betreft de overlast hebben alle meldingen - volgens de bewindvoerders - vermoedelijk te maken met andere buren. De bewindvoerders erkennen dat er een incident met de hond is geweest, maar dat ze bereid zijn de hond weg te doen.

2.5.

De vraag is of er sprake is van zodanig overlastgevend gedrag van [A] dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

2.6.

Woonbedrijf baseert haar vordering op het veroorzaken van overlast aan omwonenden en het niet hebben van hoofdverblijf in het gehuurde. De nadruk ligt echter op de overlast. Ter onderbouwing daarvan heeft Woonbedrijf een groot aantal producties in het geding gebracht. Uit de (geluids)overlastmeldingen blijkt dat deze de periode van 2016 tot half juni 2019 bestrijken. Gedurende een periode van bijna drie jaar blijkt derhalve van ontoelaatbare (geluids)-overlast veroorzaakt door [A] aan de omwonenden in haar woonomgeving.

2.7.

De producties 21 tot en met 65 betreffen meldingen en foto’s ter zake overlast. Het gaat om meer dan 20 meldingen. Ook heeft Woonbedrijf brieven overgelegd waaruit blijkt dat zij diverse huisbezoeken heeft afgelegd, [A] heeft uitgenodigd voor gesprekken, met [A] afspraken over het staken van de overlast heeft gemaakt en dat [A] dringend is verzocht en gesommeerd de tuin te onderhouden. Na de zitting van 7 januari 2019 heeft [A] alsnog de kans gekregen om elke vorm van overlast te staken en haar tuin te onderhouden, doch tevergeefs. Verder is sprake geweest van een ernstig incident met de hond, terwijl [A] op de zitting in januari al heeft toegezegd de hond de deur uit te doen.

Dit alles leidt tot de conclusie dat sprake is van ernstige en structurele overlast en dat [A] meer dan voldoende gelegenheid is gegevan daaraan een einde te maken.

2.8.

Hoewel namens de bewindvoerders is gesteld dat een aantal meldingen te maken heeft met een overlast veroorzakende buurman, hebben de bewindvoerders die stelling tegenover de gemotiveerde betwisting door Woonbedrijf niet voldoende onderbouwd, zodat aan die stelling wordt voorbijgegaan.

2.9.

Gelet op het voorgaande kan niet langer van Woonbedrijf worden gevergd dat zij de huurovereenkomst met [A] voortzet. Daaraan kan niet afdoen dat de problemen te maken zouden hebben met ziekte van [A] met als gevolg dat zij taken moet overlaten aan haar zoons, noch haar stelling dat zij regelmatig in Turkijke verblijft in verband met ziekte van familieleden. [A] heeft meer dan voldoende kansen gehad, zodat haar woonbelang onder deze omstandigheden moet wijken voor het belang van Woonbedrijf bij een leefbare woonomgeving voor omwonenden. De uitzonderingsgrond van artikel 6:265, eerste lid, BW doet zich daarom niet voor. Dat leidt ertoe dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming op de hierna te vermelden wijze zullen worden toegewezen.

2.10.

Aan een zogeheten ‘terme de grâce’ -om zo nog de gelegenheid te krijgen haar verplichtingen uit de huurovereenkomst na te komen- wordt niet toegekomen omdat [A] meer dan voldoende kansen heeft gehad. Met betrekking tot het vastleggen van gedragsafspraken heeft Woonbedrijf onweersproken aangevoerd dat zij dit al meerdere keren zonder succes heeft geprobeerd. Deze verzoeken worden dan ook afgewezen.

2.11.

De bewindvoerders zullen, in hun hoedanigheid als bewindvoerders, als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Woonbedrijf worden begroot op € 99,91 wegens dagvaardingskosten, € 119,00 wegens griffierecht en € 630,00 (3,5 punten x tarief € 180,00) wegens gemachtigdensalaris (niet met btw belast), derhalve totaal € 848,91.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen nadat de bewindvoerders schriftelijk tot betaling van deze kosten zijn aangemaand.

2.12.

De bewindvoerders worden veroordeeld om uit het vermogen van [A] de verschuldigde bedragen te voldoen.

2.13.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toe-gewezen zoals in de beslissing is vermeld.

2.14.

De kantonrechter wijst erop dat indien het bewind over de goederen van [A] wordt beëindigd, [A] gehouden blijft aan de inhoud van dit vonnis uitvoering te geven.

5 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen Woonbedrijf en [A] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] ;

veroordeelt de bewindvoerders, in hun hoedanigheid van bewindvoerders over de goederen van [A] , dan wel de eventueel opvolgend bewindvoerder(s), om het gehuurde met al de hunnen en het hunne te laten verlaten en te laten ontruimen, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woonbedrijf te laten stellen;

veroordeelt de bewindvoerders, in hun hoedanigheid van bewindvoerders over de goederen van [A] , dan wel de eventueel opvolgend bewindvoerder(s), om uit het vermogen van [A] , aan Woonbedrijf de kosten van deze procedure te betalen, tot op heden begroot op een bedrag van € 848,91, waarin begrepen een bedrag van € 630,00 aan salaris van de gemachtigde, met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen nadat de bewindvoerders schriftelijk tot betaling van deze kosten zijn aangemaand.

veroordeelt de bewindvoerders in hun hoedanigheid van bewindvoerders over de goederen van [A] , dan wel de eventueel opvolgend bewindvoerder(s), uit het vermogen van [A] , in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 75,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de bewindvoerders niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis en met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen nadat de bewindvoerders schriftelijk tot betaling van deze kosten zijn aangemaand tot de dag der voldoening.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 juli 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.