Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:7732

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
7846298 / 19-301
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Snede toegebracht in wang kind tijdens spoedsectio. Niet naleven verzwaarde motiveringsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2020-0035 met annotatie van E.M. Deen
PS-Updates.nl GZR-2020-0035
JA 2020/44 met annotatie van klein Gunnewiek, P.J.
RAV 2020/38
VR 2020/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 7846298

EJ VERZ : 19-301

Beschikking van 17 december 2019 in een deelgeschil

in de zaak van:

1 [verzoeker],

2. [verzoekster],

beiden wonende te [woonplaats],

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige [minderjarige], wonende te [woonplaats],

verzoekende partij,

verder te noemen: [verzoeker c.s.] (ev),

gemachtigde: mr. F.B. van Batenburg,

tegen

de stichting Stichting Catharina Ziekenhuis,

gevestigd te Eindhoven,

verwerende partij,

verder te noemen: het ziekenhuis,

gemachtigde: mr. M.S.E. van Beurden.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoeker c.s.] heeft een verzoekschrift ingediend ter behandeling van een deelgeschil. Het ziekenhuis heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 22 oktober 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. Van het besprokene tijdens de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoeker c.s.] bij brieven van 18 oktober en 21 oktober 2019 nog stukken (aanvullende producties) toegezonden.

1.3.

Tot slot is een datum voor uitspraak bepaald.

2 De feiten

In dit deelgeschil kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.1.

Op 24 mei 2017 is [minderjarige] geboren door middel van een spoedkeizersnede. [minderjarige] is de zoon van [verzoeker c.s.] De operatie is uitgevoerd door gynaecoloog drs. [betrokkene], werkzaam op de afdeling gynaecologie van het ziekenhuis.

2.2.

Bij de ingreep is per abuis een snede van ongeveer 4 centimeter in de linkerwang van [minderjarige] aangebracht. Als gevolg van deze wond is ontsierend littekenweefsel ontstaan.

2.3.

Bij brief van 27 november 2018 van zijn advocaat heeft [verzoeker c.s.] het ziekenhuis en [betrokkene] aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van de snee door [minderjarige] geleden en nog te lijden schade.

2.4.

Bij brief van 7 februari 2019 (productie 3 verzoekschrift) heeft het ziekenhuis aansprakelijkheid afgewezen. Deze brief houdt onder meer in:

“(…)

[verzoekster] kwam bij een zwangerschap van 40+2 spontaan in partu. Zij werd overgenomen door het ziekenhuis omdat er sprake was van een niet vorderende ontsluiting en een pijnstillingsverzoek. Omdat er in het ziekenhuis sprake was van foetale nood en Verzoeker in levensgevaar kwam, is ervoor gekozen om een spoedsectio uit te voeren.

Bij deze spoedsectio is inderdaad een snee van ca. 4 cm op de linkerwang van Verzoeker ontstaan.

Dit is helaas een complicatie geweest tijdens een spoedingreep. Nu het om een complicatie gaat kunnen wij dan ook geen aansprakelijkheid erkennen voor het toebrengen van een snee.

(…)”

2.5.

Het ziekenhuis heeft in het kader van het sluiten van een minnelijke regeling aangeboden 50 % van de kosten te vergoeden van een eventuele cosmetische ingreep tot een maximum van € 500,--. Dit voorstel is door [verzoeker c.s.] niet geaccepteerd.

2.4.

[verzoeker c.s.] heeft het medisch dossier van het ziekenhuis voorgelegd aan een medisch adviseur, gynaecoloog dr. [betrokkene 2]. Het bij brief van 23 februari 2019 door [betrokkene 2] gegeven medisch advies (productie 4 verzoekschrift) houdt onder meer in:

“(…)

Dit geboortetrauma is veroorzaakt door het mes dat door de gynaecoloog werd gehanteerd bij het openen van de baarmoeder. Dit kan nooit de bedoeling zijn geweest. Er is derhalve sprake van een complicatie bij het kind die bij rustig en zorgvuldig incideren van de baarmoeder door de gynaecoloog vermijdbaar is en daarmee zeer zeldzaam.

Bij een spoedkeizersnede in verband met verdenking foetale nood is de kans op een iatrogene snede in het lichaam van de baby mogelijk iets groter dan bij een electieve keizersnede vanwege de haast om het kind geboren te laten worden. Niettemin is het ook bij een spoedkeizersnede natuurlijk nooit de bedoeling dat een dergelijke complicatie bij het kind ontstaat.

De snede is na de geboorte adequaat behandeld door de kinderarts en de plastisch chirurg.

Conclusie

Een snede in het lichaam van de baby tijdens een keizersnede, ook al wordt deze met spoed verricht in verband met verdenking foetale nood, is een geboortetrauma als gevolg van onzorgvuldig handelen door de gynaecoloog.

De baby heeft hierdoor onnodige schade opgelopen.

(…)”

2.5.

Nadat [verzoeker c.s.] het medisch advies van [betrokkene 2] aan het ziekenhuis had toegezonden, heeft het ziekenhuis bij brief van 11 april 2019 haar standpunt gehandhaafd en aansprakelijk afgewezen.

2.6.

Bij brief van 18 april 2019 heeft het ziekenhuis in het kader van het treffen van een minnelijke regeling een vergoeding van € 1.000,-- aan smartengeld en advocaatkosten aangeboden. [verzoeker c.s.] is met dit voorstel niet akkoord gegaan.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoeker c.s.] verzoekt de kantonrechter primair, zakelijk weergegeven, voor recht te verklaren dat het ziekenhuis aansprakelijk is jegens [minderjarige] voor de door hem geleden schade als gevolg van een medische fout en dat het ziekenhuis deze schade moet vergoeden. Daarnaast verzoekt [verzoeker c.s.] te bepalen dat het ziekenhuis gehouden is een voorschot van € 3.500,-- op het smartengeld te betalen binnen zeven dag na da datum van deze beschikking, vermeerderd met wettelijke rente en een vergoeding van € 4.063,47 aan buitengerechtelijke kosten over de periode van 5 november 2018 tot en met 12 april 2019 en een vergoeding van € 3.317,18 over de periode van 16 april 2019 tot heden. Subsidiair, voor het geval de aansprakelijkheid niet vaststaat, verzoekt [verzoeker c.s.] het ziekenhuis te veroordelen medewerking te verlenen aan een in gezamenlijk overleg uit te voeren deskundigenbericht.

3.2.

Het ziekenhuis voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat bij het beantwoorden van de vraag of het ziekhuis aansprakelijk is voor de gestelde medische fout het er niet om gaat of het handelen van de betrokken gynaecoloog beter had gekund, maar of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

4.2.

De kantonrechter stelt verder voorop dat de stelplicht en bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) ter zake van de medische fout op [verzoeker c.s.] rust.

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker c.s.] in dit geval aan zijn stelplicht voldaan. [verzoeker c.s.] stelt dat de door [betrokkene] toegebrachte snede in de wang van [minderjarige] het gevolg is van onzorgvuldig handelen bij het openen van de baarmoeder en hij onderbouwt dit met een medisch advies van [betrokkene 2]. Het ziekenhuis is volgens [verzoeker c.s.] aansprakelijk wegens tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (artikel 7:453 BW).

4.3.

Op het ziekenhuis rust een verzwaarde motiveringsplicht, waardoor het bewijsrisico van van [verzoeker c.s.] wordt verlicht. Deze verzwaarde motiveringsplicht houdt de verplichting in om voldoende feitelijke gegevens te verstrekken ter motivering van de betwisting van de stellingen van de patiënt teneinde deze aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Op het ziekenhuis rust daarmee onder meer ook de verplichting om toe te lichten wat in dit geval van een redelijk bekwaam en redelijk handelend gynaecoloog mocht worden gevergd.

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft het ziekenhuis in dit geval niet aan haar verzwaarde motiveringsplicht voldaan. Mede gelet op het door [verzoeker c.s.] overgelegde medisch advies heeft het ziekenhuis haar betwisting onvoldoende handen en voeten gegeven. Het ziekenhuis heeft namelijk onvoldoende toegelicht wat in dit geval van een redelijk bekwaam en redelijk handelend gynaecoloog mag worden verwacht en waarom [betrokkene] volgens het ziekenhuis in de gegeven omstandigheden daaraan heeft voldaan.

Het ziekenhuis stelt zich kennelijk op het standpunt dat te diep incideren als gevolg waarvan een snede bij de baby ontstaat in zijn algemeenheid bij een spoedsectio als complicatie moet worden beschouwd en niet als onzorgvuldig handelen. Het ziekenhuis kan op dit punt echter niet volstaan met een ongemotiveerde betwisting van het oordeel van [betrokkene 2] dat sprake is geweest van onzorgvuldig handelen. [betrokkene] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar een nadere toelichting gegeven die inhoudt dat in dit geval tegen zijn verwachting in sprake was van een dunne baarmoederwand en dat je in een spoedsituatie niet precies voelt hoe het kindje ligt, maar daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter toch een onvoldoende lezing gegeven van wat tijdens de medische behandeling is voorgevallen, welke mate van spoed was vereist en wat onder die omstandigheden van een gynaecoloog mag worden verwacht. Het ziekenhuis heeft dus – gelet op de toegebrachte snede bij [minderjarige] die ook volgens [betrokkene] niet de bedoeling was – onvoldoende toegelicht waarom in dit geval sprake is van handelen binnen de zorgvuldigheidsnorm die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend gynaecoloog mocht worden verwacht. De verwijzing naar uit onderzoek naar voren gekomen percentages van gevallen waarin bij een (spoed)sectio een snede bij de baby is opgetreden kan het ziekenhuis daarbij niet baten. Deze percentages (van minder dan 3 %) geven namelijk op zichzelf geen uitsluitsel over de vraag waar het in deze procedure om gaat, namelijk of de snede werd toegebracht als gevolg van onzorgvuldig handelen door de behandelend gynaecoloog. De aangehaalde onderzoeken zijn door het ziekenhuis ook niet overgelegd. De kantonrechter ziet zonder nadere toelichting door het ziekenhuis dan ook niet in welke conclusies aan het aangehaalde onderzoek kunnen worden verbonden voor dit concrete geval. Voor zover het ziekenhuis wenst te betogen dat deze percentages betekenen dat een snede in het lichaam van de baby bij een spoedkeizersnede niet het gevolg kan zijn van onzorgvuldig handelen, heeft zij dat eveneens onvoldoende toegelicht.

4.5.

Het gevolg van het voorgaande is dat de stellingen van Van [verzoeker c.s.] als onvoldoende gemotiveerd betwist op de voet van art. 149 Rv als vaststaand worden aangenomen (Hoge Raad 15 december 2006, NJ 2007/203). Deze deelgeschilprocedure leent zich immers niet voor een andere sanctie op het niet naleven van de verzwaarde motiveringsplicht (omdat deze procedure zich niet leent voor bewijslevering). Daarmee is in deze deelgeschilprocedure voldoende vast komen te staan dat sprake is van handelen in strijd met de hiervoor weergegeven zorgvuldigheidsnorm en dus van een tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Het ziekenhuis is daarom aansprakelijk voor de door [minderjarige] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de snede. De verzochte verklaring voor recht kan in die zin worden gegeven.

4.6.

Volgens [verzoeker c.s.] is nog geen sprake van een medische eindsituatie en is daarom nog geen definitieve schaderegeling mogelijk. Om die reden vordert hij in deze deelgeschilprocedure een voorschot op de schadevergoeding, bestaande uit een voorschot op het smartengeld. Het ziekenhuis heeft niet betwist dat nog geen medische eindsituatie bestaat, zodat de kantonrechter daar vanuit moet gaan. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de uitspraken uit de smartengeldgids waarbij [verzoeker c.s.] aansluiting zoekt in voldoende mate vergelijkbaar zodat het verzochte voorschot van € 3.500,-- toewijsbaar is. Ook de wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar.

4.7.

[verzoeker c.s.] verzoekt tot slot op grond van artikel 1019aa Rv de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW te begroten op een bedrag van (€ 4.063,47 + € 3.317,18 =) € 7.380,65 (productie 11 verzoekschrift en aanvullende productie). Daarbij inbegrepen zit een bedrag voor het medisch advies.

4.8.

Het ziekenhuis voert aan dat de gevorderde kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan omdat [verzoeker c.s.] daartoe onvoldoende heeft gesteld. De verhouding tussen de gemaakte kosten en de omvang van de schade is volgens het ziekenhuis niet redelijk. Vooraf moet er volgens het ziekenhuis rekening mee worden gehouden dat de schade niet hoog zal zijn zodat het niet redelijk is hoge kosten te maken.

4.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen de opgevoerde kosten zowel voor wat betreft het gehanteerde uurtarief en het totaal aantal gemaakte uren tot en met de mondelinge behandeling de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW doorstaan. De hoogte van de gemaakte kosten hangt deels samen met de betwisting van aansprakelijkheid door het ziekenhuis. Van een aan [verzoeker c.s.] toe te rekenen wanverhouding tussen de gemaakte kosten en schade is dus geen sprake, ook mede gelet op het feit dat de definitieve omvang van de schade nog niet vast staat. De kantonrechter zal de kosten daarom op een bedrag van € 7.380,65 begroten.

4.10.

Deze beschikking zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat de aard van de deelgeschilprocedure zich daartegen verzet.

De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat het ziekenhuis aansprakelijk is jegens [minderjarige] voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van de medische fout van de behandelaar ([betrokkene]) en dat het ziekenhuis deze schade moet vergoeden,

bepaalt dat het ziekenhuis gehouden is om binnen zeven dagen na de datum van deze beschikking een voorschot van € 3.500,-- op het smartengeld over te maken op het nog op te geven rekeningnummer van [minderjarige] met daarop van toepassing zijnde BEM-clausule vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van het voorval tot aan de dag der voldoening,

begroot de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van [verzoeker c.s.] op in totaal € 7.380,-- en veroordeelt het ziekenhuis dit bedrag aan [verzoeker c.s.] te betalen,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. M.J.M.A. van der Put, kantonrechter, en op

17 december 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.