Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:766

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
C/01/327938 / HA ZA 17-777 + C/01/335248 / HA ZA 18-406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 611a, lid 3 Rv. Voor het verbeuren van dwangsommen is niet vereist dat een grosse van het vonnis wordt betekend, een afschrift voldoet. Artikel 477 leden 3 en 4 Rv. Beslag op deposito. Onder de gegeven omstandigheden is het niet onrechtmatig van de bank dat de bank het deposito heeft opengebroken. Voor de gestelde onrechtmatigheid van ambtshandelingen van de deurwaarder kan niet het deurwaarderskantoor in rechte worden aangesproken, enkel de deurwaarder zelf. Correspondentie van de deurwaarder met de bank over het openbreken van het deposito in het kader van de executie van het vonnis, valt ook onder de ambtshandeling van de deurwaarder. Voor het verwijt dat het deposito onnodig is opengebroken moet de executant in rechte worden aangesproken, niet de door de executant ingeschakelde deurwaarder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Vonnis in gevoegde zaken van 13 februari 2019

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/01/327938 / HA ZA 17-777 van

de vereniging

FOCWA SCHADEHERSTEL,

gevestigd te Sassenheim,

eiseres,

advocaat mr. M. Stegeman te Oisterwijk,

tegen

1. naamloze vennootschap

F. VAN LANSCHOT BANKIERS N.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. F.J. Laagland te Eindhoven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JW GERECHTSDEURWAARDERS B.V.,

gevestigd te Harderwijk,

gedaagde,

advocaat mr. T. Smith-Hussein te 's-Gravenhage,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/01/335248 / HA ZA 18-406 van

de vereniging

FOCWA SCHADEHERSTEL,

gevestigd te Sassenheim, gem. Teylingen,

eiseres,

advocaat mr. M. Stegeman te Oisterwijk,

tegen

R.C.M. TREFFERS,

wonende te Breda,

gedaagde,

advocaat mr. T. Smith-Hussein te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Focwa, Van Lanschot, JW Gerechtsdeurwaarders en Treffers genoemd worden.

1 De procedure in de zaak 17-777

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 oktober 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 oktober 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 18-406

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 oktober 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 oktober 2018.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

Tussen leden van Focwa, hierna: de Geschorste Leden, en Focwa zijn op 6 en 10 november 2015 door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag twee verkorte vonnissen gewezen (hierna: de vonnissen).

3.2.

Op 6 november 2015 is op verzoek van de Geschorste Leden door W.A. Mies, gerechtsdeurwaarder, aan Focwa een exploot uitgebracht waarin staat vermeld dat is betekend: ‘de in executoriale vorm uitgegeven grosse van een verkort vonnis in kort geding op 6 november 2015 gewezen en uitgesproken door de Rechtbank Den Haag (…)’. Het bij dit exploot betekende vonnis was geen grosse maar een afschrift van het vonnis.

Op 11 november 2015 om 15:35 uur is op verzoek van de Geschorste Leden door drs. J.C. Haak, gerechtsdeurwaarder, aan Focwa een exploot uitgebracht waarin staat dat is betekend: ‘Een afschrift van een verkort vonnis in kort geding door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag, Team Handel, op tegenspraak gewezen d.d. 10 november 2015 (…)’. Het bij dit exploot betekende vonnis was geen grosse maar een afschrift van het vonnis.

Bij exploten van 18 december 2015, 14:38 uur, zijn de grossen van de vonnissen door A. Bouma, toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, aan Focwa betekend.

In het kader van de tenuitvoerlegging van de vonnissen werd onder meer op 18 december 2015 om 15:11 uur door Treffers, gerechtsdeurwaarder bij JW Gerechtsdeurwaarders, derdenbeslag gelegd onder Van Lanschot voor verbeurde dwangsommen, proceskosten, betekeningskosten en executiekosten.

3.3.

De door Van Lanschot op 15 januari 2016 afgelegde verklaring derdenbeslag houdt onder meer het volgende in:

‘Op datum beslaglegging heeft schuldenaar van de bank te vorderen van:

Spaar- depositorekening [rekening/depositonummer] € 222.491,80

Deposito [rekening/depositonummer] € 6.000.000,00 *

*Dit bedrag is niet direct opeisbaar, einddatum van 08-09-2016. Aan het tussentijds openbreken van dit contract zijn kosten verbonden, deze kosten komen voor rekening van de beslaglegger..’

3.4.

Bij brieven van 20 januari 2016 heeft JW Gerechtsdeurwaarders het volgende aan Van Lanschot medegedeeld:

‘Hierbij bevestigen wij de ontvangst van uw verklaring ex 476a Wetboek van Burgerlijke

Rechtsvordering.

U bent thans verplicht het daarin genoemde bedrag aan ons af te dragen, onder vermelding van bovengenoemd dossiernummer (…), op het hieronder vermelde bankrekeningnummer’.

3.5.

Vervolgens heeft tussen Van Lanschot en JW Gerechtsdeurwaarders de volgende e-mailwisseling plaatsgevonden:

3.5.1.

E-mail van 29 januari 2016 van JW Gerechtsdeurwaarders aan mevrouw [medewerkster Van Lanschot] van Van Lanschot inhoudende onder meer:

‘In reactie op uw e-mailbericht van 28 januari jl. vernemen wij graag van u hoeveel de kosten bedragen voor het openbreken van het deposito. Ook vernemen wij graag van u aan wie u voornoemde kosten in rekening brengt. Uit uw verklaring maakten wij op dat u die aan de beslaglegger in rekening brengt, maar nu er aanzienlijk meer onder het beslag valt dan cliënt te vorderen heeft, rekenen wij erop dat u voornoemde kosten in rekening brengt bij uw rekeninghouder.

Na uw reactie zullen wij met cliënt overleggen en u informeren over het openstaande saldo.’

3.5.2.

E- mail van 5 februari 2016 van [medewerkster Van Lanschot 2] van KreSer Support / Beslagen van Van Lanschot aan JW Gerechtsdeurwaarders inhoudende onder meer:

‘In uw schrijven van 20 januari jl vordert u het gehele bedrag dat beslagene van Van Lanschot te vorderen heeft. Omdat dit bedrag niet in verhouding staat tot de vorderingen waarvoor de beslagen zijn gelegd, hebben wij u verzocht om:

*ons te informeren op grond van welke wetsartikelen u de gelden vordert;

*ons te informeren wat het exacte te vorderen bedrag is (inclusief rente en kosten).

*

De kosten van het openbreken van het deposito bedragen EUR 7.200,--. de kosten komen

zoals in de derdenverklaring vermeld voor rekening van de beslaglegger. Het feit dat het bedrag van het deposito de vordering overschrijd is hierop niet van invloed. Indien u van mening bent dat dit anders ligt, dan ontvangen wij hiervan graag een onderbouwing.

Graag ontvangen van u het antwoord op de twee bovengenoemde vragen zodat wij tot

betaling van het te vorderen bedrag (inclusief rente en kosten) onder aftrek van de kosten voor het openbreken van het deposito kunnen overgaan.’

3.5.3.

E-mail van 8 februari 2016 van JW Gerechtsdeurwaarders aan mevrouw [medewerkster Van Lanschot 2] van Van Lanschot inhoudende onder meer:

‘Geachte mevrouw [medewerkster Van Lanschot 2] ,

Hartelijk dank voor uw bericht. Met betrekking tot de kosten van het openbreken van het deposito wenst cliënte graag een toelichting van u te vernemen. Immers maakt cliënte gebruik van haar wettelijk recht om zich, op alle

vermogensbestandsdelen van Focwa te verhalen, in dit geval dus de banksaldo’s. De kosten van tenuitvoerlegging komen ook voor rekening van Focwa. Zeker nu het beslag voor meer heeft doel getroffen dan de vordering van cliënte, lijkt het de juiste weg om de kosten van het verwerken van het bankbeslag (inclusief openbreken van het deposito) in rekening te brengen aan Focwa. Graag vernemen wij dan ook op welke gronden Van Lanschot meent om deze kosten in rekening te brengen aan cliënte. Na uw antwoord kan cliënte u berichten over het te vorderen bedrag.’

3.5.4.

E- mail van 9 februari 2016 van [medewerkster Van Lanschot] , administratief medewerker van Van Lanschot, aan JW Gerechtsdeurwaarders inhoudende onder meer:

‘In antwoord op uw mail van 8 februari 2016 het volgende.

Het beslag op het deposito betreft een beslag op een niet-opeisbare vordering. Krachtens artikel 474bb Rv betekent dit dat de beslaglegger als het ware de positie inneemt van de beslagene. Hij krijgt daarom het deposito met de mogelijkheid tot opzegging Uit uw correspondentie begrijpen wij dat u namens de beslaglegger van de opzeggingsmogelijkheid gebruik wilt maken. Zou u dat aan ons willen bevestigen?’

3.5.5.

E-mail van 10 februari 2016 van JW Gerechtsdeurwaarders aan mevrouw [medewerkster Van Lanschot] van Van Lanschot inhoudende onder meer:

‘In reactie op uw ingesloten email bericht ik u als volgt. U verzoekt ons aan te geven of wij gebruik willen maken van de opzeggingsmogelijkheid omdat u in dat geval de kosten van opzegging kunt verrekenen met de vordering die de beslaglegger op u heeft. Ik vermoed dat u in plaats van ‘beslaglegger’, ‘beslagene had willen vermelden.

De beslaglegger heeft namelijk geen vordering op u. Wij gaan ervan uit dat u bedoelt dat de kosten van opzegging eerst in mindering zullen worden gebracht op het door beslag getroffen saldo en dat daarna (volledig) aan ons kan worden afgedragen.

Graag verneem ik uw reactie naar aanleiding van het bovenstaande, waarna u weer bericht van ons zult ontvangen.’

3.5.6.

E- mail van 10 februari 2016 van Van Lanschot aan JW Gerechtsdeurwaarders inhoudende onder meer:

‘Geachte mevrouw [naam medewerkster JW Gerechtsdeurwaarders] ,

Voordat wij overgaan tot het overboeken van de te vorderen gelden ontvangen wij graag een

specificatie van het bedrag dat u vordert met daarin opgenomen:

*? ? ? ? het exacte bedrag van de vordering (inclusief rente en kosten);

*? ? ? ? het rekeningnummer ten gunste waarvan de betaling gedaan moet worden;

*? ? ? ? de bevestiging dat de beslagen van 18 december 20l5 komen te vervallen, na overmaking van het door u gevorderde bedrag;

de kosten van het openbreken bedragen maximaal EUR 7.200,00. Deze kosten brengen wij in mindering op het bedrag dat aan u wordt overgemaakt.

In afwachting van uw reactie.’

3.5.7.

E-mail van 12 februari 2016 van JW Gerechtsdeurwaarders aan Van Lanschot inhoudende onder meer:

‘Naar aanleiding van uw telefonisch verzoek om opgave van de vordering, wenst onze opdrachtgever te vernemen of het mogelijk is dat de inning van het beslag wordt aangehouden tot 8 september 2016, de datum waarom het deposito vrij komt.

Dit betekend dus niet dat het beslag wordt opgeheven, maar blijft rusten tot de hiervoor genoemde datum, waarna na het vrijkomen van het deposito een opgave van de vordering aan u wordt gedaan en u vervolgens kunt afdragen.

Alvorens het bovenstaande inwerking treedt, vernemen wij zoals eerder genoemd graag of het

bovenstaande mogelijk is.’

3.5.8.

E- mail van 12 februari 2016 van Van Lanschot aan JW Gerechtsdeurwaarders inhoudende onder meer:

‘Van: [medewerkster Van Lanschot 2] (…)

Verzonden: vrijdag 12 februari 2016 15:36 (…)

Onderstaande berichtgeving is helaas onjuist, wij verzoeken u onderstaande mail als niet verzonden te beschouwen.

Onze Juridische afdeling heeft het dossier momenteel in behandeling.

Wij komen hier zo snel mogelijk bij u op terug.

onze excuses voor het verzenden van de onjuiste informatie.

[medewerkster Van Lanschot 2]

(…)

Verzonden door: [medewerkster Van Lanschot 2] (…) l2-02-2016 12:18

(…)

Zolang het beslag kleeft houden wij de gelden onder ons. Wij kunnen een aantekening maken in het dossier dat bij vrijval van het deposito het niet voor verlenging in aanmerking komt en de gelden beschikbar moeten zijn.

Indien u in september, als het beslag nog kleeft een vordering opeist zullen wij deze vordering dan in behandeling nemen

Kunt u ons laten weten of u het openbreken van het deposito op dit moment niet vereist?’

3.5.9.

E-mail van 16 februari 2016 van [medewerkster Van Lanschot 2] van Van Lanschot aan JW Gerechtsdeurwaarders inhoudende onder meer:

‘In antwoord op uw onderstaande verzoek delen wij u mede dat wij de inning van

het beslag niet kunnen uitstellen tot 8 september 2016.

U heeft immers de inning de vordering gevraagd in uw schriftelijke uitbetalingsverzoeken d.d. 20-1-2016 en de email van 10-2-2016 waarin u herhaald dat het door het beslag getroffen saldo (volledig) kan worden afgedragen.

De verwerking van een betaling vanuit een vaste termijn deposito bestaat uit meerdere acties die niet gelijktijdig kunnen worden gedaan. Wij hebben aan de hand van uw berichten de eerste acties uitgevoerd, zodat wij, zodra het exacte bedrag van de vordering bekend was, direct tot betaling konden overgaan.

De reeds uitgevoerde acties kunnen niet kosteloos worden teruggedraaid.

Wij verzoeken u derhalve voor beide uitbetalingsverzoeken van 20 januari 2016 aan te geven wat het exacte bedrag is dat u vordert. Graag ontvangen wij de opgave van de bedragen voor 16.00 uur vanmiddag’.

3.6.

Van Lanschot heeft de brieven van JW Gerechtsdeurwaarders aan Van Lanschot van 20 januari 2016 (zie hiervoor onder 3.4) bij e-mail van 5 februari 2016 aan mr. C.C. Bökkerink, toenmalig advocaat van Focwa, toegestuurd.

3.7.

Het deposito was op 10 februari 2016 opengebroken.

3.8.

Bij e-mail van 12 februari 2016 heeft mr. Bökkerink onder meer het volgende aan Van Lanschot medegedeeld:

‘Naar aanleiding van het telefonisch overleg van zojuist, bericht en verzoek ik u als volgt

Van u heb ik vernomen dat de deurwaarder Jongejan Wisseborn — in tegenstelling tot de eerdere berichtgeving — heeft verzocht het deposito te sluiten en met de executie van het beslag te wachten tot september. Dit betekent dat het beslag op het totale deposito in stand blijft.

De omvang van het deposito is € 6.000.000,00 terwijl het beslagen bedrag bij executie ongeveer € 2.200.000,00 is. Bij uitwinning komt ongeveer € 3.800.000,00 beschikbaar voor cliënte.

Is het mogelijk dat vanuit Van Lanschot aan de deurwaarder Jongejan Wisseborn wordt medegedeeld dat het deposito al is opgebroken (dat is immers ook het geval), dat dit niet kan worden teruggedraaid en dat Van Lanschot uiterlijk — bijvoorbeeld — maandag as om 10:00 uur wil weten welk bedrag zij moeten overboeken naar Jongejan Wisseborn? Dan kan ik met cliënte hieromtrent overleg voeren.

Cliënte kan zelf in ieder geval niet met de deurwaarder Jongejan Wisseborn contact opnemen aangezien cliënte strikt genomen niet bekend is met de correspondentie tussen Van Lanschot en Jongejan Wisseborn, en cliënte geen “slapende honden’ wil wakker maken.’

3.9.

Bij e-mail van 1 maart 2016 heeft mr. Bökkerink onder meer het volgende aan Van Lanschot medegedeeld:

‘Zoals bij u bekend is op 18 december 2015 ten laste van de vereniging Focwa Schadeherstel, hierna “cliënte’, beslag gelegd onder de door cliënte gehouden rekeningen bij Van Lanschot.

Op 15 januari 2016 is door Van Lanschot een derdenverklaring aan de deurwaarder Jongejan Wisseborn verzonden. Op grond van artikel 477 Rv is Van Lanschot vervolgens verplicht het beslagen bedrag door te storten aan de deurwaarder. Dit wordt dan ook bevestigd in de brief van de deurwaarder d.d. 20 januari 2016 waarin de gegevens van de bankrekening waar het beslagen bedrag naar moet worden overgeboekt zijn opgenomen.

Nadien is er blijkbaar tussen Van Lanschot en de deurwaarder een discussie ontstaan over het antwoord op de vraag wie de kosten voor het openbreken moet dragen. Naar mijn mening zullen deze kosten in beginsel voor rekening van cliënte komen en kan zij eventueel deze kosten op de beslagleggers verhalen

Van mr. Honig begreep ik dat de deurwaarder uiteindelijk de opdracht heeft gegeven het deposito open te breken. Later heeft de deurwaarder klaarblijkelijk koudwatervrees gekregen waardoor de deurwaarder heeft geïnformeerd of het deposito nog kan worden gesloten. Van Lanschot heeft aangegeven dat dat niet mogelijk is en aan de deurwaarder de vraag gesteld welk bedrag moet worden doorgestort (het beslagen bedrag inclusief rente en executiekosten). De deurwaarder heeft tot op heden geen antwoord gegeven op deze vraag.

Er is echter geen reden voor Van Lanschot om het antwoord op deze vraag af te wachten De instructie om te betalen is gegeven bij brief d.d. 20 januari 2016 en er is een opdracht tot openbreken van het deposito gegeven. Daarbij gaat het om executoriaal beslag teneinde een vonnis te executeren. Voor de deurwaarder is er geen weg terug na het leggen van executoriaal beslag. De deurwaarder zal geen schade op Van Lanschot kunnen verhalen. Er wordt immers geen schade geleden en Van Lanschot is simpelweg ex artikel 477 Rv

verplicht om het beslagen bedrag door te storten.

Cliënte heeft er thans belang bij dat het beslagen bedrag wordt overgeboekt. Door de impasse tussen Van Lanschot en de deurwaarder, die inmiddels al enkele weken voortduurt, lijdt cliënte namelijk aanzienlijke schade, welke er onder meer uit bestaat dat — ingeval het bedrag niet wordt doorbetaald — het volledige tegoed van cliënte beslagen blijft. Cliënte is ook de cliënte van Van Lanschot en zij vraagt zich af of Van Lanschot — nog even afgezien van de op Van Lanschot rustende wettelijke plicht om door te storten — het verzoek van cliënte om door te storten, nu cliënte haar maatregelen getroffen heeft, naast zich neer kan leggen.

Namens cliënte verzoek ik u dan ook het beslagen bedrag (zekerheidshalve begroot op € 2.225.000,00) door te storten aan de deurwaarder en ons minimaal een dag van te voren op de hoogte te stellen wanneer het bedrag wordt overgemaakt en naar welke rekening. Graag verneem ik uiterlijk woensdag 2 maart 2016 voor 12:00 uur van u wanneer Van Lanschot het beslagen bedrag zal voldoen.’

4 Het geschil

in de zaak 17-777

4.1.

Focwa vordert samengevat - veroordeling van Van Lanschot tot betaling van € 135.790,16, vermeerderd met rente en kosten en, indien Van Lanschot niet veroordeeld zou worden om voornoemd bedrag aan Focwa te voldoen, veroordeling van JW Gerechtsdeurwaarders tot betaling van € 135.790,16, vermeerderd met rente en kosten.

4.2.

Van Lanschot en JW Gerechtsdeurwaarders voeren verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 18-406

4.4.

Focwa vordert samengevat – een verklaring voor recht dat (indien Van Lanschot in de procedure met kenmerk C/01/327938 17/777 niet veroordeeld zou worden om het gevorderde bedrag aan Focwa te voldoen) er sprake is van een onrechtmatige daad van Treffers tegenover Focwa, met veroordeling van Treffers om aan Focwa de daardoor geleden schade tegen behoorlijk bewijs van kwijting te vergoeden, op te maken bij staat, vermeerderd met kosten.

4.5.

Treffers voert verweer.

4.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in de zaak 17-777

De vordering tegen Van Lanschot

5.1.

Focwa heeft aan haar vordering onder meer het volgende ten grondslag gelegd.

Ten aanzien van het executoriale beslag op het deposito is het bepaalde in artikel 477, lid 3, Rv relevant. De Geschorste Leden en JW Gerechtsdeurwaarders konden pas aanspraak maken op het in deposito gestorte bedrag, nadat die gelden uit dat deposito waren vrijgekomen. Als zou worden voldaan aan de in artikel 477, lid 4, Rv bedoelde voorwaarden zouden de Geschorste Leden en/of JW Gerechtsdeurwaarders het deposito hebben kunnen opzeggen. Daartoe moet een ondubbelzinnig verzoek worden gedaan. De Geschorste Leden en JW Gerechtsdeurwaarders hebben betwist dat zij het deposito zouden hebben opgezegd en hebben aangevoerd dat die opzegging op initiatief van Van Lanschot zelf zou zijn uitgevoerd. Uit de dossierstukken waarover Focwa beschikt lijkt dat ook te volgen. Van Lanschot heeft het deposito opgezegd zonder dat zij de door haar gevraagde bevestiging van JW Gerechtsdeurwaarders heeft ontvangen dat van de bevoegdheid tot opzegging gebruik is gemaakt. Van Lanschot heeft aldus in strijd met de met Focwa gemaakte afspraken dan wel onrechtmatig gehandeld en is gehouden de door Focwa geleden schade te vergoeden, aldus Focwa.

5.2.

Van Lanschot heeft tot haar verweer onder meer het volgende aangevoerd.

Door de brieven van JW Gerechtsdeurwaarders van 20 januari 2016, die Van Lanschot op 27 januari 2016 heeft ontvangen, was Van Lanschot bekend met de vonnissen ten behoeve waarvan executoriaal beslag onder haar was gelegd en heeft JW Gerechtsdeurwaarders aan Van Lanschot aangegeven dat Van Lanschot verplicht was om tot afdracht over te gaan. Die brieven hielden een sommatie in en aan JW Gerechtsdeurwaarders was op grond van de derdenverklaring bekend dat er sprake was van een deposito. Deze sommatie is gebaseerd op het bepaalde in artikel 477, lid 1, Rv. De door het beslag getroffen vordering betreft een vordering onder voorwaarde die moet worden vervuld, te weten een vroegtijdige beëindiging waaraan kosten zijn verbonden. Het deposito valt niet onder de voorwaarde van opzegging. Het deposito kon voor de einddatum beëindigd worden waarbij slechts kosten in rekening gebracht kunnen worden. Aan de voorwaarde van betaling van kosten is door Focwa voldaan.

Als het deposito wel opgezegd had moeten worden dan had de deurwaarder de brief van 20 januari 2016 nimmer mogen versturen omdat Van Lanschot uit brief mocht afleiden dat de sommatie tevens impliceert dat gelden vrijgemaakt moeten worden. Als de deurwaarder onnodig van de bevoegdheid tot opzegging gebruik maakt is hij tegenover Focwa aansprakelijk en is niet Van Lanschot tegenover Focwa aansprakelijk. Focwa wenste uitdrukkelijk niet dat het deposito tot september 2016 zou worden gecontinueerd. De sommatie van JW Gerechtsdeurwaarders jegens Van Lanschot is op dringend verzoek van Focwa rechtmatig uitgevoerd.

Daarnaast heeft Focwa zelf Van Lanschot gesommeerd om tot betaling over te gaan. Van enig belang aan de zijde van Focwa om vast te stellen dat beëindiging van het deposito door Van Lanschot onrechtmatig zou zijn, is niet gebleken, aldus Van Lanschot.

5.3.

Focwa heeft gesteld dat de opzegging van het deposito door Van Lanschot in strijd is met afspraken die met Focwa zijn gemaakt dan wel onrechtmatig is tegenover Focwa. Focwa heeft daarbij niet aangegeven in strijd met welke afspraken door Van Lanschot zou zijn gehandeld en evenmin waarin de onrechtmatigheid van het handelen van Van Lanschot zou zijn gelegen. Er is ook niet gebleken van afspraken die aan de gestelde opzegging van het deposito door Van Lanschot in het kader van de beslaglegging, in de weg zouden staan. Evenmin is gebleken van feiten en omstandigheden die het handelen van Van Lanschot tegenover Focwa onrechtmatig doet zijn.

In haar derdenverklaring beslag heeft Van Lanschot vermeld dat het bedrag van het deposito niet direct beschikbaar was en dat er aan het tussentijds openbreken van dat deposito kosten verbonden waren (zie hiervoor onder 3.3). Op grond hiervan was JW Gerechtsdeurwaarders bekend met de mogelijkheid van het openbreken van het deposito. Na kennisneming van die verklaring heeft JW Gerechtsdeurwaarders tegenover Van Lanschot aanspraak gemaakt op uitbetaling van de bedragen die onder het beslag vielen en aan Van Lanschot meegedeeld dat zij verplicht was die bedragen aan JW Gerechtsdeurwaarders af te dragen (zie hiervoor onder 3.4). Ook in haar e-mail van 8 februari 2016 (zie hiervoor onder 3.5.3) heeft JW Gerechtsdeurwaarders aan Van Lanschot meegedeeld dat haar cliënt gebruik maakt van haar wettelijke recht om zich op alle vermogensbestanddelen van Focwa te verhalen. Deze mededelingen van JW Gerechtsdeurwaarders komen er op neer dat zij uitbetaling van de beslagen bedragen en daarmee dus openbreking van het depositie verlangde van Van Lanschot. Onbetwist is dat Van Lanschot naar aanleiding daarvan het openbreken van het deposito in gang heeft gezet.

Focwa is er door toezending van de brieven van 20 januari 2016 op 5 februari 2016 (zie hiervoor onder 3.6) van in kennis gesteld dat JW Gerechtsdeurwaarders uitbetaling van de beslagen bedragen verlangde. Daarmee moest voor haar ook duidelijk zijn dat dit het openbreken van het depositie zou meebrengen. Zij moet er immers mee bekend worden verondersteld dat de einddatum van het deposito 8 september 2016 was aangezien het deposito op haar naam stond. Focwa heeft in reactie op de kennisgeving van 5 februari 2016 bij Van Lanschot en/of JW Gerechtsdeurwaarders geen bezwaren geuit tegen het openbreken van het deposito. Uit de e-mail van de advocaat van Focwa van 12 februari 2016 (zie hiervoor onder 3.8) blijkt dat voor Focwa duidelijk was dat het deposito was opengebroken. Focwa heeft ook toen niet geprotesteerd. Integendeel, zij heeft middels haar advocaat aan Van Lanschot kenbaar gemaakt dat zij niet wenste dat het deposito in stand zou blijven en zij heeft Van Lanschot verzocht of het mogelijk was aan JW Gerechtsdeurwaarders mee te delen dat het deposito al was opengebroken en dat dat niet kon worden teruggedraaid. Overigens blijkt het standpunt van Focwa ten aanzien van het openbreken van het deposito ook uit de e-mail van mr. Bökkerink aan Van Lanschot van 1 maart 2016, inhoudende onder meer dat JW Gerechtsdeurwaarders na verzending van de derdenverklaring op grond van artikel 477 Rv verplicht was het beslagen bedrag aan JW Gerechtsdeurwaarders door te storten (zie hiervoor onder 3.9). Zijdens Focwa blijkt hieruit de wil tot het openbreken van het deposito en de volharding daarbij.

Onder voormelde omstandigheden kan het handelen van Van Lanschot tegenover Focwa niet onrechtmatig worden geacht.

Dat Van Lanschot na het ingang zetten van het openbreken van het deposito aan JW Gerechtsdeurwaarders nog een bevestiging heeft gevraagd dat zij namens de Geschorste Leden van de opzeggingsbevoegdheid gebruik wilde maken (zie hiervoor onder 3.5.4), dat JW Gerechtsdeurwaarders heeft verzocht of het mogelijk is dat de inning van het beslag wordt aangehouden tot 8 september 2016, de dag waarop het deposito vrijkomt (zie hiervoor onder 3.5.7) en de reacties daarop van Van Lanschot bij e-mails van 12 februari 2016 (zie hiervoor onder 3.5.8) doet daaraan niet af. Het deposito was ten tijde van het verzoek van JW Gerechtsdeurwaarders inmiddels al beëindigd.

5.4.

Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van Focwa tegen Van Lanschot ongegrond is. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

5.5.

Focwa zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Van Lanschot. Deze kosten worden begroot op in totaal € 7.308,00, waarvan € 3.894,00 griffierecht en € 3.414,00 (2 punten tarief V à € 1.707,00 per punt) salaris advocaat.

5.6.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

De vordering tegen JW Gerechtsdeurwaarders

5.7.

De vordering van Focwa tegen JW Gerechtsdeurwaarders is ingesteld onder de voorwaarde dat Van Lanschot niet veroordeeld wordt tot betaling aan Focwa. Aan deze voorwaarde wordt voldaan zodat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van de vordering tegen JW Gerechtsdeurwaarders.

5.8.

Focwa heeft aan haar vordering onder meer het volgende ten grondslag gelegd.

Focwa was geen bedragen verschuldigd zodat geen executoriaal beslag had mogen worden gelegd. JW Gerechtsdeurwaarders heeft aan Focwa niet kenbaar gemaakt waarom dwangsommen verbeurd zouden zijn. JW Gerechtsdeurwaarders heeft gehandeld in strijd met de normen van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: KBvG).

JW Gerechtsdeurwaarders heeft door ten onrechte executoriale beslagen te leggen en door beweerdelijk beslagen gelden op te eisen, niet gehandeld zoals dat van een redelijk handelend en bekwaam deurwaarder mag worden verwacht, hetgeen onrechtmatig is tegenover Focwa.

5.9.

JW Gerechtsdeurwaarders heeft tot haar verweer onder meer het volgende aangevoerd.

Het leggen van executoriaal derdenbeslag en alle werkzaamheden die daarmee samenhangen, zoals het vrijmaken van het deposito, dienen als ambtshandeling te worden aangemerkt. Daarvoor kan alleen de deurwaarder zelf in persoon in rechte worden betrokken en niet het deurwaarderskantoor waartoe de deurwaarder behoort.

5.10.

Focwa heeft bij dagvaarding JW Gerechtsdeurwaarders aangesproken in haar hoedanigheid van deurwaarder. JW Gerechtsdeurwaarders is echter als zodanig geen deurwaarder en ook niet degene die de executie van vonnissen middels onder meer beslaglegging ter hand heeft genomen. Tussen partijen staat vast dat in dit verband Treffers als deurwaarder is opgetreden en de aan zijn ambt verbonden ambtshandelingen heeft verricht. Voor het eerst ter comparitie is zijdens Focwa opgemerkt dat de opzegging van het deposito geen ambtshandeling is omdat deze bevoegdheid uitsluitend aan de Geschorste Leden toekwam. Volgens Focwa is JW Gerechtsdeurwaarders naast Treffers aansprakelijk ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:170 BW en 6:162 BW omdat Treffers een ondergeschikte is van JW Gerechtsdeurwaarders.

De taken en bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder zijn beschreven in de Gerechtsdeurwaarderswet. Deze wet regelt het ambt van de gerechtsdeurwaarder.

De gerechtsdeurwaarder is als natuurlijk persoon een door de Kroon benoemde functionaris met een onafhankelijke positie. De belangrijkste van de verschillende ambtsverplichtingen van de deurwaarder is de ministerieplicht, dat wil zeggen de plicht van de gerechtsdeurwaarder om, indien daarom wordt verzocht, zijn ambtelijke diensten te verlenen, zoals het ten uitvoer leggen van executoriale titels en het in dat verband leggen van executoriale beslagen. Beslag kan in het wettelijk stelsel alleen worden gelegd door een deurwaarder, die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar. Dit brengt mee dat de deurwaarder als onafhankelijke functionaris de enige is die verantwoordelijk is voor zijn handelen bij de beslaglegging en ook de enige die behoort te worden aangesproken op een onjuiste taakvervulling en (beweerdelijk) onrechtmatig handelen. Mede om die reden dienen de beslagexploten duidelijk te vermelden welke deurwaarder beslag heeft gelegd, hetgeen in deze zaak ook is geschied. Dat deurwaarders zich organiseren in samenwerkingsverbanden zoals JW Gerechtsdeurwaarders maakt niet dat JW Gerechtsdeurwaarders, niet zijnde de deurwaarder in persoon, uit onrechtmatige daad kan worden aangesproken door degene ten laste van wie het beslag is gelegd. Daarvoor is het leggen van beslag en de verdere executie daarvan, waartoe ook moet worden gerekend de met Van Lanschot over het deposito gevoerde correspondentie die ziet op de inning van het gevorderde bedrag, te zeer verbonden aan de persoon van de deurwaarder in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar. Artikel 6:170 BW vindt om die reden in dit geval geen toepassing. Bezien in het licht van de wettelijke taak van de deurwaarder en zijn hoedanigheid van door de Kroon benoemde natuurlijk persoon met een onafhankelijke positie die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar, heeft de beslaglegging ook niet in het maatschappelijk verkeer te gelden als een gedraging van JW Gerechtsdeurwaarders waarvoor JW Gerechtsdeurwaarders uit onrechtmatige daad kan worden aangesproken. Dit brengt mee dat JW Gerechtsdeurwaarders niet aansprakelijk is voor de beweerdelijk onrechtmatige beslaglegging door Treffers en hetgeen Treffers in het verband van die executie heeft verricht.

5.11.

Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van Focwa tegen JW Gerechtsdeurwaarders ongegrond is. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

5.12.

Focwa zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van JW Gerechtsdeurwaarders. Deze kosten worden begroot op in totaal € 7.308,00, waarvan € 3.894,00 griffierecht en € 3.414,00 (2 punten tarief V à € 1.707,00 per punt) salaris advocaat.

5.13.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in de zaak 18-406

De vordering tegen Treffers

5.14.

De vordering van Focwa tegen Treffers is ingesteld onder de voorwaarde dat Van Lanschot in de zaak 17-777 niet veroordeeld wordt tot betaling aan Focwa. Aan deze voorwaarde wordt voldaan zodat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van de vordering tegen Treffers.

5.15.

Focwa heeft bij dagvaarding gesteld dat zij er belang bij heeft Treffers te betrekken bij de procedure tegen Van Lanschot en JW Gerechtsdeurwaarders omdat JW Gerechtsdeurwaarders in die procedure het verweer naar voren heeft gebracht dat niet zij, maar slechts de deurwaarder in persoon voor eventuele schade aansprakelijk zou kunnen zijn. Zij heeft voor de onderbouwing van haar vordering tegen Treffers verwezen naar de dagvaarding in de procedure tegen Van Lanschot en JW Gerechtsdeurwaarders die zij, zonder producties, in het geding heeft gebracht en als herhaald en ingelast wenst te beschouwen.

Treffers heeft tot haar verweer aangevoerd dat Focwa met de verwijzing naar de inhoud van de dagvaarding in de procedure tegen Van Lanschot en JW Gerechtsdeurwaarders, niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht.

De rechtbank is van oordeel dat de Focwa met de verwijzing naar de dagvaarding in de procedure tegen Van Lanschot en JW Gerechtsdeurwaarders, en meer in het bijzonder ook met haar stelling dat de toelichting op de aansprakelijkheid van JW Gerechtsdeurwaarders in hoofdstuk 4 van die dagvaarding eveneens geldt voor de aansprakelijkheid van Treffers, in voldoende mate heeft voldaan aan haar stelplicht. Zowel voor de rechtbank als voor Treffers is voldoende duidelijk op welke feitelijke en juridische gronden Focwa haar vordering tegen Treffers heeft gebaseerd. Dat dit voor Treffers het geval is blijkt eens te meer uit het uitgebreide verweer dat zij heeft gevoerd onder overlegging van de bij de dagvaarding in de procedure tegen Van Lanschot en JW Gerechtsdeurwaarders behorende producties waarover zij kennelijk beschikte.

5.16.

Focwa heeft aan haar vordering onder meer het volgende ten grondslag gelegd.

Treffers heeft uit hoofde van de vonnissen executoriale beslagen gelegd voor verbeurde dwangsommen terwijl er geen dwangsommen waren verbeurd en de proceskosten al waren voldaan. De betekening van de vonnissen op 6 en 11 november 2015 had geen effect omdat er geen grossen overeenkomstig artikel 430 lid 1 Rv werden betekend. Pas na de correcte betekening op 18 december 2015 kon van Focwa verlangd worden dat zij de veroordelingen die waren opgenomen in de vonnissen zou nakomen. Er zijn echter na die betekening op 18 december 2015 geen dwangsommen verbeurd zodat er geen beslag kon worden gelegd voor de in het exploot genoemde bedragen ter zake verbeurde dwangsommen.

Door Treffers is op geen enkele wijze aan Focwa kenbaar gemaakt om welke reden zij van mening was dat dwangsommen waren verbeurd en Treffers heeft gehandeld in strijd met de Verordening KBvG Normen voor kwaliteit. Er is sprake van het onnodig gebruik maken van de bevoegdheid het deposito tussentijds open te breken. Treffers heeft de opdracht van de Geschorste Leden op geen enkele wijze kritisch beoordeeld. Zij heeft daaraan simpelweg uitvoering gegeven zonder rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van Focwa.

Door het leggen van de beslagen en het verzoek om uitbetaling van aanzienlijke bedragen zonder dat daartoe een bevoegdheid bestond, is er sprake van onrechtmatig handelen, aldus Focwa.

5.17.

Treffers heeft tot zijn verweer onder meer het volgende aangevoerd.

Treffers heeft Van Lanschot nimmer te kennen gegeven dat het deposito werd opgezegd. En als wel aan Van Lanschot kenbaar zou zijn gemaakt dat de Geschorste Leden het deposito wensten op te zeggen, dan mocht Van Lanschot niet, althans niet zonder overleg met Focwa, overgaan tot het aan een opzegging verbonden openbreken van het deposito.

Treffers heeft bij de executie van de vonnissen in naam en voor rekening van de Geschorste Leden gehandeld. Dit was bij Focwa bekend. Daaronder valt ook de opzegging van het deposito. De bevoegdheid tot opzegging van het deposito kwam ingevolge het bepaalde in artikel 477 lid 4 Rv alleen aan de Geschorste Leden toe. Alleen zij kunnen voor eventuele gevolgen hiervan worden aangesproken. De vordering van Focwa kan daarom uitsluitend tegen de Geschorste Leden worden ingesteld.

Met de betekening van de vonnissen op 6 en 11 november 2015 is voldaan aan het vereiste van artikel 611a lid 3 Rv voor het verbeuren van dwangsommen. Als het beslag ten onrechte is gelegd omdat er nog geen dwangsommen waren verbeurd dan zijn de Geschorste Leden daarvoor aansprakelijk en niet Treffers. Op de deurwaarder rust niet de verplichting om aan Focwa kenbaar te maken op grond waarvan de dwangsommen zijn verbeurd, aldus Treffers.

5.18.1.

Focwa miskent met haar stelling dat geen dwangsommen konden zijn verbeurd omdat op 6 en 11 november 2015 enkel afschriften van de vonnissen zijn betekend en geen grossen van die vonnissen, dat betekening van grossen voor het verbeuren van dwangsommen geen voorwaarde is. Ingevolge het bepaalde in artikel 611a, derde lid, Rv kan de dwangsom niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Met deze bepaling is beoogd dat de veroordeelde kennis draagt van de tegen hem uitgesproken veroordeling en in de gelegenheid wordt gesteld alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Door betekening van afschriften van de vonnissen wordt hieraan voldaan. Betekening van grossen is daartoe, anders dan in het geval van tenuitvoerlegging van vonnissen als bedoeld in artikel 430 lid 1 Rv, niet vereist. De stelling van Focwa dat er geen dwangsommen verbeurd zijn omdat voor de beoordeling daarvan zou moeten worden uitgegaan van een betekening van de grossen op 18 december 2015, gaat dan ook niet op.

5.18.2.

Anders dan Focwa veronderstelt ligt het niet op de weg van Treffers maar op de weg van de Geschorste Leden om aan Focwa kenbaar te maken op grond waarvan dwangsommen zouden zijn verbeurd. Het lag ook niet op de weg van Treffers om te beoordelen of daadwerkelijk dwangsommen waren verbeurd. Hij mocht afgaan op mededelingen van de Geschorste Leden daarover. Dat er ten tijde van de beslaglegging bij Treffers feiten en omstandigheden bekend waren of hadden moeten zijn die haar ervan hadden moeten weerhouden haar ministerie te verlenen, is gesteld noch gebleken.

5.8.13.

De opzegging van het deposito was ingevolge het bepaalde in artikel 477, lid 4, Rv een bevoegdheid van de Geschorste Leden als beslaglegger. Voor zover het deposito moet worden geacht door Treffers te zijn opgezegd, heeft hij dat namens de Geschorste Leden gedaan. Indien Focwa zich op het standpunt stelt dat die opzegging tegenover haar onrechtmatig is dient zij zich tot de Geschorste Leden te richten. Het ligt niet op de weg van Treffers om te beoordelen of er sprake is van het onnodig gebruik van de bevoegdheid tot opzegging van het deposito. Focwa heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat er bij de gestelde opzegging van het deposito sprake is van onrechtmatig handelen van Treffers tegenover Focwa.

5.19.

Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van Focwa tegen Treffers ongegrond is. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

5.20.

Focwa zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Treffers. Deze kosten worden begroot op in totaal € 1.377,00, waarvan € 291,00 griffierecht en € 1.086,00 (2 punten tarief II à € 543,00 per punt) salaris advocaat.

5.21.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 17/777

De vordering tegen Van Lanschot

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

veroordeelt Focwa in de kosten van deze procedure aan de zijde van Van Lanschot gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 7.308,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na vandaag tot aan de voldoening,

6.3.

veroordeelt Focwa in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Focwa niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na vandaag tot aan de voldoening,

6.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

De vordering tegen JW Gerechtsdeurwaarders

6.5.

wijst het gevorderde af,

6.6.

veroordeelt Focwa in de kosten van deze procedure aan de zijde van JW Gerechtsdeurwaarders gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 7.308,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na vandaag tot aan de voldoening,

6.7.

veroordeelt Focwa in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Focwa niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na vandaag tot aan de voldoening,

6.8.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak 18/406

6.9.

wijst het gevorderde af,

6.10.

veroordeelt Focwa in de kosten van deze procedure aan de zijde van Treffers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 1.377,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na vandaag tot aan de voldoening,

6.11.

veroordeelt Focwa in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Focwa niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na vandaag tot aan de voldoening,

6.12.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2019.