Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:7642

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
SHE 18/2180
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/2180

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: A.G. Lavrijsen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres per 18 december 2017 meer arbeidsgeschikt is dan voorheen en dat haar loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ongewijzigd wordt voortgezet.

Bij besluit van 26 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, inhoudende dat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 42,75%.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft na het verweerschrift een nader stuk ingediend.

Verweerder heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres was werkzaam als verpleegkundige voor 22,99 uur per week bij twee verschillende werkgevers, toen zij zich op 21 oktober 2013 heeft ziekgemeld bij de ene werkgever en op 6 november 2013 bij de andere werkgever wegens fysieke en psychische klachten. Met het besluit van 21 augustus 2015 is aan eiseres per 19 oktober 2015 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend. Op 25 april 2017 heeft eiseres aan verweerder laten weten dat zij zich toegenomen arbeidsongeschikt acht. Naar aanleiding van deze melding heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgehad. Deze onderzoeken hebben geleid tot de in geding zijnde besluitvorming.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres, rekening houdend met haar medische beperkingen, per 18 december 2017 niet in staat is om haar eigen werk als verpleegkundige te verrichten, maar dat zij wel in staat moet worden geacht de functies te vervullen die op grond van arbeidskundig onderzoek als voor haar geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd. Dit resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 42,75%, zodat de WIA-uitkering van eiseres met ingang van 18 december 2017 ongewijzigd wordt voortgezet.

3. Eiseres voert – kort samengevat – aan dat verweerder haar beperkingen heeft onderschat. Eiseres acht zichzelf in de eerste plaats volledig arbeidsongeschikt, maar in ieder geval is zij meer arbeidsongeschikt dan verweerder heeft aangenomen. Eiseres is gediagnosticeerd met actieve anti-CCP en reumafactor positieve niet erosieve reumatoïde artritis, DRU/polyartrose en chronisch pijnsyndroom. Zij acht zich verdergaand beperkt ten aanzien van de items 1.7 (handelingstempo), 4.3.8 (repetitieve hand- en vingerbewegingen), 4.10 (buigen), 4.13 (duwen of trekken), 4.19 (lopen tijdens het werk), 4.20 (trappenlopen), 4.22 (knielen of hurken), 5.1 (zitten), 5.2 (zitten tijdens het werk), 5.4 (staan tijdens het werk) en 6.2 (uren per dag). Tot slot vindt eiseres, in tegenstelling tot verweerder, dat haar klachten duurzaam zijn.

4. De rechtbank acht verweerders onderzoek voldoende zorgvuldig. Daarbij acht zij van belang dat de verzekeringsarts dossierstudie heeft verricht en eiseres heeft gezien op het spreekuur van 18 oktober 2017. Hierbij is een anamnese afgenomen en heeft een lichamelijk en observerend psychisch onderzoek plaatsgehad. In bezwaar heeft de verzekeringsarts B&B eveneens de dossiergegevens bestudeerd, waaronder het door eiseres ingediende bezwaarschrift en heeft hij kennis genomen van het verslag van de hoorzitting van 7 maart 2018. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de verzekeringsarts B&B aanvullend onderzoek had moeten verrichten. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat zijn rapport inconsistenties bevat of dat dit onvoldoende is gemotiveerd.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat verweerder de belastbaarheid van eiseres onjuist heeft ingeschat. Verweerder is ermee bekend dat eiseres klachten heeft aan gewrichten en het houdings- en bewegingsapparaat, als ook psychische klachten en de rechtbank heeft geen reden aan te nemen dat verweerder de hiermee verband houdende (objectiveerbare) beperkingen heeft onderschat. Hierbij wijst de rechtbank op de door de verzekeringsarts gegeven en door de verzekeringsarts B&B onderschreven motivering met betrekking tot de door eiseres geclaimde toegenomen beperkingen. Volgens de verzekeringsarts zijn er geen medische argumenten om een licht gedoseerd en gevarieerd gebruik van de gewrichten en het houdings- en bewegingsapparaat te ontraden. Het onderzoek biedt de verzekeringsarts geen aanwijzingen voor structureel mindere mogelijkheden ten opzichte van voorheen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. Daarbij merkt de rechtbank op dat enkel het stellen van een diagnose niet leidt tot het aannemen van meer beperkingen. Reeds bij de voorgaande beoordeling is rekening gehouden met de klachten van eiseres aan haar bewegingsapparaat en in hetgeen eiseres in bezwaar naar voren heeft gebracht, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien de beperkingen aan te scherpen.

6. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres medische informatie overgelegd, bestaande uit een brief van huisarts P.P. de Bondt van 4 december 2018, een brief van physician assistant W.J.M. Vos van 10 september 2018 en een brief van reumatoloog drs. A.M. Wennemers van 5 december 2018.

7. In reactie op deze stukken heeft de verzekeringsarts B&B in zijn rapportage van 15 april 2019 aangegeven dat uit de overgelegde medische informatie niet blijkt van een geheel andere medische situatie op datum in geding. De klachten van eiseres aan het bewegingsapparaat zijn bekend en hiervoor zijn beperkingen opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Eiseres ervaart nog altijd aanhoudende pijnklachten, maar de reumatoloog vindt bij lichamelijk en bloedonderzoek geen actieve ontstekingen. Ook bij het onderzoek door de physician assistent worden geen ernstige afwijkingen gevonden. De verzekeringsarts B&B ziet dan ook geen aanleiding de vastgestelde belastbaarheid te wijzigen.

8. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de conclusie. Ook de rechtbank is uit de overgelegde medische informatie niet gebleken van andere of meer beperkingen dan reeds zijn aangenomen in de FML. De rechtbank sluit zich daarom aan bij de motivering van de verzekeringsarts B&B.

9. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling voert eiseres aan dat de geduide functies niet geschikt zijn, nu er in deze functies sprake is van een hoog handelingstempo.

10. Uitgaande van de juistheid van de bij eiseres vastgestelde medische beperkingen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geduide functies voor eiseres niet geschikt zijn. De arbeidsdeskundige B&B heeft de zogeheten signaleringen van een afdoende adequate toelichting voorzien. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat door de arbeidskundig analist in de geduide functies geen hoog handelingstempo is geconstateerd, zodat ook wat die beperking betreft de functies geschikt geacht kunnen worden voor eiseres. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan deze conclusie.

11. Gelet op voorgaande overwegingen heeft verweerder terecht en op juiste gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 42,75%.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op 12 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.