Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:6856

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-11-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
01-879224-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake acht woninginbraken, 2 pogingen daartoe en de diefstal van een auto.

Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek voorarrest.

Vorderingen benadeelde partijen (o.a. smartengeld) en beslag besproken.

Zwijgrecht.

Herkenning op camerabeelden.

Schakelbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/879224-19 en 01/860247-19 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 29 november 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

Antonius Dera,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

wonende te [adres verdachte] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 november 2019.

Op de zitting van 5 juli 2019 heeft de rechtbank de tegen verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak met parketnummer 01/879224-19 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 april 2019 en de zaak met parketnummer 01/860247-19 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 juni 2019 .

Nadat de tenlasteleggingen op de terechtzitting van 5 juli 2019 zijn gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

parketnummer 01/879224-19

1. hij op of omstreeks 19 november 2018 te Nijkerk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer sieraden en/of een Fritzbox en/of een televisiekastje, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1]

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen sieraden en/of Fritzbox en/of televisiekastje onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (zaaksdossier zaak Nijkerk, pagina 356 ev)

2. hij op of omstreeks 21 november 2018 te Pannerden, gemeente Zevenaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee, althans een, armband(en) en/of een ketting, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen armbanden en/of ketting onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (zaaksdossiers zaak Pannerden, pagina 468 ev)

3. hij op of omstreeks 22 november 2018 te Bemmel, gemeente Lingewaard, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om geld en/of (een) goed(eren), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen geld/goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming een raam heeft ingeslagen en/of vernield en/of een (hang)slot heeft verbroken en/of vernield,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(zaaksdossier zaak Bemmel, pagina 507 ev)

4. hij op of omstreeks 06 december 2018, te Schijndel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, geld en/of een of meer sieraden en/of een zonnebril en/of twee, althans een horloge(s) en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geld en/of sieraden en/of zonnebril en/of horloges en/of portemonnee onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (zaaksdossier zaak Schijndel, pagina 538 ev)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 februari 2019 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, een goed te weten zilveren munten en/of een dubbeltje van Juliana heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);

5. hij op of omstreeks 11 januari 2019 te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een auto (Mercedes Benz), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking; (zaaksdossier zaak Den Dungen, pagina 568 ev)

6. hij op of omstreeks 15 januari 2019 te Uden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ring en/of geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen ring en/of geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (zaaksdossier zaak Uden, [adres pleegplaats] , pagina 602 ev)

7. hij op of omstreeks 15 januari 2019 te Uden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een horloge, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 7] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen horloge onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; (zaaksdossier zaak Uden, [adres pleegplaats 2] , pagina 602 ev)

parketnummer 01/860247-19

1.

hij op of omstreeks 21 januari 2019 te Budel, gemeente Cranendonck, in elk

geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om geld en/of (een) goed(eren), in elk geval enig goed, dat geheel of

ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde,

te weten aan [slachtoffer 8] , weg te nemen met het oogmerk om het zich

wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen geld/goed/goederen onder

zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming

een of meer ramen heeft ingeslagen en/of vernield en/of een slot van een poort

heeft verbroken en/of vernield,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(zaaksdossier zaak Budel, [adres pleegplaats 3] , pagina 684 ev)

2.

hij op of omstreeks 21 januari 2019 te Budel, gemeente Cranendonck, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen,

geld en/of een of meer sieraden en/of een horloge en/of een edelsteen en/of

een tabaksdoos en/of een bijouteriedoos en/of een of meer munten, in elk geval

enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 9] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geld en/of sieraden

en/of horloge en/of edelsteen en/of tabaksdoos en/of bijouteriedoos en/of

munten onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

(zaaksdossier zaak Budel, [adres pleegplaats 4] , pagina 717 ev)

3.

hij op of omstreeks 22 januari 2019 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

geld en/of (een) (auto)sleutel(s) en/of een auto (Toyota Auris), in elk geval

enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 10] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld en/of

sleutel(s) en/of auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel

van braak, verbreking en/of inklimming;

(zaakdossier zaak 's-Hertogenbosch, pagina 746 ev)

4.

hij op of omstreeks 28 januari 2019 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen,

een of meer autosleutels en/of een of meer sieraden en/of een of meer horloges

en/of een of meer munten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan

een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan

[slachtoffer 11] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot

de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen

autosleutels en/of sieraden en/of horloges en/of munten onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(zaaksdossier zaak Nuenen, pagina 780 ev)

5.

hij op of omstreeks 05 februari 2019 te Sleeuwijk, gemeente Altena, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen,

geld en/of een of meer sieraden en/of een kussensloop, in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 12] , heeft weggenomen met het oogmerk

om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geld en/of sieraden

en/of kussensloop onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak, verbreking en/of inklimming;

(zaaksdossier zaak Sleeuwijk, pagina 843 ev)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 februari 2019 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in

Nederland, een goed te weten twee, althans een (slaven)armband(en) en/of een

ring heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze

goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een)

door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

6.

hij op of omstreeks 05 februari 2019 te Woudrichem, gemeente Altena, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen,

3, althans een of meer tas(sen), in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te

weten aan [slachtoffer 13] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich

wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich

de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die

weg te nemen tas(sen) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel

van braak, verbreking en/of inklimming;

(zaaksdossier zaak Woudrichem, pagina 911 ev)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de feiten 2, 4 primair en subsidiair, 5, 6 van parketnummer 01/879224-19 en ook van de feiten 2, 3, 4, 5 primair en 6 van parketnummer 01/860247-19.

Hij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de feiten 1, 3 en 7 van parketnummer 01/879224-19 en van de feiten 1 en 5 subsidiair van parketnummer 01/879224-19.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

Indien tegen dit vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis.
Deze aanvulling wordt dan aan het vonnis gehecht.

Inleidende bewijsoverwegingen

De verdachte wordt verweten dat hij als medepleger betrokken is geweest bij – kort

gezegd – een groot aantal woninginbraken en bij een autodiefstal. Bij de beoordeling van de vraag of bewezen kan worden dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, speelt een aantal aspecten een belangrijke rol. De officier van justitie en de verdediging hebben aan die aspecten ook aandacht gegeven. De rechtbank zal hierna uitleggen of en zo ja hoe zij deze aspecten bij de beoordeling van de bewijsvraag betrekt.

- ten aanzien van de verklaring van verdachte

De officier van justitie gaat in haar requisitoir er van uit dat verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht en heeft dit aspect in haar requisitoir in belastende zin tegen de verdachte gebruikt.

De rechtbank stelt in dat kader voorop dat de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs kan bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.

Achter deze regel ligt – de Murray-rechtspraak van het EHRM indachtig – de redenering ten grondslag dat indien een dergelijke, de redengevendheid van de belastende feiten en omstandigheden ontzenuwende, verklaring van verdachte achterwege blijft, dan als enige aanvaardbare conclusie resteert dat een andere verklaring dan de schuld van verdachte aan het tenlastegelegde niet aannemelijk is geworden en dus dat verdachte zich aan het ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt.

Belangrijk is om op te merken dat deze regel alleen dan opgaat als het belastende feiten of omstandigheden betreft die redengevend zijn voor de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde en het feiten of omstandigheden betreft waaromtrent de verdachte ook echt in de positie is om daadwerkelijk ontzenuwend, in de zin van het geven van een alternatieve verklaring dan zijn daderschap, te verklaren.

In deze zaak berust het voor de verdachte belastende bewijs voornamelijk op de herkenning van verdachte en/of zijn veronderstelde mededader op camerabeelden bij of nabij de betrokken woningen op of rond het moment waarop, dan wel de tijdspanne waarbinnen, de inbraak zich heeft voltrokken, op het feit dat bij gelegenheid van een doorzoeking van verdachtes woning goederen zijn aangetroffen die door verschillende aangevers van woninginbraken als hun eigendom zijn herkend en op een gelijksoortige modus operandi bij de verschillende inbraken. De verdachte evenwel ontkent zijn betrokkenheid bij alle ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft over de herkenning op de camerabeelden verklaard dat de persoon op de camerabeelden die behoren bij de ten laste gelegde feiten 1 en 3 van parketnummer 01/879224-19 wel veel op hem lijkt en dat het zou kunnen dat de politie denkt dat hij dat is, maar dat hij niet daadwerkelijk die afgebeelde persoon betreft. Ten aanzien van andere camerabeelden stelt verdachte zich op het standpunt dat het niet hij is die daarop te zien is. Ten aanzien van de herkenning van de onder hem in beslag genomen sieraden stelt verdachte dat de sieraden van zijn vrouw en dochter zijn en dat aangevers zich dus vergissen.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte niet geweigerd heeft om te verklaren ten aanzien van de hem belastende feiten. Van een kaal beroep op het zwijgrecht is geen sprake. Verdachte ontkent zijn betrokkenheid en zegt dat de herkenningen niet kloppen. Het standpunt van verdachte brengt mee dat hij over de inbraken verder niets kán verklaren, omdat hij naar eigen zeggen daarbij niet betrokken is geweest. De verklaring van verdachte kan hem dan ook niet op bovenstaande wijze tegen worden geworpen.

Het vorenoverwogene laat echter onverlet dat de rechtbank vrij is in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal en dat zij ervoor mag kiezen daaruit slechts dat te gebruiken wat haar deugdelijk en dienstig voorkomt. Dat betekent dat de rechtbank het bewijsmateriaal mag gebruiken die zij voor de redengeving van de bewezenverklaring betrouwbaar acht en andere delen, bijvoorbeeld de ontkennende verklaring van verdachte, terzijde kan stellen indien zij deze van geen waarde acht. Bij deze beslissing omtrent het voorhanden bewijsmateriaal kan de rechtbank bijvoorbeeld het feit betrekken dat de verklaring van verdachte van onvoldoende gewicht is om twijfel te kunnen zaaien over het hem belastende bewijsmateriaal. In die zin zal de rechtbank de verklaring van verdachte dan ook bij haar beslissingen betrekken.

De rechtbank heeft per delict gekeken of voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Zij heeft telkens ambtshalve de betrouwbaarheid van de belastende bewijsmiddelen beoordeeld. De rechtbank komt hierna tot een bewezenverklaring van meerdere van de tenlastegelegde delicten. Daar waar de rechtbank de voor die bewezenverklaarde feiten belastende bewijsmiddelen voldoende betrouwbaar heeft geoordeeld om tot het bewijs te kunnen bijdragen, heeft zij de ontkennende verklaring van verdachte als van onvoldoende gewicht terzijde geschoven.

- ten aanzien van de positieve herkenningen van de verdachte

Zoals hierboven reeds opgemerkt, berust een groot deel van het belastende bewijs op een positieve herkenning door opsporingsambtenaren van verdachte op camerabeelden bij of nabij de betrokken woningen op of rond het moment waarop, dan wel de tijdspanne waarbinnen, de inbraak zich heeft voltrokken en op meerdere overeenkomsten tussen de op de verschillende camerabeelden zichtbare personen.

De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen c.q. conclusies omtrent daderschap aan de hand van beelden en/of foto’s en de bewijskracht daarvan. Dit geldt te meer indien deze herkenningen c.q. conclusies het enige bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij een ten laste gelegd feit zou kunnen aantonen. Bij de beoordeling van het bewijs is dan ook van doorslaggevend belang of deze herkenningen c.q. conclusies voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning c.q. conclusie aan de hand van camerabeelden of afbeeldingen is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende (persoons)kenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de (af)beeld(ing)en evenals de mate van zichtbaarheid van (persoons)kenmerken op die (af)beeld(ing)en. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien, hoe de herkenning tot stand is gekomen en welke rol de politie daarbij eventueel heeft gespeeld. Ten slotte speelt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning c.q. validiteit van een conclusie omtrent daderschap aan de hand van beelden of afbeeldingen ook mee of en zo ja in hoeverre andere bewijsmiddelen voorhanden zijn die op het daderschap van de afgebeelde persoon wijzen.

De rechtbank heeft voor haar beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenningen de beschikking gehad over kwalitatief goede stills van de camerabeelden in het dossier. De rechtbank is van oordeel dat deze stills van voldoende kwaliteit zijn om daarop een herkenning te kunnen baseren, zeker indien het een herkenning betreft van een persoon door een opsporingsambtenaar die deze persoon eerder vaker en in verschillende situaties heeft gezien. Sommige herkenningen zijn evenwel niet alleen maar op stills gebaseerd, maar ook op de bewegende beelden. De rechtbank heeft ter toetsing van de betrouwbaarheid van de herkenningen ter terechtzitting ook de bewegende beelden van de camerabeelden bekeken. De beelden zijn voldoende helder en van goede kwaliteit. Ook deze beelden worden door de rechtbank als geschikt bevonden om daar een betrouwbare positieve herkenning op te kunnen baseren.

Daar waar de rechtbank tot een bewezenverklaring van een tenlastegelegd delict komt en voor het bewijs gebruik maakt van een positieve herkenning van verdachte op die beelden, heeft zij het hiervoor weergegeven toetsingskader gehanteerd en de hiervoor bedoelde behoedzaamheid in acht genomen – conform verzoek van de verdediging overigens – en de herkenning, mede op basis van haar eigen waarneming van de kwaliteit van de bewegende beelden en de stills, als voldoende betrouwbaar geoordeeld om tot het bewijs te kunnen dienen. Van de zijde van verdachte zijn onvoldoende argumenten naar voren gebracht die dwingen tot een ander oordeel.

- ten aanzien van schakelbewijs

De officier van justitie maakt voor de bewezenverklaring gebruik van een zogenoemde schakelbewijsconstructie en stelt daartoe dat een aantal aspecten uit de modus operandi veelvuldig terugkomt in de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank stelt voorop dat met de term schakelbewijs een bewijsvoering pleegt te worden aangeduid waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de — uit één of meer bewijsmiddelen blijkende — omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Daarbij wordt opgemerkt dat ook de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de ten laste gelegde feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeld en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, kan meewegen bij de vraag of op essentiële punten belangrijke overeenkomsten bestaan.

De rechtbank is van oordeel dat de modus operandi in de hier aan verdachte ten laste gelegde feiten niet zodanig specifiek onderscheidend is dat daarmee kan worden gekomen tot een schakelbewijsconstructie. Immers, ook bij andere inbraken dan de ten laste gelegde inbraken worden geld en sieraden gestolen, wordt overdag ingebroken, wordt een voorverkenning gedaan en worden verbrekingshandelingen verricht door een raamkozijn te forceren.

Dat betekent dat daar waar een bewezenverklaring uitsluitend zou kunnen worden gestoeld op een overeenkomstige modus operandi en overig bewijs ontbreekt, zij niet tot een bewezenverklaring zal concluderen.

Een en ander leidt tot de volgende beoordeling met betrekking tot de bewijsvraag.

Vrijspraak

parketnummer 01/879224-19:

ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank het volgende:

In het dossier bevindt zich een aangifte van [slachtoffer 4] , een proces-verbaal van sporenonderzoek, een rapport van het NFI met de uitslag van het onderzoek van het aangetroffen bloedspoor, een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming in de woning van de verdachte en een nadere verklaring van de aangever.

Uit het onderzoek van het NFI blijkt dat in het bloedspoor het DNA-profiel van de broer van verdachte, [naam broer verdachte] , is aangetroffen. Van verdachte is geen DNA-profiel aangetroffen. Het enige bewijs dat op betrokkenheid van verdachte bij deze inbraak zou kunnen wijzen, is het feit dat aangever heeft verklaard dat bij hem soortgelijke munten zijn gestolen als de munten die bij de doorzoeking in de woning van verdachte zijn aangetroffen. De rechtbank constateert echter dat aangeefster [slachtoffer 11] van feit 4 van parketnummer 01-860247-19 dezelfde 10-gulden-munt met beslagnummer [beslagnummer] herkent als haar eigendom. De rechtbank is van oordeel dat aldus geen sprake is van een voldoende betrouwbare herkenning van gestolen voorwerpen door de aangever. Dit klemt te meer, omdat er vele soortgelijke munten in omloop zijn. Daardoor komt aan het meest belastende bewijsmiddel zijn belastende waarde te ontvallen. Er zijn in het dossier geen stukken aanwezig met nadere informatie over de inbraak, ook niet ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte daarbij.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank feit 4 primair en subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

ten aanzien van feit 5 overweegt de rechtbank het volgende:

In het dossier bevindt zich een aangifte van [slachtoffer 5] , het proces-verbaal met betrekking tot de camerabeelden en de processen-verbaal met betrekking tot het uitkijken van de camerabeelden door de verbalisanten.

De verdachte verklaart dat hij inderdaad in de buurt van die woning is geweest met de Audi A3 van zijn dochter, omdat hij zijn broer naar Den Dungen heeft gebracht om een door die broer gekochte auto op te halen. Het staat voldoende vast dat het de broer van verdachte is geweest die vervolgens met de auto van aangever is weggereden. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte iets van een uitvoeringshandeling heeft verricht. Er is ook geen bewijsmiddel voorhanden waaruit kan worden afgeleid dat verdachte wist dat zijn broer van plan was om de auto van aangever te stelen. Verdachte ontkent dat te hebben geweten. De rechtbank veroorlooft zich de opmerking dat aan de waarheidsgetrouwheid van die ontkenning mag worden getwijfeld. Maar al zou kunnen worden vastgesteld dat verdachte van het kwade voornemen van de medeverdachte wist, dan nog kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verdachte aan het delict een zodanige bijdrage heeft geleverd dat van medeplegen kan worden gesproken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van onvoldoende wettig bewijs zodat de verdachte van dit feit behoort te worden vrijgesproken.

parketnummer 01/860247-19:

ten aanzien van feit 6 overweegt de rechtbank het volgende:

In het dossier bevindt zich een aangifte van [slachtoffer 13] , het proces-verbaal met de verklaring van getuige [naam getuige] en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het tijdsbestek tussen dit ten laste gelegde feit en feit 5.

Blijkens de aangifte is er op 11 januari 2019 ingebroken in de woning tussen 7.30 en 18.00 uur. Getuige [naam getuige] heeft die middag om 14.08 uur een zilvergrijze Mercedes met kenteken [kenteken] met daarin twee personen in de straat zien staan. Zij heeft daar foto’s van gemaakt. Er zijn in het dossier in het dossier geen stukken aanwezig met nadere informatie over de inbraak of over de betrokkenheid van verdachte bij die inbraak. Het enkele feit dat verdachte en zijn medeverdachte in de ruime tijdspanne waarin de inbraak is gepleegd daar in de buurt zijn geweest is onvoldoende om daarop hun betrokkenheid bij deze inbraak te kunnen baseren en van schakelbewijs maakt de rechtbank hier, naar hiervoor is overwogen, geen gebruik.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van onvoldoende wettig bewijs, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat voor zover overigens door of namens verdachte een verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde is gevoerd, dit verweer wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit vonnis zullen worden opgenomen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. De betrokkenheid van verdachte bij de bewezenverklaarde delicten vloeit rechtstreeks uit de inhoud van die bewijsmiddelen voort.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier volgt dat bij de ten laste gelegde feiten 1, 2, 3, 6 en 7 van parketnummer 01-879224-19 en bij de ten laste gelegde feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 van parketnummer 01-860247-19 sprake is van medeplegen. De rechtbank constateert bij deze bewezen verklaarde feiten op grond van de bewijsmiddelen telkens een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de broer van verdachte, [naam broer verdachte] . Zowel verdachte als zijn broer leveren een wezenlijke bijdrage aan de gepleegde inbraken, waarbij steeds sprake is van een gezamenlijk plan waarbij ieder zijn eigen rol heeft. Dat die rol niet in ieder bewezen verklaard feit eenzelfde rol is doet daar niet aan af.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

parketnummer 01/879224-19

1. op 19 november 2018 te Nijkerk tezamen en in vereniging met een ander sieraden en een Fritzbox en een televisiekastje, toebehorend aan [slachtoffer 1] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en die weg te nemen sieraden en Fritzbox en televisiekastje onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

2. op 21 november 2018 te Pannerden, gemeente Zevenaar, tezamen en in vereniging met een ander twee armbanden en een ketting, toebehorend aan [slachtoffer 2] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en die weg te nemen armbanden en ketting onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

3. op 22 november 2018 te Bemmel, gemeente Lingewaard, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, toebehorend aan [slachtoffer 3] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en verbreking,, een raam heeft ingeslagen en een hangslot heeft verbroken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6. op 15 januari 2019 te Uden tezamen en in vereniging met een ander een ring en geld, toebehorend aan [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en die weg te nemen ring en dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

7. op 15 januari 2019 te Uden tezamen en in vereniging met een ander een horloge, toebehorend aan [slachtoffer 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en dat weg te nemen horloge onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

parketnummer 01/860247-19

1.

op 21 januari 2019 te Budel, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, toebehorend aan [slachtoffer 8] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, ramen heeft ingeslagen en een slot van een poort heeft verbroken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 21 januari 2019 te Budel, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met een ander geld en sieraden en een horloge en een edelsteen en een tabaksdoos en een bijouteriedoos en munten, toebehorend aan [slachtoffer 9] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en dat weg te nemen geld en die weg te nemen sieraden en dat weg te nemen horloge en die weg te nemen edelsteen en tabaksdoos en bijouteriedoos en munten onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

3.

op 22 januari 2019 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander geld en autosleutels en een auto, Toyota Auris, toebehorend aan [slachtoffer 10] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en dat weg te nemen geld en die weg te nemen sleutels en auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

4.

op 28 januari 2019 te Nuenen, gemeente Nuenen Ca, tezamen en in vereniging met een ander autosleutels en sieraden en horloges en munten toebehorend aan [slachtoffer 11] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en die weg te nemen autosleutels en sieraden en horloges en munten onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

5.

primair:

op 05 februari 2019 te Sleeuwijk, gemeente Altena, tezamen en in vereniging met een ander geld en sieraden en een kussensloop, toebehorend aan [slachtoffer 12] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en dat weg te nemen geld en die weg te nemen sieraden en kussensloop onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist voor een bewezenverklaring van 10 woninginbraken, 2 pogingen daartoe en een autodiefstal een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf te matigen en een passende straf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan 8 woninginbraken in vereniging, 2 pogingen daartoe en de diefstal van een auto. Dergelijke delicten veroorzaken veel maatschappelijke onrust en leiden tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. De woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Een inbraak in de woning veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Daarnaast brengen een woninginbraak en de diefstal van een auto voor de benadeelden materiële schade en overlast met zich mee. Verdachte heeft zich van dit alles niets aangetrokken en heeft zich kennelijk slechts laten leiden door financiële motieven.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte een uitgebreide justitiële documentatie heeft en vele keren eerder is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten.

De reclassering heeft geen rapport uitgebracht over verdachte aangezien hij een pro-criminele houding laat zien en geen hulpvragen heeft.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard en de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf passend is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , parketnummer 01/879224-19 feit 1. De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk verklaren in de vordering voor het gedeelte betrekking hebbend op de materiële schadevergoeding van een bedrag van € 20.740,00, (zegge: twintigduizend zevenhonderdenveertig euro, post niet door verzekering vergoede sieraden), aangezien de bewijstukken van de geleden schade thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit gedeelte van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wat betreft de post smartengeld overweegt de rechtbank overeenkomstig de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1465) als volgt.

Ingevolge art. 6: 106 van het Burgerlijk Wetboek komt nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, zoals smartengeld, in een geval als het onderhavige alleen in aanmerking voor een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

(…)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van lichamelijk letsel of een schending in zijn eer of goede naam is in dit geval geen sprake. Resteert de vraag of de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”. Van een zodanig geval is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Het is op basis van de door de benadeelde partij aangeleverde gegevens echter onvoldoende gebleken dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is echter niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke aantasting in de persoon aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De omstandigheid dat een voorwerp - naast zijn in geld uit te drukken waarde, die ingevolge art. 6:95 en 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt - ook een ‘emotionele waarde’ had, volstaat in beginsel niet om te kunnen aannemen dat het verlies van dit voorwerp een aantasting in de persoon oplevert.

De rechtbank dient in lijn met het vorenoverwogene de gevorderde vergoeding van immateriële schade af te wijzen, omdat de vordering in zoverre geen rechtsgrond vindt in de wet en dus niet voor toewijzing in aanmerking komt.

De rechtbank zal, nu de vordering deels niet wordt toegewezen en deels niet-ontvankelijk wordt verklaard, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] , parketnummer 01/860247-19 feit 4. De rechtbank acht de vordering van [slachtoffer 11] in haar geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] , parketnummer 01/879224-19 feit 5. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] , parketnummer 01/860247-19, feit 5. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering aangezien de bewijstukken van de geleden schade thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn:

  • -

    met betrekking tot welke de feiten zijn begaan, en

  • -

    deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer feit 4 primair en subsidiair en feit 5 en onder parketnummer 01860247-19 feit 6 is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van parketnummer 01/879224-19:

feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; feit 3:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en verbreking; feit 6:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 7:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; ten aanzien van feit 01/860247-19

feit 1:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; feit 4:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; feit 5 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en maatregel:

ten aanzien van parketnummer 01/879224-19 de feiten 1, 2, 3, 6 en 7 en van parketnummer

01/860247-19 de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 primair: gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van parketnummer 01/860247-19 feit 4:maatregel van schadevergoeding van € 12.966,00, subsidiair 99 dagen hechtenis;

legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 11] van een bedrag van € 12.966,00 (zegge: twaalf duizend negenhonderd zesenzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 99 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding (post niet door verzekering vergoede schade);

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

ten aanzien van parketnummer 01/860247-19 feit 4: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] :

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 12.966,00 (zegge: twaalf duizend negenhonderd zesenzestig euro), te weten materiële schadevergoeding (post niet door verzekering vergoede schade);

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

ten aanzien van parketnummer 01/860247-19 feit 5 primair:verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 12] niet ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 12] in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil;

ten aanzien van parketnummer 01/879224-19 feit 5:verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 5] in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil;

ten aanzien van parketnummer 01/879224-19 feit 1:verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk in de vordering voor het gedeelte betrekking hebbend op de materiële schadevergoeding van een bedragvan € 20.740,00, (zegge: twintigduizend zevenhonderdenveertig euro, post nietdoor verzekering vergoede sieraden);

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het gedeeltebetrekking hebbend op de immateriële schadevergoeding af;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil;

verklaart verbeurd de inbeslaggenomen goederen, te weten: boerenpet met ruitjesprofiel (G1471741) en boerenpet met grote ruiten (G1471503);

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

gelast de bewaring van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen 1 tot en met 6 en 9 tot en met 20c (moet zijn 20e) ten behoeve van de rechthebbenden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. A.M. Bossink en mr. T.J. Roest-Crollius, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.H.C. Persoons, griffier,

en is uitgesproken op 29 november 2019.

Mr. T.J. Roest-Crollius is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.