Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:6777

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-11-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
C/01/350938 / KG ZA 19-591
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Inbreuk op eigendomsrecht. Vordering tot ontruiming woning van overleden vader. Eiseres is enig erfgename. Gedaagde is onterfd. Niet aannemelijk dat gedaagde met vader vlak voor diens overlijden een huurovereenkomst voor de woning heeft gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/388
ERF-Updates.nl 2019-0297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/350938 / KG ZA 19-591

Vonnis in kort geding van 21 november 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

mede in hoedanigheid van executeur-testamentair in de nalatenschap van [A] , overleden op 28 juni 2019,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. G.J.M. Philipsen te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. L.L.A. Cox te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 25 oktober 2019 met 10 producties

  • -

    de brief van mr. Philipsen d.d. 4 november 2019 met producties 11 tot en met 13

  • -

    de brief namens mr. Cox d.d. 5 november 2019 met conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met 5 producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Philipsen

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn zus en broer van elkaar. Zij zijn de enige kinderen van [A] (hierna te noemen: vader). [eiseres] en [gedaagde] zijn al langere tijd ernstig gebrouilleerd.

2.2.

Vader is op 28 juni 2019 overleden. Hij verbleef op dat moment in een ziekenhuis in verband met longkanker.

2.3.

Bij testament van 15 november 2012 heeft vader [gedaagde] onterfd en [eiseres] benoemd tot enig erfgename en executeur van zijn nalatenschap.

2.4.

Tot de nalatenschap van vader behoort de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] (hierna te noemen: de woning).

2.5.

Vader woonde voor zijn opname in het ziekenhuis in een gedeelte van de woning. De rest van de woning werd verhuurd aan studenten.

2.6.

[gedaagde] heeft in en om de woning diverse goederen opgeslagen, onder meer in containers. [gedaagde] woonde tot voor kort zelf in een huurwoning gelegen aan de [adres 2] die hij huurt van Stichting Mooiland.

2.7.

Op 28 juni 2019, de dag van zijn overlijden, is van de bankrekening van vader een bedrag van € 1.549,00 overgemaakt naar Stichting Mooiland, zijnde drie maandelijkse huurtermijnen voor de door [gedaagde] gehuurde woning aan de [adres 2] .

2.8.

Begin augustus 2019 heeft [gedaagde] sloten vervangen in en om de woning. Als gevolg daarvan had [eiseres] geen toegang meer tot de woning.

2.9.

Bij brief van haar advocaat d.d. 14 augustus 2019 heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht om voor 1 september 2019 de gestalde goederen bij de woning op te halen en om het bedrag van € 1.549,00 terug te betalen aan de nalatenschap.

2.10.

[gedaagde] heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat hij huurder is van de woning uit hoofde van een met vader gesloten huurovereenkomst. Aanvankelijk verwees [gedaagde] daarbij naar een niet ondertekend huurcontract gedateerd 8 juni 2019.

2.11.

In latere correspondentie verwijst [gedaagde] bij monde van zijn advocaat naar een huurcontract dat is gedateerd 26 juni 2019 en overlegt aan de advocaat van [eiseres] een foto van het ondertekende contract.

2.12.

In het huurcontract waar [gedaagde] zich op beroept staat onder meer dat de huurovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en dat [gedaagde] in de vorm van geleverde tegenprestaties voldaan heeft aan zijn betalingsverplichting van de huurtermijnen voor de komende vijftien jaar.

2.13.

[eiseres] heeft bij brief van haar advocaat d.d. 3 september 2019 de huurovereenkomst van 26 juni 2019 vernietigd met een beroep op artikel 3:44 lid 4 BW.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert samengevat – om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis de woning en containers te ontruimen en de woning ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen onder afgifte van de sleutels van de woning, de erfafscheiding en de containers, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 25.000,00;

  2. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de ontruiming indien hij niet vrijwillig tot ontruiming overgaat;

  3. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eiseres] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

[gedaagde] verblijft zonder recht of titel in de woning. Hij maakt daarmee inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseres] .

De huurovereenkomst waar [gedaagde] zich op beroept is vervalst. [eiseres] betwist de echtheid van de handtekening van vader onder het contract van 26 juni 2019. Het is ook niet aannemelijk dat vader [gedaagde] enerzijds heeft onterfd en hem anderzijds een enorm financieel voordeel heeft willen gunnen. Er was ook geen aanleiding voor het sluiten van een huurovereenkomst omdat [gedaagde] beschikt over een eigen huurwoning. Het is ook ongeloofwaardig dat [gedaagde] de in de huurovereenkomst vermelde tegenprestaties heeft verricht nu het juist vader was die [gedaagde] de afgelopen jaren financieel heeft ondersteund.

En voor zover dat niet het geval is dan is de huurovereenkomst tot stand gekomen door misbruik van omstandigheden. [gedaagde] had moeten begrijpen dat vader zich op 26 juni 2019, enkele dagen voor zijn overlijden, als gevolg van onder meer zijn zwakke fysieke gesteldheid en de morfine die hij kreeg toegediend, in aan afhankelijke positie bevond waardoor hij is bewogen tot het ondertekenen van de huurovereenkomst. [eiseres] heeft de huurovereenkomst daarom op grond van artikel 3:44 terecht vernietigd.

3.3.

[gedaagde] voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

De zaak leent zich vanwege de complexiteit niet voor behandeling in kort geding.

[gedaagde] betwist dat hij zonder recht of titel gebruik maakt van de woning. [gedaagde] heeft een gebruiksrecht uit hoofde van een tussen hem en [eiseres] bestaande huurovereenkomst. Vanaf 2012 heeft vader jaarlijks met [gedaagde] een nieuwe huurovereenkomst gesloten. Laatstelijk is dat gebeurd op 26 juni 2019. Vader heeft de huurovereenkomst met [gedaagde] gesloten in ruil voor zijn onterving. Dat had louter praktische redenen. De verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] is namelijk ernstig verstoord. Vader beschouwde het verhuren van de woning aan studenten als zijn levenswerk en wilde dat dit door [gedaagde] werd voortgezet.

[gedaagde] betwist dat de handtekening van vader onder het huurcontract is vervalst.

Of [gedaagde] in de woning woont is niet relevant voor de geldigheid van de huurovereenkomst.

[gedaagde] betwist dat de huurovereenkomst tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden en om die reden vernietigbaar is. Vader was ten tijde van het ondertekenen van de huurovereenkomst nog helder van geest.

Voor zover huurovereenkomst van 26 juni 2019 al rechtsgeldig zou zijn vernietigd, dan geldt de vorige huurovereenkomst van 8 juni 2019.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert, samengevat, om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    [eiseres] te veroordelen om aan [gedaagde] te betalen de ontvangen huurpenningen sinds 26 juni 2019, dan wel 28 juni 2019, dan wel een datum als de voorzieningenrechter geraden acht;

  • -

    [eiseres] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van de borg van € 300,00;

  • -

    [eiseres] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

4.2.

[gedaagde] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

[gedaagde] heeft uit hoofde van de huurovereenkomst recht op de huurpenningen van de onderhuurders. Die worden ontvangen door [eiseres] op de bankrekening van vader. [eiseres] dient die huurpenningen dus aan [gedaagde] te betalen.

[gedaagde] heeft een bedrag van € 300,00 als borg terugbetaald aan één van de huurders. De borg was destijds door vader ontvangen en had dus door de nalatenschap terugbetaald moeten worden aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft daarom een vordering op [eiseres] uit hoofde van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking.

4.3.

[eiseres] voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

[eiseres] betwist het bestaan van een huurovereenkomst met [gedaagde] . Hij heeft dus geen recht op de huurpenningen.

De vordering tot terugbetaling van de borg strookt niet met de stelling van [gedaagde] zelf dat hij al jaren huurder is.

Voor zover [eiseres] die al zou moeten terugbetalen dan doet zij een beroep op verrekening met de vordering die zij heeft op [gedaagde] ter zake de huurtermijnen die vader ten behoeve van [gedaagde] aan Stichting Mooiland heeft betaald.

Het ontbreekt [gedaagde] ook aan spoedeisend belang. [eiseres] betwist dat [gedaagde] geen inkomsten heeft.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

[eiseres] heeft voldoende spoedeisend belang bij een vordering tot ontruiming van de woning door [gedaagde] . Zij stelt dat [gedaagde] inbreuk maakt op haar eigendomsrecht door in de woning te verblijven. Van haar kan niet worden gevergd dat zij eerst de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

5.2.

Het verweer dat de zaak te complex is voor kort geding faalt. De feiten zijn voldoende duidelijk en de gevolgen van de voorziening in kort geding zijn voor de voorzieningenrechter voldoende te overzien.

5.3.

Vast staat dat [eiseres] enig erfgename is van vader en dat zij thans eigenaar is van de woning. Vast staat ook dat [gedaagde] door vader is onterfd en dat hij geen aanspraak kan maken op de eigendom van de woning. Uitgangspunt is dan dat [eiseres] als eigenaar niet hoeft te dulden dat [gedaagde] zonder haar toestemming gebruik maakt van de woning. Vast staat dat [gedaagde] dat wel doet. Het is aan [gedaagde] om aannemelijk te maken dat hij een gebruiksrecht heeft voor de woning. Daarin is hij niet geslaagd.

5.4.

[gedaagde] stelt dat hij huurder is van de woning uit hoofde van een met vader voor diens overlijden gesloten huurovereenkomst. [gedaagde] heeft een kopie van die huurovereenkomst overgelegd. Strekking van die huurovereenkomst is dat [gedaagde] niet alleen de woning mag huren, maar ook dat hij 15 jaar lang geen huurpenningen hoeft te betalen en dat hij aanspraak heeft op de huurpenningen van de onderhuurders. Dat is voor [gedaagde] zeer lucratief. Voor [eiseres] zou de woning in dat geval in feite alleen een kostenpost zijn. Zij dient als eigenaar wel de aan de woning verbonden lasten te betalen, maar kan feitelijk geen gebruik maken van de woning en zou de komende 15 jaar ook geen huurpenningen ontvangen. Dat lijkt op het eerste gezicht volstrekt onverenigbaar met het feit dat [eiseres] enig erfgename is en [gedaagde] door vader is onterfd.

5.5.

Voor die onterving zal vader een reden hebben gehad. Dat vader dat alleen uit praktisch oogpunt voor onterving zou hebben gekozen vanwege de verstoorde verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] en dat hij [gedaagde] door middel van de huurovereenkomst heeft willen compenseren voor de onterving, acht de voorzieningenrechter niet erg overtuigend. [gedaagde] heeft bovendien ook niet aannemelijk gemaakt dat er een reden was om hem te compenseren, laat staan met een zodanig groot financieel voordeel dat hij de komende vijftien jaar geen huur zou hoeven te betalen en daarnaast ook nog de huurpenningen van de onderhuurders zou ontvangen. [gedaagde] stelt weliswaar dat hij vader altijd financieel heeft bijgestaan en anderszins heeft geholpen, zoals met het verbouwen van de woning, maar hij heeft die stelling verder niet onderbouwd. Dit terwijl [eiseres] de juistheid van die stelling betwist. Uit de overgelegde stukken blijkt enkel dat het vader is geweest die [gedaagde] financieel heeft bijgestaan door de huurpenningen van zijn woning over te maken naar Stichting Mooiland. Dat [gedaagde] vader vervolgens weer contant heeft terugbetaald, zoals [gedaagde] stelt, is niet aannemelijk geworden. Enige concreet bewijs daarvoor ontbreekt.

5.6.

Daar komt bij dat er ook andere redenen zijn om aan het bestaan van de door [gedaagde] gestelde huurovereenkomst te twijfelen. [eiseres] heeft een verklaring overgelegd van een deskundige handschriftonderzoek, [naam deskundige] , die aan de hand van een voorlopig en oriënterend onderzoek reden heeft om te twijfelen aan de authenticiteit van de handtekeningen van vader op het huurcontract van 28 juni 2019. Daarnaast heeft [eiseres] een verklaring overgelegd van de behandelend longarts van vader, [naam arts] , waarin staat dat de conditie van vader de laatste drie dagen voor zijn overlijden hard achteruit is gegaan en dat hij pijnstilling kreeg toegediend. Het ligt niet erg voor de hand dat vader in die fysieke en geestelijke toestand nog een huurcontract heeft ondertekend. In elk geval bestaat voldoende reden om aan te nemen dat als vader dat al heeft gedaan, die rechtshandeling waarschijnlijk tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden en dus met een beroep op artikel 3:44 BW door [eiseres] rechtsgeldig is vernietigd.

5.7.

[gedaagde] stelt dat in dat geval de gelijkluidende huurovereenkomst van 8 juni 2019 zou gelden. Die stelling treft geen doel. Er bestaat voldoende reden om ook aan de geldigheid van die huurovereenkomst te twijfelen. Zo heeft [gedaagde] zonder deugdelijk verklaring pas de ochtend voor de mondelinge behandeling van dit kort geding aan [eiseres] een foto van het ondertekende huurcontract vertrekt. Daarnaast is het op zijn zachts gezegd opvallend te noemen dat vader binnen drie weken twee maal (op 8 en 26 juni 2019) een gelijkluidend huurcontract zou hebben ondertekend. Daarvoor lijkt geen enkele noodzaak te bestaan. [gedaagde] heeft daarover ook geen duidelijkheid verschaft.

5.8.

Slotsom is dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als huurder jegens [eiseres] een gebruiksrecht ten aanzien van de woning kan inroepen. Dat betekent dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] de woning zonder recht of titel gebruikt. Hij zal daarom worden veroordeeld tot ontruiming zoals na te melden. Ook zal hij worden veroordeeld om aan [eiseres] de kosten van de ontruiming te vergoeden voor het geval het tot een gedwongen ontruiming zou komen. Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel.

5.9.

Er bestaat gelet op de verstoorde verhoudingen tussen partijen voldoende grond om [gedaagde] een dwangsom op te leggen.

5.10.

Het verweer van [gedaagde] tegen de vorderingen van [eiseres] lijkt, gelet op de onwaarschijnlijkheid van de door [gedaagde] ingenomen stellingen, door hem tegen beter weten in te zijn gevoerd. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten in plaats van, zoals te doen gebruikelijk bij broers en zussen, de proceskosten tussen hen te compenseren. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,09

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.380,09

5.11.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De vorderingen van [gedaagde] strekken tot betaling van een geldsom. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

6.2.

Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij huurder is van de woning. Dat betekent dat ook onvoldoende aannemelijk is dat hij aanspraak kan maken op de huurpenningen van de onderhuurders. Het eerste deel van de vordering van [gedaagde] zal reeds daarom worden afgewezen.

6.3.

Ook de vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 300,00 ter zake de borg zal worden afgewezen. Van enig spoedeisend belang aan de zijde van [gedaagde] is niet gebleken. [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen inkomsten heeft en het geld daarom nodig heeft. Uit zijn eigen stellingen volgt juist het tegendeel. Zo heeft [gedaagde] ter zitting expliciet verklaard dat hij in verband met een ontnemingsprocedure op papier weliswaar geen inkomsten geniet, maar wel zwart inkomsten verwerft. Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij de huurpenningen die vader overmaakte naar Stichting Mooiland voor de huurwoning van [gedaagde] altijd contant aan vader heeft terugbetaald. Kennelijk beschikt [gedaagde] dus wel over geld.

6.4.

De vordering is daarnaast ook onvoldoende aannemelijk. [eiseres] heeft de vordering, die door [gedaagde] verder niet is onderbouwd, gemotiveerd betwist en doet een daarnaast beroep op verrekening met een vordering op [gedaagde] tot terugbetaling van de door vader betaalde huurpenningen aan Stichting Mooiland. Dat beroep lijkt op voorhand niet kansloos. Vast staat immers dat van de bankrekening van vader op de dag van zijn overlijden aan Stichting Mooiland een bedrag gelijk aan die maandelijkse huurtermijnen is betaald.

6.5.

Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een ander oordeel. Integendeel, het restitutierisico aan de zijde van [eiseres] lijkt levensgroot te zijn zodat zij een zwaarwegend belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] .

6.6.

Slotsom is dat ook het tweede onderdeel van de vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen.

6.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Om dezelfde reden als genoemd in conventie ziet de voorzieningenrechter aanleiding om af te wijken van het gebruik om de proceskosten te compenseren. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op een bedrag van € 490,00 aan salaris advocaat (factor 0,5 × tarief € 980,00).

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning gelegen aan de [adres 1] , kadastraal bekend gemeente [nummers] , en de daar aanwezige containers te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels van de woning, containers en erfafscheiding af te geven aan [eiseres] ,

7.2.

veroordeelt [gedaagde] voor het geval hij niet vrijwillig tot de in 7.1. bedoeld ontruiming overgaat en [eiseres] de ontruiming ex artikel 556 Rv door een gerechtsdeurwaarder laat uitvoeren, om aan [eiseres] te betalen een bedrag gelijk aan de kosten die de gerechtsdeurwaarder aan [eiseres] in rekening heeft gebracht voor de ontruiming, welke kosten blijken uit het proces-verbaal van de ontruiming van de gerechtsdeurwaarder,

7.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet (volledig) aan de in 7.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,

7.4.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

7.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.380,09,

7.6.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen zeven dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

7.7.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.9.

wijst de vorderingen af,

7.10.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 490,00,

7.11.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2019.