Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:6735

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-11-2019
Datum publicatie
06-01-2020
Zaaknummer
19/34
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich bij de opgelegde legesaanslag voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit gebaseerd op de ROEB-lijst. Eiser kan zich niet vinden in de hoogte van de opgelegde legesaanslag. Eiser wijst op het grote verschil tussen de werkelijke bouwkosten en de bouwkosten berekend aan de hand van de ROEB-lijst. Eiser vergelijkt echter niet de werkelijke bouwkosten met de genormeerde bouwkosten; hij vergelijkt de genormeerde bouwkosten met de door hem betaalde koopsom voor een al bestaand bouwwerk. Over werkelijke bouwkosten heeft eiser niets gesteld. Het betoog van eiser gaat daarom niet op. De rechtbank is van oordeel concludeert dat geen sprake is van een onredelijke of willekeurige belastingheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-01-2020
V-N Vandaag 2020/64
FutD 2020-0154
V-N 2020/18.27.13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/34

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Deurne, verweerder

(gemachtigde: L.A.W.G. Janssen).

Procesverloop

Bij aanslag van 29 maart 2018 (de legesaanslag) heeft verweerder van eiser leges geheven ter hoogte van € 3.689,84.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 november 2018 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de legesaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2019. Eiser is naar de zitting gekomen. Namens verweerder is gemachtigde L.A.W.G. Janssen naar de zitting gekomen.

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht om een nadere reactie. Bij brief van 8 augustus 2019 heeft verweerder hierop gereageerd. Eiser heeft gereageerd bij brief van 3 september 2019.

Geen van partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

Eiser heeft op 12 oktober 2017 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit op het adres [adres] . Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de in het procesverloop vermelde legesaanslag van € 3.689,84 opgelegd. Het bedrag bestaat uit € 2.802,84 leges over ‘Bouwactiviteiten omgevingsvergunning’ en € 887,00 leges voor een buitenplanse kleine afwijking.

De bouwkosten die de basis hebben gevormd voor de berekening van de hoogte van de verschuldigde leges heeft verweerder vastgesteld op € 79.944,06 inclusief btw.1 Deze bouwkosten zijn berekend op grond van de zogenoemde ROEB-lijst: een lijst van het Regionaal Overleg Eindhoven Bouwtoezicht met verschillende categorieën bouwwerken met een vast bedrag per m² of m3.

Geschil en beoordeling

  1. In geschil is alleen de hoogte van de in rekening gebrachte leges van € 2.802,84 over de ‘Bouwactiviteiten omgevingsvergunning’.

  2. De rechtbank verwijst naar de bijlage bij deze uitspraak voor het toepasselijke beoordelingskader bij de toetsing van deze zaak.

3. Uit de rechtspraak volgt dat de rechtbank zelfstandig (ambtshalve) moet vaststellen of de toepasselijke regelingen op de juiste wijze bekend zijn gemaakt. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Legesverordening 2017 en de bijbehorende Tarieventabel 2017 met ROEB-lijst op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt, zodat ze in ieder geval in zoverre verbindend zijn. De bekendmaking is ook niet bestreden door eiser.

4. Eiser kan zich niet vinden in de hoogte van de door verweerder opgelegde legesaanslag. Hij voert aan dat de tijdelijke woonunit niet voldoet aan één van de typen bouwwerken die zijn opgenomen in de door verweerder gehanteerde ROEB-lijst, althans redelijkerwijs niet geacht kan worden daaronder te vallen. Eiser wijst op het grote verschil tussen de werkelijke bouwkosten van € 12.500,00 en de bouwkosten berekend aan de hand van de ROEB-lijst van € 79.944,06. Op de zitting heeft eiser ter onderbouwing van zijn standpunt een koopovereenkomst overgelegd, waaruit blijkt dat hij de tijdelijke woonunit heeft gekocht voor € 12.500,00. Gelet hierop is de legesheffing volgens eiser onredelijk en buiten proportioneel en had verweerder de werkelijke bouwkosten als uitgangspunt moeten nemen bij het bepalen van de verschuldigde leges.

5. Verweerder stelt dat de ROEB-lijst in dit geval voorziet in een passende categorie, omdat bij 1.6 de (tijdelijke) woonunit is genoemd. Slechts als de ROEB-lijst niet voorziet in een passende categorie, wordt uitgegaan van de in de aanvraag opgenomen en op redelijkheid getoetste bouwkosten. Verweerder wijst erop dat in verband met de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid niet van de in de Legesverordening 2017 en de daarbij behorende Tarieventabel geregelde werkwijze wordt afgeweken.

6. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de ROEB-lijst in dit geval voorziet in een categorie, omdat bij 1.6. van de ROEB-lijst de (tijdelijke) woonunit als categorie uitdrukkelijk wordt genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank is dus geen sprake van een geval waarin de Tarieventabel 2017 en de ROEB-lijst niet voorziet. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding om van de in de aanvraag opgenomen bouwkosten uit te gaan.

7. Dat brengt de rechtbank op eisers stelling dat zijn tijdelijke woonunit redelijkerwijs niet geacht kan worden onder deze categorie te vallen, gezien het grote verschil tussen de genormeerde bouwkosten en de werkelijke bouwkosten. Daarmee stelt eiser dat sprake is van een onredelijke belastingheffing.

8. In de gemeente Deurne wordt voor het in behandeling nemen van een aanvraag omgevingsvergunning leges geheven. Als heffingsmaatstaf voor het jaar 2017 is in de Tarieventabel 2017 als uitgangspunt gekozen voor genormeerde bouwkosten, te weten bouwkosten berekend op grond van de ROEB-lijst. Een heffingsmaatstaf (de wijze waarop wordt geheven) is in feite een verdelingsmechanisme, waarmee onder meer geborgd wordt dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld.

9. De wetgever in formele zin heeft de heffingsmaatstaf niet voor de gemeente ingevuld. Zoals ook blijkt uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad (HR) van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1174), heeft de wetgever aan de gemeente de bevoegdheid gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat de gemeente in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing. De gemeentelijke wetgever heeft dus bij het bepalen van de heffingsmaatstaf veel vrijheid.

10. Voor onverbindendverklaring is alleen plaats wanneer een regeling is getroffen die in strijd is met de wet of een algemeen rechtsbeginsel.

11. De twee vorige overwegingen brengen mee dat het de gemeente vrijstaat om als heffingsmaatstaf te kiezen voor genormeerde bouwkosten. De ROEB-lijst is gebaseerd op marktgegevens en wordt jaarlijks geactualiseerd. Dat heeft verweerder op de zitting verklaard en eiser heeft dat niet betwist. Een dergelijke heffingsmaatstaf is niet in strijd met de wet of een algemeen rechtsbeginsel. Het vaststellen van normatieve bouwkosten op een bedrag dat aanzienlijk hoger ligt dan de werkelijke kosten, betekent verder op zichzelf nog niet dat de rechter moet ingrijpen. Dat blijkt onder meer uit het recente arrest van de HR van
10 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:689).

12. Nu zegt eiser dat de gekozen heffingsmaatstaf voor hem onredelijk uitpakt, omdat de genormeerde bouwkosten de werkelijke bouwkosten met 539% overschrijden. Wat eiser zegt, klopt echter in zoverre niet, omdat eiser niet de werkelijke bouwkosten met de genormeerde bouwkosten vergelijkt; hij vergelijkt de genormeerde bouwkosten met de door hem betaalde koopsom voor een al bestaand bouwwerk. Over werkelijke bouwkosten heeft eiser niets gesteld. Het betoog van eiser gaat daarom niet op.

13. Ook is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een willekeurige belastingheffing, nu verweerder aan alle aanvragers van een omgevingsvergunning waarbij sprake is van een passende categorie, leges in rekening brengt op basis van de normatieve kosten zoals die volgen uit de ROEB-lijst.

14. In zijn brief van 3 september 2019 beroept eiser zich nog op het gelijkheidsbeginsel. Hij stelt daartoe dat in dezelfde periode als waarin eiser een legesaanslag kreeg en dus onder de Legesverordening 2017, aan anderen legesaanslagen voor tijdelijke woonunits zijn opgelegd gebaseerd op de werkelijke bouwkosten. Eiser verwijst ter onderbouwing naar de bij zijn brief gevoegde bijlage.

15. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Uit de bijlage die eiser ter onderbouwing van zijn standpunt heeft bijgevoegd, blijkt dat in die zaak sprake is van een legesaanslag gebaseerd op de legesverordening van een ander jaar, namelijk de Legesverordening 2018. Van gelijke gevallen, zoals eiser meent, kan dan ook geen sprake zijn. Eiser heeft zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel onder de Legesverordening 2017 niet met andere stukken onderbouwd. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog.

16. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een onredelijke of willekeurige belastingheffing. Uitgaande van de gehanteerde en toegestane heffingsmaatstaf, is een correct bedrag aan leges in rekening gebracht.

17. Het beroep is daarom ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Boekhorst, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J.A. Vermeulen-van Bree, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 22 november 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage: wettelijk kader

De leges zijn vastgesteld op basis van de volgende bepalingen.

1. Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van door het gemeentebestuur verstrekte diensten.

2. Op grond van artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2017 van de gemeente Deurne (de Legesverordening 2017) worden onder de naam 'leges' rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

3. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Legesverordening 2017, worden de leges geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij de verordening behorende tarieventabel (de Tarieventabel 2017).

4. Op grond van titel 2, hoofdstuk 1, onder 2.1.1.1 van de Tarieventabel 2017 worden onder bouwkosten in dit hoofdstuk verstaan: de som van de prijzen per eenheid inclusief 21% omzetbelasting zoals die zijn opgenomen in de door de gemeenteraad vastgestelde ROEB-lijst (lijst van het Regionaal Overleg Eindhoven Bouwtoezicht). Voor zover deze ROEB-lijst niet voorziet in een passende hoofdcategorie wordt uitgegaan van de in de aanvraag opgenomen bouwkosten. Onder bouwkosten worden dan verstaan, de aannemingssom als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid van de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) voor het uit te voeren werk, inclusief 21% omzetbelasting.

5. Uit titel 2, hoofdstuk 3, onder 2.3.1 van de Tarieventabel 2017 - voor zover hier van belang - volgt dat als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het tarief in verhouding tot de vastgestelde bouwkosten, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten, 3,506% bedraagt bij bouwactiviteiten tot een bedrag van € 100.000,00. Het minimum legesbedrag is € 273,65.

1 De bouwkosten zijn berekend op basis van 371,18 (het aantal m3 van de tijdelijke woonunit) vermenigvuldigd met het in de ROEB-lijst genoemde bedrag van € 215,38 per m3, ofwel € 79.944,06. De leges bedragen 3,506% van dit bedrag, ofwel € 2.802,84.