Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:6543

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2019
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
19/1532
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid aanhef en onder a, sub 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in samenhang met onderdeel 11 van artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, voor het plaatsen van een 16 wooneenheden op het perceel Witte Hondpad in Nuenen om te voorzien in tijdelijke huisvesting voor vergunninghouders en andere doelgroepen die zijn aangewezen op sociale woningbouw. Geen strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft verweerder voldoende blijk gegeven van een deugdelijke belangenafweging. Ook heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit de wettelijk voorgeschreven reguliere procedure in acht genomen en betrokkenen via informatieavonden en/of persoonlijke gesprekken de gelegenheid geboden om hun visie te geven op de plannen. Dat eiser grote bezwaren heeft tegen het bestreden besluit betekent niet dat het besluit dan ook onzorgvuldig is genomen.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1532

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, verweerder

(gemachtigden: mr. B.A.P.M. Achterbergh en ing. J. Mulder MSc).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [Stichting], te Eindhoven
(vergunninghoudster).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de plaatsing van 16 woonunits voor de duur van maximaal 10 jaar aan het Witte Hondpad te Nuenen.

Bij besluit van 30 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2019. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Voor vergunninghoudster is [naam] verschenen.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Overwegingen

Feiten

  1. Op 11 juli 2018 heeft verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor het plaatsen van 16 wooneenheden (zogenoemde ‘Heijmans One-woningen’) op het perceel Witte Hondpad in Nuenen (het perceel) om te voorzien in tijdelijke huisvesting door Wooninc. Het perceel wordt omgeven door de Oppenwetseweg, het Witte Hondpad (fietspad), bedrijventerrein ‘ [naam] ’ en de weg Spegelt. De woningen worden voor autoverkeer ontsloten met een toegangsweg aan de Spegelt. Op het perceel worden 12 parkeerplaatsen aangelegd.
    Eiser is sinds 1996 eigenaar van het perceel en het bedrijfsgebouw aan de [adres] , aan de overkant van de beoogde bouwlocatie, welk perceel is gelegen op het bedrijventerrein ‘ [naam] ’.

  2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Omdat de aanvraag in strijd was met de op dat moment van toepassing zijnde bestemming “Groenvoorzieningen” uit het bestemmingsplan “Nuenen Zuid” heeft verweerder tevens vergunning verleend voor ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en c, van de Wabo. Bij dit laatste is toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wabo, in samenhang met onderdeel 11 van artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat het om een tijdelijke omgevingsvergunning gaat. Verweerder heeft zijn standpunt dat de verlening niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening onderbouwd met een bij de aanvraag gevoegde ruimtelijke onderbouwing ‘Witte Hondpad Nuenen’ d.d. 10 oktober 2018 van Rho Adviseurs voor leefruimte (Rho).

  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Op dat moment was het nieuwe bestemmingsplan “Nuenen Zuidoost”, vastgesteld op 27 september 2018, in werking getreden. Op grond van dit bestemmingsplan geldt ter plaatse van de in geding zijnde gronden de bestemming “Groen”. Omdat de plaatsing van 16 tijdelijke woonunits ook in strijd is met dit bestemmingsplan is de ruimtelijke onderbouwing ‘Witte Hondpad Nuenen’ van Rho aangepast (gedateerd 4 april 2019). In het bestreden besluit is gesteld dat verweerder op grond hiervan opnieuw heeft onderzocht of verlening van de vergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens verweerder is de conclusie dat de beoogde afwijking nog steeds aanvaardbaar is. De aangepaste ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel deel uit van het bestreden besluit.
    Aanvrager vergunning

  4. Eiser voert aan dat alles erop wijst dat niet derde-partij maar [naam] de vergunning heeft aangevraagd. De vergunning moet reeds daarom worden vernietigd.

  5. Verweerder heeft hierover gesteld dat het gebruikelijk is dat een aannemer een aanvraag omgevingsvergunning indient namens de opdrachtgever.

  6. De rechtbank stelt vast dat de vergunning aan vergunninghoudster is verleend. Of de aanvraag door vergunninghoudster zelf of door [naam] , in dit geval tevens de leverancier van de woonunits, is ingediend kan geen aanleiding zijn om het bestreden besluit te vernietigen. Het moet ervoor worden gehouden dat de omgevingsvergunningaanvraag is opgesteld en ingediend in opdracht van vergunninghoudster. Zij heeft in samenwerking met de gemeente, ter uitvoering van het Projectplan voor huisvesting, inburgering en participatie van vergunninghouder van 6 juni 2017, het ontwerp gemaakt, de voorwaarden voor realisatie uitgewerkt en overeenkomsten over de realisatie met de gemeente afgesloten. Voor verweerder, die op de aanvraag diende te beslissen, was kennelijk duidelijk dat vergunninghoudster de aanvrager was, anders zou de vergunning aan [naam] zijn verleend. Deze grond slaagt niet.
    Heijmans One-woningen

  7. Voorts stelt eiser dat de keuze voor vergunninghoudster louter is gebaseerd op subjectieve gronden, die er op neerkomen dat de gemeente de Heijmans One-woningen mooier vindt dan de Spaceboxen van Woonbedrijf, terwijl op basis van objectieve gronden voor een samenwerking met Woonbedrijf had moeten worden gekozen, omdat dit tot lagere kosten voor de gemeenschap leidt.

  8. Verweerder heeft hierover gesteld dat uiteindelijk niet voor Spaceboxen is gekozen, omdat om kwalitatieve redenen de voorkeur uitging naar de Heijmans One-woningen. Verder is gesteld dat het project zelf wordt gerealiseerd door vergunninghoudster en dat daaraan in beginsel voor de gemeente geen kosten aan zijn verbonden. Het risico op het ontstaan van de verplichting tot overname is een risico in de toekomst, maar is beperkt in die zin dat tegenover de resterende kosten dan weer huurinkomsten voor de gemeente ontstaan.

  9. De rechtbank overweegt hierover dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Daarbij dient verweerder alleen te toetsen of het project al dan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de daarbij betrokken belangen af te weten. Overigens is niet aannemelijk geworden dat de stelling van verweerder over de aan het project verbonden kosten onjuist is. Deze grond faalt.
    Toepassing artikel 2.12 Wabo

  10. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met een bestemmingsplan, is een bevoegdheid van verweerder. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Verder geldt dat verweerder beleidsruimte heeft bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De bestuursrechter toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

11. Eiser betwist de noodzaak van de tijdelijke woonunits, onder meer omdat er volgens hem geen behoefte meer is aan extra opvanglocaties voor vergunninghouders en er geen recht bestaat op woonruimte van de gemeente.

12. Verweerder stelt hierover dat de gemeente streeft naar voldoende structurele huisvestingsmogelijkheden voor alle doelgroepen die zijn aangewezen op sociale woningbouw, waaronder vergunninghouders. De gemeente heeft de wettelijke taak om te zorgen voor goede volkshuisvesting. Conform de Woningwet worden hierover prestatieafspraken gemaakt met woningcorporaties, zoals vergunninghoudster die het project realiseert. Het Rijk monitoort of de gemeente voldoet aan haar wettelijke taak. Met het project wordt beoogd te voorzien in huurwoningen voor een segment (éénpersoonshuishoudens) waarin de commerciële markt niet voldoende voorziet, noch in Nuenen noch in de regio. Er is, aldus verweerder, een groot openbaar belang gemoeid met de realisering van voldoende huurwoningen voor éénpersoonshuishoudens.

13. De rechtbank is van oordeel, mede gelet op de ruimtelijke onderbouwing en de Woondeal BZK-Stedelijk Gebied Eindhoven-provincie Noord-Brabant, dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat er een grote behoefte bestaat aan de (tijdelijke) huisvesting voor vergunninghouders maar ook voor andere woningzoekenden vanwege de oplopende druk op de sociale huurwoningmarkt. Het enkele feit dat de behoefte aan opvanglocaties voor vergunninghouders is verminderd, laat onverlet dat aannemelijk is geworden dat er nog steeds behoefte bestaat aan het zo snel mogelijk realiseren van huisvestingslocaties voor andere doelgroepen, zoals woningzoekenden die in een noodsituatie zitten en jongeren. Verweerder heeft hieraan een groot gewicht mogen toekennen. Bovendien geldt dat op deze wijze in mogelijke fluctuaties in de hoeveelheid vergunninghouders kan worden voorzien. Deze grond slaagt niet.

14. Eiser betoogt verder dat artikel 5, onderdeel 6, van bijlage II van het Bor in de weg staat aan de vergunningverlening met toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van het bijlage II van het Bor, omdat het project als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) moet worden aangeduid.

15. Verweerder stelt hierover dat bij de plaatsing van deze 16 kleine woonunits geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer. Het gaat weliswaar om een onbebouwde locatie maar ook om gemakkelijk verplaatsbare ‘tiny houses’ die slechts tijdelijk worden geplaatst in een omgeving waarin al tal van woon- en bedrijfsfuncties voorkomen. Een unit is 9,5 meter diep, 3,5 meter breed en ongeveer 6 meter hoog. Het bebouwd oppervlak bedraagt circa 1.000 m². Ter zitting is dit nader door vergunninghoudster gepreciseerd. Volgens haar beslaan de woonunits 620 m², het parkeerterrein 350 m² en de groenvoorziening 500 m².

16. Ingevolge artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor is artikel 4, onderdeel 11, niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het
Besluit mer.

17. In kolom 1, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage van het Besluit mer zijn de activiteiten aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. Uit de toelichting bij het Besluit mer blijkt dat onder de term stedelijk ontwikkelingsproject die projecten worden verstaan, waarbij in één project verschillende activiteiten ondernomen worden, zoals woningbouw of het creëren van bedrijfsruimten, winkelcentra of parkeerterreinen.

18. De vraag of het bouwplan is te beschouwen als een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang een rol spelen. De rechtbank wijst in dit verband op onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694), 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) en 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2414). Uit diezelfde uitspraken volgt dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan als gevolg van het project. Volgens de geschiedenis van totstandkoming van onderdeel D, categorie 11.2 van de bijlage bij het Besluit mer kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Wat ‘stedelijke ontwikkeling’ inhoudt kan van regio tot regio verschillen.

19. In dit geval heeft het perceel de bestemming “Groen”. Deze bestemming staat woonbebouwing niet toe. In die zin is geen sprake van een geringe planologische afwijking.
Echter, daartegenover staat dat het perceel aan de ene kant grenst aan een bedrijfsbestemming en aan de andere kant aan een woonbestemming. Verder kan de ruimtelijke uitstraling van de woonunits op de omgeving gezien de omvang daarvan, de overige bebouwing in de omgeving, waaronder bedrijven, detailhandel, horeca en woningen, en de ontsluiting van het perceel die voor voet- en fietsverkeer plaatsvindt op de Wettenseind en voor autoverkeer op de Spegelt als relatief beperkt wordt beschouwd. In dat geval moet worden geoordeeld dat het project niet als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor kan worden aangemerkt. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van het Bor, deze tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Deze grond faalt.

20. Eiser stelt er, met het oog op de verhuurbaarheid van zijn onroerende zaak, belang bij te hebben dat op zijn perceel activiteiten die vallen onder milieucategorie 3.2 of 4.1, welke activiteiten op grond van het bestemmingsplan en conform de voorwaarden van de overeenkomst met de gemeente op het moment van aankoop van zijn perceel toegelaten zijn, mogelijk blijven. De daarbij wettelijk aan te houden richtafstand van 100 meter voor milieucategorie 3.2-bedrijven, welke afstand voor zijn perceel van toepassing is, verzet zich tegen de vergunningverlening. Verder is de geluidbelasting van de omliggende milieucategorie 3.2-bedrijven bij de besluitvorming ten onrechte genegeerd en is ten onrechte uitgegaan van de feitelijke situatie en van een kwalificatie van de omgeving als ‘gemengd gebied’.
Verder vreest eiser voor overlast voor de omgeving bij de realisatie van het bouwplan. Bekend probleem is volgens eiser dat wooneenheden voor éénpersoonshuishoudens feitelijk bewoond gaan worden door meerdere personen en verweerder doorgaans niet handhavend zal optreden.

21. Ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten die op eisers terrein aan de [adres] kunnen worden uitgeoefend stelt verweerder dat uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het project geen belemmering vormt voor de ter plaatse toegestane bedrijfsactiviteiten, dus ook niet voor de verhuur of verkoop van het perceel [adres] . Voldaan wordt aan de in acht te nemen grootste afstand voor categorie 3.2 bedrijfsactiviteiten. Verweerder verwijst daarbij naar de richtafstanden, opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering-editie 2009” en de daarin opgenomen lijst met bedrijven en bedrijfsactiviteiten die zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke activiteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’ mag volgens verweerder een correctie worden toegepast ten aanzien van de richtafstanden. Verweerder stelt dat het gebied valt aan te merken als een ‘gemengd gebied’ in het kader van de VNG-publicatie. In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich naast woningen, tal van bedrijven en winkels. Iets verderop bevindt zich een kinderdagverblijf en het Feestcentrum [naam] . Van een ‘rustige woonwijk’ is daarom geen sprake.
Wat het perceel van eiser betreft wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter voor een categorie 3.2-bedrijf in gemengd gebied, waarmee een voldoende goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd, aldus verweerder. Over de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie stelt verweerder dat daarbij als voorwaarde geldt dat het dient te gaan om bedrijfsactiviteiten die qua aard, omvang en invloed op het milieu en de omgeving gelijk te stellen zijn met categorie 3.2-activiteiten.
Ten aanzien van de gevreesde overlast voor de omgeving stelt verweerder dat het gaat om kleine huisjes, die zijn ontworpen om te worden bewoond door één persoon. Hoewel aan de bewoning geen voorwaarden zijn gesteld in de omgevingsvergunning en bewoning door een ouder met kind mogelijk is, is de enkele vrees voor overtredingen en dat daarop niet zal worden gehandhaafd, geen reden om geen omgevingsvergunning te verlenen.

22. Wat betreft de richtafstand overweegt de rechtbank het volgende. In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Van de in deze brochure aangegeven indicatieve afstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De indicatieve afstanden die in de VNG-brochure worden aanbevolen, gelden in beginsel tussen enerzijds de grens van de bestemming van een bedrijf en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een in een rustige woonwijk of vergelijkbaar omgevingstype gelegen woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
Indien de omgeving is aan te merken als ‘gemengd gebied’, kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen omschreven. De ‘rustige woonwijk’ is een wijk waar, afgezien van wijkgebonden voorzieningen, vrijwel geen andere functies zoals bedrijven of kantoren voorkomen. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied waar naast wonen ook functies als winkels, horeca, kleine bedrijven of agrarische bedrijvigheid te vinden zijn.
Gelet op de functies die in de nabije omgeving voorkomen en het karakter van het gebied, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet uit kon gaan van een karakterisering van het genoemde gebied als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. Van een wettelijk aan te houden richtafstand van 100 meter voor zijn perceel is dan ook geen sprake. Verweerder heeft mogen uitgaan van een richtafstand van 50 meter. Verder is gesteld noch gebleken dat de afstand van 50 meter tot eisers perceel op onjuiste wijze is vastgesteld.
Voor de bedrijven ten westen en ten noorden van het Witte Hondpad wordt volgens de ruimtelijke onderbouwing niet voldaan aan de geldende richtafstanden, maar deze bedrijven worden reeds beperkt in de uitbreidingsmogelijkheden vanwege de aanwezigheid van woningen aan de Opwettenseweg. Niet is gebleken dat dit uitgangspunt onjuist is. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project geen (nieuwe) belemmering vormt voor de toegestane bedrijfsactiviteiten in de omgeving en dat voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat niet behoeft te worden gevreesd.
Verder is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de bewoning van de woonunits dusdanige overlast voor de omgeving met zich zal brengen dat verweerder hierom geen vergunning had mogen verlenen. Deze gronden slagen niet.

23. Voorts stelt eiser vraagtekens bij de ruimtelijke onderbouwing van het project, omdat verweerder, gezien de offerte van 13 november 2017, kennelijk de kosten voor het opstellen daarvan voor zijn rekening heeft genomen en zodoende in staat was om aan Rho Adviseurs dwingende instructies te geven. Verder blijkt uit het bestreden besluit dat er achteraf op
30 april 2019 een nieuwe ruimtelijke onderbouwing is opgemaakt. Daarin is een voetnoot met onjuiste stellingen over de ligging van de units en de milieucontour van [adres] opgenomen die niet te zien is in de ruimtelijke onderbouwing van 10 oktober 2018. Verder blijkt uit het voorblad van de ruimtelijke onderbouwing van 30 april 2019 dat er nog een ruimtelijke onderbouwing moet zijn geweest van 11 oktober 2018. De rechtbank dient daarom uit te gaan van de eerste ruimtelijke onderbouwing van 10 oktober 2018 (zonder voetnoot).

24. Over de ruimtelijke onderbouwing merkt verweerder op dat aan Rho Adviseurs is gevraagd te adviseren en om een stedenbouwkundige onderbouwing en een IMRO dataset op te stellen. Daarbij is het project getoetst aan het wettelijk kader en het beleidskader. Bij de toetsing van het project door het adviesbureau is aanvankelijk uitgegaan van de milieucontouren voor een ‘rustige woonwijk’. Ter plaatse hoeft echter niet te worden uitgegaan van een ‘rustige woonwijk’. Eiser heeft volgens verweerder uit de verstrekte e-mailwisselingen goed kunnen afleiden hoe de discussie hierover is gelopen. Eiser interpreteert een discussie en het benoemen van risico’s ten onrechte als een instructie van gemeentewege.
Wat de voetnoot in de oorspronkelijke ruimtelijke onderbouwing betreft stelt verweerder dat die voetnoot wel in de tekst is aangegeven met een verwijzingsnummertje, maar onderaan de bladzijde niet is weergegeven. In de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit is deze voetnoot wel te lezen. De hierin vermelde feiten zijn volgens verweerder correct.
Over de data van de ruimtelijke onderbouwingen stelt verweerder dat 11 oktober 2018 de datum van het besluit is en niet de datum van de oorspronkelijke onderbouwing, zijnde
10 oktober 2018. Bij de aanpassing van de onderbouwing is geen sprake van een ‘ex nunc-truc’. In het bestreden besluit is rekening gehouden met het feit dat het onderliggende bestemmingsplan intussen was gewijzigd. De aangepaste ruimtelijke onderbouwing dateert van 4 april 2019 en is op die dag geregistreerd. Om die reden staat in voetnoot 2 van het bestreden besluit de datum 4 april 2019. Op het schutblad van de onderbouwing zelf staat de datum van het bestreden besluit, te weten 30 april 2019.

25. In hetgeen eiser heeft aangevoerd over de ruimtelijke onderbouwing van 4 april 2019 ziet de rechtbank, gelet op het door verweerder hierover gestelde, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verweerder heeft terecht gesteld dat aanpassing van de ruimtelijke onderbouwing nodig was omdat na het nemen van het primaire besluit het ter plaatse geldende bestemmingsplan was gewijzigd. Bij het nemen van een besluit op bezwaar dient verweerder rekening te houden met opgetreden veranderingen in feiten, beleid en recht vanaf het tijdstip waarop het primaire besluit is genomen, uitzonderingen die hier niet aan de orde zijn daargelaten. Deze grond faalt.

26. Eiser heeft verder gesteld dat de bij het project betrokken belangen ondeugdelijk tegen elkaar zijn afgewogen.

27. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. In het vorenstaande is reeds overwogen dat eiser door de plaatsing van de woonunits niet in de exploitatie van zijn bedrijfspand zal worden beperkt evenmin als de andere ondernemers in de omgeving. Daarentegen wordt met het verlenen van deze omgevingsvergunning het mogelijk dat het in geding zijnde perceel binnen afzienbare tijd gebruikt kan worden voor tijdelijke bewoning. Bij de belangenafweging mocht verweerder een groot gewicht toekennen aan de taakstelling van de gemeente en de maatschappelijke urgentie om woningen te bouwen voor éénpersoonshuishoudens.

28. Ten aanzien van de door eiser genoemde alternatieve locaties, waaronder zijn perceel aan de [adres] , overweegt de rechtbank als volgt.
Verweerder heeft hierover gesteld dat het perceel bij besluit van 1 augustus 2017 als voorkeurslocatie is aangewezen. Daaraan voorafgaand zijn verschillende mogelijke locaties
tegen elkaar afgewogen, waarbij is gekeken naar de beschikbaarheid van de locaties, de ligging daarvan ten opzichte van de voorzieningen en of de locatie eerder is gebruikt voor (crisis)opvang. Het perceel aan het Witte Hondpad scoorde als beste. De particuliere locaties [adres] en [adres] zijn vanwege hun ligging grenzend aan tuinen van derden stedenbouwkundig niet geschikt bevonden voor de beoogde huisvesting. Bovendien wilden deze ontwikkelaars daar een permanente bestemming voor woondoeleinden.
Ten aanzien van eisers perceel heeft verweerder gesteld dat dit direct grenst aan bedrijfspercelen waar volgens het bestemmingsplan zich milieucategorie 3.2-bedrijven zouden kunnen vestigen. Dit acht verweerder planologisch niet aanvaardbaar.

29. De rechtbank merkt hierover op dat indien een project op zichzelf voor verweerder aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking kan nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat zo'n situatie zich in dit geval voordoet. Uit de stukken is gebleken dat er wel degelijk andere locaties zijn bekeken, maar die bleken om diverse redenen minder geschikt dan de hier aan de orde zijnde locatie. Deze grond slaagt niet.

30. Ten aanzien van de stelling van eiser dat van vergunninghoudster te weinig bouwleges zijn geheven op grond van de Legesverordening 2018, heeft verweerder terecht gesteld dat deze grond ziet op besluitvorming van een ander bestuursorgaan van de gemeente, te weten de heffingsambtenaar. Dit besluit ligt niet ter beoordeling voor, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

31. Eiser betoogt verder dat de definitieve versie van de Nota Publiekrechtelijke Kaders ontbreekt en waarschijnlijk niet op ruimtelijke plannen is gepubliceerd omdat die versie de gemeente onwelgevallig is. Volgens de conceptversie moet rekening worden gehouden met de bedrijfsactiviteiten van de gevestigde bedrijven en de potentiële vestigingsmogelijkheden.

32. Verweerder heeft hierover gesteld dat een Nota Publiekrechtelijke Kaders geen formele status heeft in het kader van het bestreden besluit. Deze nota is niet meer dan een hulpmiddel om een project van de grond te krijgen, bijvoorbeeld om de uitgangspunten voor een offerteverzoek helder te krijgen. Er hoeft dus geen definitieve versie van te worden gemaakt. De nota is ook geen onderdeel van het bestreden besluit, aldus verweerder.

33. Omdat de Nota Publiekrechtelijke Kaders niet ten grondslag ligt aan het bestreden besluit en ook geen toetsingskader is bij de hier aan de orde zijnde aanvraag omgevingsvergunning, ziet de rechtbank in het feit dat de definitieve versie ontbreekt geen aanleiding voor een vernietiging van het bestreden besluit.

34. Met betrekking tot de vele punten die eiser naar voren heeft gebracht over de (wijze van) informatieverstrekking door verweerder overweegt de rechtbank dat in deze zaak geen besluit op grond van de Wet openbaarheid van bestuur ter beoordeling voorligt. De rechtbank oordeelt op basis van de stukken die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen en die zijn opgenomen in het procesdossier, waarover eiser ook beschikt. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken heeft achtergehouden die hij op grond van wet- en regelgeving aan eiser en/of de rechtbank had moeten verstrekken. De rechtbank acht, gelet op de gestelde gebreken, dan ook onaannemelijk dat zij tot een ander oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit zou zijn gekomen indien zij wel zou beschikken over de door eiser gemiste informatie. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding tot een vernietiging van het bestreden besluit.

35. Voor zover eiser heeft gesteld dat niet wordt voldaan aan de Aanbestedingswet 2012 en de opgegeven kosten van het project niet kloppen, overweegt de rechtbank dat deze gronden, wat van de juistheid hiervan ook zij, gelet op het hier geldende toetsingskader geen reden kunnen zijn om het bestreden besluit te vernietigen.

36. Ook in hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding tot een vernietiging van het bestreden besluit.
Conclusie

37. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft verweerder voldoende blijk gegeven van een deugdelijke belangenafweging. Ook heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit de wettelijk voorgeschreven reguliere procedure in acht genomen en betrokkenen via informatieavonden en/of persoonlijke gesprekken de gelegenheid geboden om hun visie te geven op de plannen. Dat eiser grote bezwaren heeft tegen het bestreden besluit betekent niet dat het besluit dan ook onzorgvuldig is genomen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen nemen.

38. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
4 november 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.