Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:6260

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
6046563 \ CV EXPL 17-4197
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na deskundigenonderzoek. Hoor en wederhoor. Leidraad deskundigen in civiele zaken. Ontstaansmoment peesblessure pony. Dwaling. Non-conformiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 6046563 \ CV EXPL 17-4197

Vonnis van 24 oktober 2019

in de zaak van:

[eiseres] ,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. L.M. Schelstraete,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. S.A. Wensing.

Partijen worden hierna “ [eiseres] ” en “ [gedaagden] ” genoemd.

Dit vonnis is een vervolg op het op 19 juli 2018 door de kantonrechter tussen partijen gewezen tussenvonnis. Bij dit tussenvonnis heeft de kantonrechter de heer [deskundige 1] , specialist Chirurgie Paard, en mevrouw [deskundige 2] , specialist Veterinaire Diagnostische Beeldvorming, beiden verbonden aan de Universiteit Utrecht, Departement gezondheidszorg paard, als deskundigen benoemd.

1 De verdere procedure

1.1.

De verdere procedure blijkt uit:

- het deskundigenrapport van 11 januari 2019, met (4) bijlagen, dat bij akte van
16 januari 2019 ter griffie is gedeponeerd;

- de brief van de griffie van de rechtbank van 22 januari 2019 aan de gemachtigden van partijen met een verwijzing naar de rol van 7 februari 2019 voor het maken van eventuele opmerkingen ten aanzien van de declaratie van de deskundigen;

- de akte uitlaten partijen met een productie (26) van de zijde van [eiseres] ;

- de brief van 6 februari 2019 van de zijde van [gedaagden] ;

- de e-mail van de zijde van mr. Schelstraete van 15 februari 2019 aan de deskundigen, waarbij aan hen - vooruitlopend op een eventuele instructie van de rechtbank - een link naar de UTC-beelden is toegezonden;

- de brief van de griffie van de rechtbank van 18 februari 2019 aan de gemachtigden van partijen, waarbij een gecorrigeerde declaratie is toegezonden en ten aanzien van de inhoud van voormelde akte uitlaten en voormelde e-mail van 15 februari 2019 is meegedeeld dat nader bericht hierover volgt in week 9;

- de e-mail van de griffie van de rechtbank van 25 februari 2019 aan mr. Wensing (met een kopie aan mr. Schelstraete) met het verzoek om te reageren op de e-mail van 15 februari 2019;

- de e-mail van mr. Wensing van 3 maart 2019;

- de brief van de griffie van de rechtbank van 6 respectievelijk 7 maart 2019 aan de gemachtigden van partijen, waarbij is meegedeeld dat de rechtbank geen reden ziet om nadere instructies aan de deskundigen te geven, het deskundigenbericht daarmee is afgerond, en partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld een conclusie na deskundigenbericht in te dienen;

- de conclusie na deskundigenbericht met producties (27 t/m 30) van [eiseres] ;

- de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden]

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie:

Waar het ook alweer over gaat

2.1.

[eiseres] heeft de pony [X] (hierna: de pony) gekocht van [gedaagden] De pony is gekeurd en geleverd op 16 augustus 2016. [eiseres] heeft de pony op 30 september 2016 en 18 oktober 2016 nader laten onderzoeken. Er is toen peesletsel geconstateerd. [eiseres] vordert betaling van [gedaagden] en stelt dat het peesletsel ten tijde van de koop al bestond en zij dus heeft gedwaald, dan wel dat de pony niet aan de overeenkomst beantwoordt.

In het tussenvonnis van 29 maart 2018 heeft de kantonrechter geoordeeld dat op [eiseres] de bewijslast rust van haar stelling dat de pony op de dag van levering behept was met een oude peesblessure die inmiddels tot kreupelheid heeft geleid, althans dat het gestelde peesletsel op de dag van levering (16 augustus 2016) al aanwezig was.

In het tussenvonnis van 19 juli 2018 zijn twee deskundigen benoemd en zijn vragen aan hen geformuleerd.

De kantonrechter blijft bij wat in beide tussenvonnissen is overwogen en beoordeelt de zaak verder als volgt.

Het deskundigenrapport

2.2.

De deskundigen hebben in hun rapport van 11 januari 2019, voor zover relevant, het volgende opgenomen.

Beantwoording van de vragen:

Vraag 1: Is het aan de hand van het materiaal als bedoeld in de brief van 9 april 2017 van [dierenarts 1] (productie 11 bij akte overleggen beslagstukken) mogelijk om duidelijkheid te verschaffen over het ontstaansmoment van de peesblessure aan het rechter achterbeen van de pony [X] ? En zo ja, kunt u een uitspraak doen over de vraag of de peesblessure is ontstaan vóór 16 augustus 2016?

Antwoord 1: Wij gaan er bij de beantwoording van deze vraag vanuit dat met ‘de peesblessure’ bedoeld wordt de buitenste (laterale) tak (schenkel) van de tussenpees (interosseus) RA nabij de splitsing (bifurcatie) RA gezien de informatie van de rapporten van de dierenartsen [dierenarts 2] (30 september 2016, (..)) en [dierenarts 3] (18 oktober 2016, (..)).

Het antwoord is nee, tijdens de keuring op 16 augustus 2016 zijn de schenkels en de bifurcatie van de tussenpees RA niet echografisch onderzocht. Alleen de oorsprong van de tussenpees van beide achterbenen is echografisch in beeld gebracht. De blessure is voor het eerst vastgesteld op 30 september 2016. Dat is 45 dagen (6,5 week) na de keuring op 16 augustus 2016. Daarmee is deze peesblessure niet te antedateren omdat echografische veranderingen aan pezen snel kunnen ontwikkelen. Afhankelijk van het echobeeld kan als antedateringstermijn een periode van dagen tot enkele weken aangehouden worden, maar zeker geen 6,5 week. Zie bijlage 1 voor onze beoordeling van het beeldmateriaal.

Vraag 2: Zo nee, is het wel mogelijk om duidelijkheid te verschaffen omtrent het ontstaansmoment van deze peesblessure door middel van onderzoek van de pony? En zo ja, kunt u aan de hand van dit onderzoek een uitspraak doen over de vraag of de peesblessure is ontstaan vóór 16 augustus 2016?

Antwoord 2: Nee, wij kunnen niet door onderzoek van de pony zelf duidelijkheid verschaffen omtrent het ontstaansmoment van deze peesblessure omdat dat al veel te lang geleden is. Immers, de problematiek aan genoemde pees speelt al vanaf september 2016. Peesblessures kunnen alleen echografisch vastgesteld worden, echografische bevindingen die wij 2 jaar later zouden doen, zijn op geen enkele wijze te antedateren tot aan de koop van 16 augustus 2016.

Vraag 3: In hoeverre is de pony als gevolg van de eventueel vast te stellen peesblessure ongeschikt voor de dressuursport op het niveau ‘Z2’? En wat is de prognose voor de toekomst?

Antwoord 3: Deze vraag kunnen wij niet beantwoorden. In deze zaak wordt gesuggereerd dat de kreupelheid RA verband houdt met echografische afwijkingen aan de buitenste schenkel/bifurcatie van de tussenpees. Er zijn echter nooit diagnostische verdovingen uitgevoerd, daarmee is een causaal verband allerminst zeker. De echografische veranderingen aan de buitenste schenkel/bifurcatie van de tussenpees RA kunnen ook latent aanwezig zijn zonder kreupelheid. Met andere woorden: de kreupelheid RA zou ook een andere oorzaak gehad kunnen hebben. De oorzaak van de kreupelheid RA destijds kan in deze casus niet meer achterhaald worden.

(..)

Vraag 6: Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

Antwoord 6: Nee, wij hebben geen overige opmerkingen. Wij zouden deze zaak als volgt kunnen samenvatten: het gaat in deze zaak in essentie om de vraag of de peesblessure van de buitenste schenkel van de tussenpees nabij de bifurcatie RA te antedateren is tot aan de keuring/koop. Het antwoord is nee en wel om 2 redenen. Eén: er is nooit een causaal verband aangetoond tussen de ontstane kreupelheid RA en de echografische veranderingen die 6,5 week na de keuring/koop vastgesteld zijn. Twee: een periode van 6,5 week na de koop is te lang om met voldoende mate van zekerheid te kunnen stellen dat de echografische veranderingen van de schenkel van de tussenpees al ten tijde van de koop aanwezig zouden moeten zijn geweest.

(..)

Reactie van deskundigen op opmerkingen/vragen van mr. L.M. Schelstraete:

(..)

Reactie 1: (..)

Mr. L.M. Schelstraete geeft aan dat het met UTC mogelijk is om (exact) vast te stellen in welk stadium een peesblessure zich bevindt. Naar onze mening dient deze stelling enigszins genuanceerd te worden: UTC diagnostiek voor peesletsels is door collega dr. [naam collega deskundige] ontwikkeld en gevalideerd voor de oppervlakkige buigpees bij het paard en dat is als zodanig in de literatuur gepubliceerd. In deze zaak draait het om de tussenpees. De tussenpees verschilt zowel anatomisch als functioneel en qua weefselsamenstelling van de oppervlakkige buigpees. Wetenschappers verschillen van mening óf en in hoeverre extrapolatie van UTC technologie van de oppervlakkige buigpees naar de tussenpees consequenties heeft voor interpretatie en beoordeling van UTC beelden. Er is over de toepasbaarheid van UTC diagnostiek bij peesletsel van de tussenpees in de wetenschappelijke literatuur ook nog geen informatie gepubliceerd voor zover wij weten. Interpretatie en beoordeling van UTC beelden van de tussenpees kan dan ook (nog) niet objectief aan wetenschappelijk gepubliceerde maatstaven getoetst worden. Tevens benadrukken wij nogmaals dat er in deze casus nooit een causaal verband aangetoond is tussen de ontstane kreupelheid RA en de echografische veranderingen die
6,5 week na de keuring/koop vastgesteld zijn aan de schenkel van de tussenpees, beoordeling van UTC beelden doet aan deze constatering verder niets toe of af.”

De standpunten van partijen en het oordeel van de kantonrechter

2.3.

[gedaagden] concluderen, kort gezegd, dat er geen reden is om af te wijken van het oordeel van de deskundigen.

2.4.

[eiseres] is daarentegen van mening dat het deskundigenonderzoek niet naar behoren is uitgevoerd en dat geen sprake is van “fair trial”. [eiseres] voert aan dat het beginsel van hoor en wederhoor niet, althans niet naar behoren is toegepast, en dat er in strijd is gehandeld met de “Leidraad deskundigen in civiele zaken” (hierna: “de Leidraad”). [eiseres] verzoekt om die redenen om een nader deskundigenbericht te bevelen.

2.5.

De kantonrechter wijst dit verzoek van de hand. Zij stelt voorop dat het vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt voor de beslissing om de bevindingen van een deskundige te volgen. Wel dienen bij de beantwoording van de vraag - of de conclusies waartoe een deskundige in het rapport is gekomen, in de beslissing zullen worden gevolgd - alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Op basis van die aangevoerde stellingen dient in volle omvang te worden getoetst of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige.

2.6.

In dit geval heeft [eiseres] een aantal bezwaren geuit, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen bezwaren over de wijze van totstandkoming van het rapport en bezwaren over de juistheid van de zienswijze van de deskundigen.

2.7.

De eerstgenoemde bezwaren komen er in de kern op neer dat de deskundigen volgens [eiseres] onwelwillend zijn gebleken om het volledige dossier, althans de volgens [eiseres] cruciale UTC-beelden van 30 september 2016 te bestuderen. Om die reden is in ieder geval vraag 1 niet (volledig) beantwoord. Het rapport is bovendien naar de rechtbank verzonden voordat het “helemaal af was”. Er kan dan ook geen sprake zijn van een objectieve op waarheid gerichte expertise, aldus nog steeds het betoog van [eiseres] .

De kantonrechter oordeelt dat de deskundigen uitvoerig en gemotiveerd op de bij tussenvonnis gestelde vragen hebben geantwoord en tevens uitvoerig en gemotiveerd zijn ingegaan op de opmerkingen en verzoeken die [eiseres] bij het (concept)rapport heeft gemaakt. De kantonrechter ziet geen aanleiding om van de conclusies van de deskundigen af te wijken. Het feit dat de deskundigen [eiseres] niet volgen in haar opmerkingen en verzoeken maakt nog niet dat dus sprake is van schending van hoor en wederhoor. Integendeel: de deskundigen gaan gemotiveerd in op de opmerkingen en verzoeken.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden. Beide partijen zijn conform de Leidraad in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken, de opmerkingen zijn als bijlage aan het rapport gehecht en de reactie van de deskundigen is in het rapport zelf verwerkt. Uit (artikel 5.3.2. onder 25. van) de Leidraad volgt dat het rapport met bijlage(n) het definitieve rapport vormt, dat aan het gerecht wordt toegezonden. De stelling dat het rapport nog niet helemaal af was, houdt dan ook geen stand. De Leidraad bepaalt bovendien uitdrukkelijk dat het feit dat partijen opmerkingen mogen maken, niet betekent dat zij de gelegenheid krijgen om de deskundige(n) te overtuigen van de juistheid van hun standpunt. Deze beoordeling is voorbehouden aan de rechter. Dat een deskundige een verzoek voorlegt aan de rechter, betekent dus evenmin een schending van het beginsel van hoor en wederhoor, temeer nu de Leidraad hierin uitdrukkelijk voorziet.

2.8.

De kantonrechter volgt de deskundigen in hun analyses en ziet geen reden om af te wijken van hun oordeel.
De bezwaren van [eiseres] over de juistheid van de zienswijze van de deskundigen houden in de kern in dat de deskundigen bij de beantwoording van vraag 3 ten onrechte tot uitgangspunt hebben genomen dat het relevant is of er een causaal verband bestaat tussen de kreupelheid RA en de echografische afwijkingen. De deskundigen hebben vraag 3, en de door [eiseres] op een andere (meer algemene) wijze geformuleerde aanvullende vragen, ten onrechte onbeantwoord gelaten, aldus [eiseres] .

De kantonrechter overweegt dat, gelet op het antwoord van de deskundigen op vragen 1 en 2, niet wordt toegekomen aan vraag 3. Vaststaat namelijk dat de deskundigen weliswaar niet hebben beschikt over de UTC-beelden, maar vaststaat dat die beelden dateren van
30 september 2016, terwijl de koop is gesloten op 16 augustus 2016. Tijdens de keuring van 16 augustus 2016 zijn de schenkels en de bifurcatie niet echografisch onderzocht. De deskundigen hebben voldoende gemotiveerd dat de peesblessure in kwestie niet kan worden geantedateerd, omdat echografische veranderingen aan pezen zich snel kunnen ontwikkelen en tussen de keuring/koop en de UTC-beelden te veel tijd (6,5 week) is verstreken. De deskundigen hebben ook de stelling van [eiseres] , dat het met UTC mogelijk is om vast te stellen in welk stadium een peesblessure zich bevindt, voldoende gemotiveerd weersproken, althans genuanceerd. [eiseres] heeft daarentegen volstaan met een verwijzing naar de verklaring van drs. [dierenarts 1] van 9 april 2017. Die verklaring omvat niet meer dan de enkele stelling dat het littekenweefsel (in de pees) te antedateren is tot vóór 16 augustus 2016, zonder die stelling deugdelijk te onderbouwen.

Kortom, de bezwaren van [eiseres] houden niet een voldoende gemotiveerde betwisting in van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen. De kantonrechter volgt de deskundigen in hun oordeel dat het voor de beoordeling niet uitmaakt dat de deskundigen niet hebben beschikt over de UTC-beelden van 30 september 2016. De (formele) bezwaren van [eiseres] op dit punt hoeven daarom ook verder geen bespreking.

Over de aanvullende vragen van [eiseres] overweegt de kantonrechter nog dat de te stellen vragen voorafgaand aan het tussenvonnis van 19 juli 2018 onderdeel zijn geweest van het partijdebat en dat [eiseres] in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. De beantwoording van nadere vragen is niet nodig zoals uit het voorgaande volgt.

Slotsom

2.9.

Gelet op het deskundigenrapport en al het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat de pony op de dag van levering behept was met een oude peesblessure die inmiddels tot kreupelheid heeft geleid, althans dat het gestelde peesletsel op de dag van levering (16 augustus 2016) al aanwezig was. [eiseres] is niet geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs. Het primaire beroep op dwaling en het subsidiaire beroep op non-conformiteit van [eiseres] falen. De vordering van [eiseres] zal worden afgewezen.

2.10.

Omdat [eiseres] ongelijk krijgt, wordt zij veroordeeld in de proceskosten, waaronder ook de kosten van het deskundigenbericht van € 4.356,00 inclusief btw zijn begrepen.

2.11.

De door [gedaagden] gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen daarom worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

2.12.

De overige stellingen van partijen leiden niet tot een ander oordeel en blijven zodoende verder onbesproken.

in reconventie:

2.13.

Gelet op de uitkomst in conventie, is de vordering in reconventie tot opheffing van het conservatoir beslag op de voet van artikel 705 Rv toewijsbaar. Er is (summierlijk) gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [eiseres] ingeroepen recht. De vordering van [eiseres] wordt volledig afgewezen. [eiseres] heeft niet aangevoerd welke belangen zij heeft bij handhaving van het beslag afgezet tegen het belang van [gedaagden] tot opheffing ervan.

2.14.

Omdat [eiseres] ongelijk krijgt, zal zij in de proceskosten worden veroordeeld.

3 De beslissing

De kantonrechter,

in conventie:

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, die € 4.356,00 inclusief btw bedragen aan kosten van het deskundigenbericht, en aan de zijde van [gedaagden] tot heden begroot op € 1.440,00 (3 x € 480,00) als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

3.3.

veroordeelt [eiseres] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 120,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis;

in reconventie:

3.4.

heft op het beslag dat [eiseres] op 8 mei 2017 ten laste van [gedaagden] heeft gelegd onder de Coöperatieve Rabobank U.A.;

3.5.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, die aan de zijde van [gedaagden] tot heden begroot op € 480,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

in conventie en in reconventie:

3.6.

verklaart dit vonnis, waar het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2019.