Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:6109

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
01/865084-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op verschillende tijdstippen schuldig gemaakt aan ernstige vormen van ontucht met een destijds vijfjarig meisje. De rechtbank rekent deze feiten in verminderde mate aan verdachte toe. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met een ambulante behandelverplichting. Daarnaast wordt verdachte een gebiedsverbod opgelegd, inhoudende dat hij zich gedurende vijf jaar niet in de gemeente Geldrop mag ophouden. Aan de [wettelijk vertegenwoordigers van de] benadeelde partij wordt een immateriële schadevergoeding van € 5.000,-- toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865084-19

Datum uitspraak: 25 oktober 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [postcode 1] , [straatnaam 1] ,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 september 2019.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. Hij, meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 01 januari 2019 tot en met 26 juni 2019 te Geldrop, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] ,

die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

terwijl die [slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd,

(telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,

te weten:

- het brengen van zijn, verdachtes, tong tussen de schaamlippen en/of in de vagina van

[slachtoffer] en/of

- het brengen van (een) vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het brengen van (een) vinger(s) in de anus van die [slachtoffer] en/of

- het brengen van (een) vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of

- het aanbrengen van zalf, in elk geval een substantie, tussen de schaamlippen van die

[slachtoffer] ;

2.

Hij, meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 01 januari 2019 tot en met 26 juni 2019 te Geldrop, (telkens) ontucht heeft gepleegd, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , door:

- die [slachtoffer] (gedeeltelijk) te ontkleden en/of

- zichzelf te laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- het brengen/houden van (een) vinger(s) tegen de vagina en/of schaamlippen en/of anus

van die [slachtoffer] en/of

- het likken van de vagina en/of schaamlippen en/of anus van die [slachtoffer] en/of

- het betasten van de benen van die [slachtoffer] en/of

- het aanbrengen van zalf, in elk geval een substantie, op de vagina en/of de schaamlippen

van die [slachtoffer] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

1. in de periode van 01 april 2019 tot en met 26 juni 2019 te Geldrop, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:

- het brengen van zijn, verdachtes, tong tussen de schaamlippen en/of in de vagina van

[slachtoffer] en:

met die minderjarige ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:

- het brengen van (een) vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en

- het brengen van (een) vinger(s) in de anus van die [slachtoffer] en

- het brengen van (een) vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en

- het aanbrengen van zalf, in elk geval een substantie, tussen de schaamlippen van die

[slachtoffer] ;

2.

in de periode van 01 april 2019 tot en met 26 juni 2019 te Geldrop, telkens ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , door:

- die [slachtoffer] gedeeltelijk te ontkleden en/of

- het brengen/houden van (een) vinger(s) tegen de vagina en/of schaamlippen en/of anus

van die [slachtoffer] en/of

- het likken van de vagina en/of schaamlippen en/of anus van die [slachtoffer] en/of

- het betasten van de benen van die [slachtoffer] en:

ontucht heeft gepleegd met die minderjarige door:

- zichzelf te laten aftrekken door die [slachtoffer] en

- het aanbrengen van een substantie op de vagina en/of de schaamlippen van die [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van de beide tenlastegelegde feiten en vordert een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden

gegeven door de reclassering;

- zich gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt,

ambulant laat behandelen door een forensische GGz instelling of een soortgelijke

zorgverlener; - gedurende de proeftijd meewerkt aan een ambulante begeleiding door een zorginstelling

voor personen met een verstandelijke beperking, zoals Lunetzorg of een soortgelijke

instelling.

Daarnaast vordert zij het opleggen van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende dat verdachte zich gedurende een periode van vijf jaren niet zal begeven in de gemeente Geldrop, met bevel dat één week vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.

Zij vordert de maatregel strekkende tot een gebiedsverbod dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank omdat de benadeelde partij zich heeft voorzien van rechtskundige bijstand voor letselschade.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op meerdere tijdstippen in een periode van enige maanden schuldig gemaakt aan ernstige vormen van ontucht met een zeer jong (toen vijfjarig) buurmeisje, te weten [slachtoffer] . [slachtoffer] kwam regelmatig bij verdachte in diens woning, gelegen naast haar ouderlijke woning, spelen. Het jongere zusje van [slachtoffer] vergezelde haar soms.

De ouders van [slachtoffer] vertrouwden verdachte en meenden dat hun dochter bij verdachte in veilige handen was. De ouders van [slachtoffer] en hun dochters waren graag in gezelschap van verdachte en verdachte kwam regelmatig bij hen thuis op bezoek.

Verdachte heeft het vertrouwen dat [slachtoffer] en haar ouders in hem stelden, op verregaande wijze beschaamd. Hij heeft zijn strafbare gedragingen pas toegegeven nadat hij daar op 26 juni 2019 mee werd geconfronteerd door de ouders van [slachtoffer] nadat de vader zijn dochter hoorde huilen toen ze bij verdachte in diens woning was en hij poolshoogte ging nemen, waarbij hij op grond van hetgeen [slachtoffer] vertelde tot de vaststelling kwam dat [slachtoffer] niet van de bank was gevallen, zoals verdachte verklaarde, maar dat er iets anders was gebeurd.

Verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar ouders.

[slachtoffer] bevond zich in een afhankelijke positie van verdachte en was weinig weerbaar. Verdachte wist dit.

Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij/slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Uit de afgewogen verklaring die op indringende wijze door de vader van het slachtoffer is voorgelezen komt naar voren dat het gedrag van [slachtoffer] sinds het misbruik is veranderd en de ouders haar niet meer kennen zoals voorheen. Dit heeft een grote impact op het gezin.

De aan verdachte verweten gedragingen bestaan uit (grof) grensoverschrijdend seksueel gedrag met de jonge [slachtoffer] gedurende een periode van enige maanden waarbinnen de verschillende gedragingen hebben plaatsgevonden in een omgeving waarin [slachtoffer] zich veilig hadden moeten kunnen voelen.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de volgende omstandigheden.

Uit een rapport van de Reclassering Nederland, afdeling Leger des Heils van 27 september 2019 blijkt dat de reclassering het risico op recidive laag inschat. De reclassering adviseert (bij veroordeling) een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering en een ambulante behandeling.

Een op 27 september 2019 door drs. M.J.H. Legra, klinisch psycholoog, omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport houdt onder meer in dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een licht verstandelijke beperking. Ten gevolge van de impulsiviteit en de gerichtheid op korte termijn satisfactie moet de behoefte van verdachte onmiddellijk bevredigd worden, waarbij hij ten gevolge van verminderde vermogens tot abstract en logisch denken geen overzicht had op dan wel besef had van de langere termijn gevolgen. Voorts werd verdachte onvoldoende geremd door een beperking in de sociale vaardigheden (het niet herkennen van de signalen van [slachtoffer] en een beperkt inlevingsvermogen tijdens het plegen van het ten laste gelegde).

Hierdoor is ten tijde van het ten laste gelegde sprake van verminderde gedragskeuzes en een

verminderd vermogen tot sturing van het gedrag. Geadviseerd wordt het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Het risico op een recidive wordt als laag ingeschat. Om het risico op een recidive terug te dringen is het belangrijk dat betrokkene leert om zijn seksuele préoccupatie in goede banen te leiden, dat hij zichzelf gedragsmatig kan reguleren in die zin dat hij het gezelschap van kinderen niet meer opzoekt, dan wel zich afremt als hij in de toekomst wederom de aandrang voelt om een kind (seksueel) te benaderen.

Gezien de motivatie voor behandeling, de vermoedelijke behandeltrouw en responsiviteit van verdachte wordt ingeschat dat een ambulante behandeling voldoende zal zijn om het risico op een recidive terug te dringen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren binnen een forensische polikliniek voor plegers van seksueel misbruik met een verstandelijke beperking.

Naast behandeling is het wenselijk dat betrokkene wederom kan participeren in het

arbeidsproces en blijvend ambulant begeleid wordt door een zorginstelling voor mensen met

een verstandelijke beperking zoals Lunetzorg. Van belang is dan dat deze begeleiders ook op de hoogte zijn van het delict zodat hier ook blijvend zicht op is.

De rechtbank neemt de conclusie, dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend, over en maakt die tot de hare. De rechtbank zal daarmee ten gunste van verdachte rekening houden bij de bepaling van de strafmaat.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking, ten gunste van verdachte, dat:

- verdachte zelf is getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde strafbare feiten in die zin dat verdachte is ontslagen door zijn werkgever nadat deze feiten bekend zijn geworden en verdachte zijn woning in Geldrop heeft moet verlaten;

- verdachte er ter terechtzitting blijk van heeft gegeven oprecht berouw te hebben van zijn strafbare gedragingen en de ernst daarvan in te zien;

- verdachte zich bereid heeft verklaard om mee te werken aan een ambulante behandeling in een forensische kliniek.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank tenslotte ook rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 4 september 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde zou door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend worden.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Daarbij heeft de rechtbank gelet op de adviezen van de reclassering en van de psycholoog voornoemd, zoals verwoord in de rapportages van 27 september 2019. De rechtbank neemt deze adviezen over.

Daarnaast zal de rechtbank de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een gebiedsverbod opleggen.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij. Voor aanvang van de terechtzitting heeft het slachtoffer – daartoe vertegenwoordigd door haar vader – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van materiële en immateriële schade ten gevolge van de aan verdachte tenlastegelegde feiten. De hoogte van die materiële schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 477,51. De hoogte van die immateriële schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 25.000,--.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, de gevorderde materiële schade (€ 477,51) en een immateriële schadevergoeding van € 5000,00, het totale toe te kennen bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (te rekenen vanaf 1 april 2019) tot aan de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank voor zover die een bedrag van € 5000,00 voor immateriële schade te boven gaat niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Van het meer gevorderde is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht, onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen.

De benadeelde partij kan de vordering voor zover die niet wordt toegewezen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 38v, 38w, 57, 244, 247.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het onder feit 1 en onder feit 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:

T.a.v. feit 1:met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, en:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd. T.a.v. feit 2: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2:

- gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van

het Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden

gegeven door de reclassering;

- zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij de

Reclassering Nederland, afdeling Leger des Heils, op het adres [adres reclassering] te

Eindhoven, telefoonnummer [nummer] .

Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de

reclassering het nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

- zich gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt,

ambulant laat behandelen door een forensische GGz instelling of een soortgelijke

zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft

voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan een ambulante begeleiding door een zorginstelling

voor personen met een verstandelijke beperking, zoals Lunetzorg of een soortgelijke

instelling, te bepalen door de reclassering;

waarbij de Reclassering Nederland, Regio Zuid, [straatnaam 2] , [postcode 2] te 's-Hertogenbosch, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, waarbij heeft te gelden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van

het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende dat de

veroordeelde wordt bevolen zich niet op te houden in de gemeente Geldrop voor de duur

van vijf jaren.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

- de maatregel van schadevergoeding van € 5.477,51 subsidiair 62 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer] , wettelijk vertegenwoordigd door de ouders, van een bedrag van € 5.477,51 (zegge: vijfduizend vierhonderd en zevenenzeventig euro en éénenvijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 dagen hechtenis.

Het bedrag betreft een vergoeding van € 5000,00 voor immateriële schade en een vergoeding van € 477,51 voor materiële schade.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (te rekenen vanaf 1 april 2019) tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wettelijk vertegenwoordigd door de ouders, van een bedrag van € 5.477,51 (zegge: vijfduizend vierhonderd en zevenenzeventig euro en éénenvijftig eurocent). Het bedrag betreft een vergoeding van € 5000,00 voor immateriële schade en een vergoeding van € 477,51 voor materiële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (te rekenen vanaf 1 april 2019) tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. L.R.H. Koekoek, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 25 oktober 2019.