Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:610

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
C/01/341372 / KG ZA 18-733
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil over partneralimentatie. LBIO ten onrechte niet gedagvaard. Artikel 1:160 BW. Alimentatieplichtige heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ex-partner samenwoont als ware hij gehuwd. Vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2019/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/341372 / KG ZA 18-733

Vonnis in kort geding van 4 februari 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.A.J.M.I. van Laake te Mill, gemeente Mill en St. Hubert,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.A.M. Olde Loohuis te Boxmeer.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 21 december 2018 met producties A tot en met D4

  • -

    de brief van mr. Olde Loohuis d.d. 17 januari 2019 met 4 producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnotitie van mr. Van Laake

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Olde Loohuis

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn ex-echtelieden. Zij zijn op 12 november 1981 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn geen thans nog minderjarige kinderen geboren.

2.2.

Bij beschikking van 17 oktober 2014 heeft de rechtbank Oost-Brabant de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft tevens bepaald dat het door partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van de beschikking.

2.3.

De echtscheidingsbeschikking is op 4 november 2014 ingeschreven in de openbare registers van de burgerlijke stand.

2.4.

De vrouw is werkzaam in de zorg en ontvangt in dat kader salaris. De man is arbeidsongeschikt en ontvangt een WIA-uitkering.

2.5.

In het echtscheidingsconvenant zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

LEVENSONDERHOUD

Partneralimentatie

(…)

In afwijking op bovenstaande zijn partijen in onderling overleg overeengekomen dat de vrouw de man een bruto partneralimentatie van € 741,00 per maand betaalt.

(…)

Indexering

De bepaalde alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:420a BW, voor het eerst per 1 januari 2015. Partijen zijn er mee bekend dat de alimentatieplichtige zelf voor deze verhoging zorg dient te dragen. Informatie hieromtrent is in de loop van de maand november beschikbaar op de website van het Ministerie van Justitie.

(…)

Artikel 1:160 BW

Indien de man hertrouwt, of een geregistreerd partnerschap aangaat, is het in artikel 1:160 BW bepaalde zonder meer van toepassing: de alimentatie eindigt definitief met ingang van de datum van hertrouwen, respectievelijk het laten registreren van het partnerschap.

In afwijking van het in artikel 1:160 BW bepaalde wordt de alimentatieverplichting van de vrouw opgeschort in geval de man gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd, of als hadden zij hun partnerschap laten registreren doch de alimentatieverplichting herleeft indien de samenleving van de man binnen een periode van drie maanden eindigt door welke oorzaak ook. Voorwaarde voor dit herleven van de alimentatieverplichting is dat de man vóór de aanvang van de samenleving de vrouw schriftelijk in kennis stelt van zijn voornemen om te gaan samenleven, zulks met mededeling van het tijdstip waarop de samenleving zal aanvangen en van de naam van degene met wie hij zal gaan samenleven. Wordt aan deze voorwaarden niet voldaan dan geldt artikel 1:160 BW onverkort ook in geval van samenleven.

De overeengekomen /wettelijke termijn van de alimentatieduur wordt niet verlengd met een periode dat de alimentatie ingevolge het hier bovenstaande bepaalde niet is betaald.

De man kan van vorenstaande bepaalde slechts éénmaal gebruik maken.

Einde

Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht van de vrouw volgens de wettelijke bepalingen (maximaal) 12 jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk. Zulks met dien verstande dat de man tot uiterlijk 3 maanden na ommekomst van de termijn verlenging van deze termijn kan vragen. Verlenging is alleen mogelijk als de beëindiging van de alimentatie voor de man dérmate ingrijpende gevolgen heeft dat de beëindiging in strijd moet worden geacht met de redelijkheid en billijkheid.

(…)

2.6.

De man heeft inmiddels een relatie met mevrouw [naam] die woont aan het adres [adres 1] .

2.7.

De vrouw heeft het vermoeden dat de man sinds januari 2107 samenwoont met mevrouw [naam] en heeft om die reden de alimentatiebetalingen aan de man stop gezet.

2.8.

De man heeft met ingang van februari 2017 een bovenwoning gehuurd aan de [adres 2] . De huurprijs bedroeg € 200,00 per maand.

2.9.

De man heeft het LBIO ingeschakeld om de alimentatiebetalingen te innen.

2.10.

Per 1 april 2018 huurt de man een woning aan het adres [adres 3] .

2.11.

Op 14 augustus 2018 heeft de vrouw bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend

ter beëindiging van de alimentatieverplichting. De man voert verweer. De mondelinge behandeling staat gepland op 6 maart 2019. De zaak is bekend onder zaaknummer C/01/335388.

2.12.

Partijen hebben overleg gevoerd over het treffen van een minnelijke regeling maar zijn het daarover niet eens geworden.

2.13.

In november 2018 heeft het LBIO ten laste van de vrouw loonbeslag gelegd onder haar werkgever. Op dat moment was sprake van onbetaalde alimentatie vanaf de maand april 2018.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

1. het namens de man gelegde beslag onder de werkgever van de vrouw op te heffen,

subsidiair:

2. de man te bevelen het LBIO opdracht te geven tot opschorting van de executie ten laste van de vrouw en niet-uitbetaling aan hem van eventueel al geïncasseerde bedragen in afwachting van het oordeel van de rechtbank in de verzoekschriftprocedure met zaaknummer C/01/335388;

3. de man te veroordelen om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,00 per dag of daggedeelte dat het hiervoor genoemde bevel niet opvolgt;

primair en subsidiair:

4. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De vrouw legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

De man maakt misbruik van bevoegdheid door de executie van de echtscheidingsbeschikking voort te zetten en het loonbeslag te laten liggen.

Duidelijk is namelijk dat de man al vanaf 1 januari 2017 samenwoont met mevrouw [naam] en dus geen recht meer heeft op alimentatie. Het is dan ook waarschijnlijk dat de rechtbank de alimentatieverplichting van de vrouw zal beëindigen en de man zal veroordelen tot terugbetaling van een zeer aanzienlijk bedrag aan onverschuldigd betaalde alimentatie aan de vrouw.

De man lijkt ook geen behoefte meer te hebben aan de alimentatie.

3.3.

De man voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

De man betwist dat hij misbruik van executiebevoegdheid maakt. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een feitelijke of juridische misslag of dat door de executie een noodtoestand voor de vrouw is ontstaan.

De man betwist dat hij samenwoont als ware hij gehuwd. De man heeft wel een relatie met mevrouw [naam] , maar zij wonen niet samen. De man heeft een eigen huurwoning.

De man heeft ook behoeft aan de alimentatie als bijdragen in zijn levensonderhoud. Hij is arbeidsongeschikt en ontvangt een WIA-uitkering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Omdat de zaak internationale aspecten heeft, de man woont immers in Duitsland, rijst allereerst de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Dat is het geval op grond van artikel 5 van de Verordening van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (Verordening (EG) nr. 4/2009). De man is verschenen bij de mondelinge behandeling van dit kort geding en heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet betwist.

4.2.

Vervolgens rijst de vraag welk recht van toepassing is. Dat wordt volgens artikel 15 van de in 4.1. genoemde Verordening bepaald overeenkomstig het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen. Op grond van artikel 5 van dat Protocol is Nederlands recht van toepassing. Partijen zijn ex-echtelieden en het Nederlandse recht is nauwer verbonden met het huwelijk dan het Duitse recht. Partijen gaan ook beiden uit van toepasselijkheid van het Nederlandse recht.

4.3.

Aan de orde in dit executiegeschil is de executie van de echtscheidingsbeschikking van 17 oktober 2014 ter inning van beweerdelijk achterstallige alimentatiebetalingen. De vrouw vordert primair de opheffing van het in het kader van de executie kader ten laste van haar gelegde loonbeslag onder haar werkgever. Dat de voorzieningenrechter bevoegd is om in het kader van een executiegeschil beslagen op te heffen vloeit voort uit artikel 438 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het beslag is in dit geval niet gelegd door de man zelf, maar door het LBIO. Die is daartoe ingevolge artikel 1:408 lid 2 BW gemachtigd door de man. De vordering tot opheffing van het beslag richt zich dus ook tegen het LBIO. Dat betekent dat de vrouw niet alleen de man maar ook het LBIO had moeten dagvaarden. Dat heeft zij niet gedaan. De primaire vordering tot opheffing van het beslag kan reeds om die reden niet worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal de vordering daarom afwijzen.

4.4.

Resteren de subsidiaire vorderingen die strekken tot het geven van een bevel aan de man om, op straffe van een dwangsom, de executie van de beschikking te staken in afwachting van de uitkomst van de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank en om eventueel geïncasseerde bedragen niet aan de man uit te betalen. Voorop gesteld zij dat in een executiegeschil de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een beschikking slechts kan schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Er dient met andere woorden sprake te zijn van misbruik van bevoegdheid.

4.5.

De vrouw stelt dat de man ten onrechte aanspraak maakt op partneralimentatie. Hij zou namelijk al sinds januari 2017 samenwonen met zijn nieuwe partner, mevrouw [naam] , zonder de vrouw daarover op de hoogte te stellen. De man heeft volgens de vrouw dan gelet op de afspraken in het echtscheidingsconvenant geen recht meer op partneralimentatie. De man betwist de door gestelde samenwoning. Het is dan aan de vrouw om dat voldoende aannemelijk te kaken. Het moet gaan om samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW zo volgt uit het echtscheidingsconvenant. De man moet dus samenwonen, althans hebben samengewoond, met mevrouw [naam] alsof zij waren gehuwd of een geregistreerd partnerschap waren aangegaan.

4.6.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat artikel 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd en dat voor de alimentatieplichtige een verzwaarde stelplicht geldt (vgl. HR 20 december 2013, NJ 2014/143). De lat ligt dus erg hoog voor de vrouw. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW pas sprake kan zijn indien er een affectieve relatie van duurzame aard bestaat die meebrengt dat wederzijdse verzorging plaatsvindt, er wordt samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd (vgl. HR 13 juli 2001, NJ 2001/586). De restrictieve uitleg brengt mee dat niet snel mag worden aangenomen dat aan die vereisten is voldaan (vgl. HR 3 juni 2005, NJ 2005/381).

4.7.

Niet in geschil is dat de man een affectieve relatie heeft met mevrouw [naam] . Dat heeft de man expliciet bevestigd (zie randnummer 6 van de pleitnota mr. Olde Loohuis). Ook staat vast dat de man na de verkoop van de voormalig echtelijke woning in december 2016 bij mevrouw [naam] is ingetrokken en dat zij hebben samengewoond. De man stelt dat de samenwoning slechts van tijdelijke aard was, enkel bedoeld om de periode te overbruggen tot hij zijn huurwoning aan de [adres 2] kon betrekken. Mevrouw [naam] zou ook voorlopig nog niet met de man wil samenwonen omdat zij een roerige echtscheiding achter de rug heeft. De man stelt dat hij de huurwoning eerst enkele maanden heeft verbouwd en dat hij na het gereedkomen van de verbouwing ook daadwerkelijk in de woning is gaan wonen. Dat geldt ook voor de woning aan het adres [adres 3] die de man nadien is gaan huren.

4.8.

De vrouw heeft stelt dat de man de huurwoningen enkel heeft aangehouden om de schijn op te wekken dat hij en mevrouw [naam] niet samenwoonden. Hij zou er nooit daadwerkelijk hebben gewoond. De vrouw verwijst ter onderbouwing van die stelling onder meer naar een verklaring van de heer [naam verhuurder 1] , de verhuurder van de woning aan de [adres 2] (prod. 4). De heer [naam verhuurder 1] verklaart dat de man zeer weinig gebruik heeft gemaakt van de woning en daar in 2017 niet meer dat tien keer heeft overnacht. Daarnaast heeft de vrouw nog een verklaring overgelegd van de heer [naam ex-politieman] , ex-politieman die in opdracht van (de advocaat van) de vrouw in de periode van 17 juni tot en met 2 juli 2018 zou hebben gepost bij de woning van mevrouw [naam] aan de [adres 1] (prod. 9). Strekking van die verklaring is dat de heer [naam ex-politieman] zou hebben geconstateerd dat de man in genoemde periode bij mevrouw [naam] inwoonde en dat hij de woning aan het adres [adres 3] enkel als postadres gebruikte. Daarnaast verwijst de vrouw nog naar uitlatingen die de kinderen van partijen tegen haar zouden hebben gedaan die erop zouden wijzen dat de man nooit in zijn huurwoning was maar altijd bij mevrouw [naam] . Ook zou de man een nieuwe auto hebben gekocht voor mevrouw [naam] met het kenteken [kenteken] hetgeen een verwijzing zou zijn naar wederzijdse verzorging.

4.9.

De man heeft de juistheid van die verklaringen gemotiveerd betwist. Hij heeft foto’s overgelegd waarop te zien is dat hij de woning aan de [adres 2] aan het verbouwen is (prod. 1). Daarnaast heeft de man een verklaring overgelegd van zijn broer waarin deze aangeeft dat hij heeft geholpen met de verbouwing en dat de man de woning heeft betrokken met de intentie om daar langere tijd te blijven wonen (prod. 2). Het feit dat de man – naar het zich laat aanzien redelijk omvangrijke - verbouwingen aan de woning heeft uitgevoerd duidt er niet op dat hij deze slechts heeft aangehouden om de schijn op te wekken dat hij een eigen woning had. De broer van de man verklaart dat hij ook diverse keren bij de man op de koffie is geweest in de woning. Hij geeft ook een mogelijke verklaring voor het feit dat de verhuurder heeft verklaard dat de man nauwelijks in de woning aanwezig was. De verhuurder is volgens de broer van de man een narrige en gefrustreerde man die vermoedelijk liever een vrouwelijke huurder had gehad. De man heeft daarnaast een verklaring overgelegd van de verhuurders van de woning van mevrouw [naam] aan de [adres 1] , de heer en mevrouw [naam verhuurders 2] (prod. 3). Zij verklaren dat er voor zover zij dat als directe buren meekrijgen, naast mevrouw [naam] , geen andere personen in de woning wonen. Indien de man, zoals de vrouw stelt, feitelijk elke dag bij mevrouw [naam] in de woning zou verblijven dan zou dat de verhuurders hoogstwaarschijnlijk wel zijn opgevallen. Zij bevestigen daarnaast dat de man sinds begin 2017 een eigen woning had aan de [adres 2] en aansluitend in het voorjaar van 2018 aan het adres [adres 3] . Ten slotte heeft de man een verklaring overgelegd van de verhuurder van de woning aan het adres [adres 3] , de heer [naam verhuurder 3] (prod. 4). Deze verklaart dat de man een keuken in de woning heeft ingebouwd en in de tuin een tuinhuis heeft geplaatst. Ook dat duidt er niet op dat de huurwoning slechts een schijnconstructie is bedoeld om de vrouw om de tuin te leiden. De heer [naam verhuurder 3] verklaart ook nog dat hij kan bevestigen dat de man en mevrouw [naam] regelmatig in twee gescheiden huishoudens leven.

4.10.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man heeft de vrouw naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man met mevrouw [naam] heeft samengewoond of nog steeds samenwoont als waren zij gehuwd. Aan de verklaring van de heer [naam ex-politieman] komt geen doorslaggevende betekenis toe. Het enkele feit dat [naam ex-politieman] verklaart dat hij een ex-politieman is, betekent niet dat aan zijn verklaring doorslaggevende betekenis toekomt. Voorts heeft de vrouw de gestelde uitlatingen van haar kinderen over het samenwonen van de man onvoldoende concreet gemaakt. Van hen zijn geen verklaringen overgelegd. Dat de man mogelijk een auto cadeau heeft gedaan aan mevrouw [naam] met het kenteken [kenteken] bevestigd wellicht het bestaan van een relatie maar betekent uiteraard niet dat ook sprake is van samenwonen.

4.11.

Slotsom is dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de man ten onrechte aanspraak maakt op alimentatie en misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid. Ook de subsidiaire vordering van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

4.12.

Gelet op het feit dat partijen ex-echtelieden zijn zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2019.