Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5939

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
01/993248-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim drie maanden leiding gegeven aan een criminele organisatie (feit 2) gericht op het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van (synthetische) drugs (feit 1). Op grote schaal vonden transporten plaats van chemicaliën vanuit Polen, al dan niet via Duitsland, naar Nederland uitgevoerd. Hierbij ging het vaak om tonnen aan gewicht van chemicaliën als zoutzuur, fosforzuur en aceton. Met dergelijke hoeveelheden chemicaliën konden miljoenen XTC-tabletten en zeer grote hoeveelheden amfetamine geproduceerd worden. Er was sprake van een professionele werkwijze die onder andere bleek uit de grote hoeveelheid locaties alsmede uit de grote hoeveelheid aangetroffen chemicaliën en apparatuur. De productie van harddrugs dient krachtig te worden bestreden. De (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en de dumpingen van drugsafval brengen grote veiligheidsrisico’s en risico’s voor de volksgezondheid met zich mee. Voorts pleegt deze handel – naar algemeen bekend verondersteld – internationale vormen aan te nemen en gepaard te gaan met zeer ernstige vormen van gewapende criminaliteit.

Tevens is het bezit van 100 XTC-pillen bewezen verklaard.

Er volgt een technische vrijspraak voor het verboden wapenbezit.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar en 9 maanden met aftrek van voorarrest.

Onderzoek Livonia

Samenhang met ECLI:RBOBR:2019:5937 en ECLI:RBOBR:2019:5938.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/993248-18

Datum uitspraak: 17 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende op het adres [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 10, 11, 17 en 18 september 2019 en 3 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 juni 2018.

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 10 september 2019 – ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 oktober 2017 tot en met 16 april 2018 te Son en Breugel en/of 's-Hertogenbosch en/of Best en/of Odiliapeel, gemeente Uden, en/of Eindhoven en/of (elders) in Nederland en/of Polen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) amfetamine en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (elk) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of (een) ander(e) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of

mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid

en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die

feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e)

betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en)

of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die

feit(en) (sub 3°),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens)

- op/bij een of meer locaties laten afleveren en/of opgehaald en/of laten ophalen en/of in ontvangst

genomen en/of in ontvangst laten nemen en/of betaald en/of laten uit-/overladen en/of (vervolgens)

naar/bij/in een of meer locaties laten vervoeren en/of laten lossen en/of ondergebracht en/of

onder laten brengen en/of opgeslagen en/of op laten slaan en/of voorhanden gehad:

- ( een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën, waaronder aceton en/of caustic soda en/of mierenzuur

en/of zoutzuur en/of formamide en/of fosforzuur – zijnde (elk) een stof geschikt/benodigd voor de

bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of MDMA, in

elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I - en/of

- een of meer jerrycans en/of IBC's en/of gasflessen en/of (andere) hardware en/of

- een of meer van voornoemde locaties (hiertoe) ter beschikking gesteld en/of laten gebruiken en/of

een of meer van voormelde transporten gecoördineerd en/of

- in het kader van voornoemde activiteit(en) met elkaar en/of (de) leverancier(s) en/of vervoerder(s)

(telefonisch) contact gelegd/onderhouden en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (een)

afspra(a)k(en) gemaakt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2017 tot en met 16 april 2018 te Son en Breugel en/of 's-Hertogenbosch en/of Best en/of Odiliapeel, gemeente Uden, en/of Eindhoven en/of (elders) in Nederland en/of Polen als leider en/of bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet;

3.

hij op of omstreeks 16 april 2018 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 100 pillen, in elk geval een hoeveelheid, (van een materiaal bevattende) MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op of omstreeks 16 april 2018 te Eindhoven, althans in Nederland, een wapen van categorie II, te weten een riotgun, en/of munitie van categorie II voorhanden heeft gehad;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

In oktober 2017 is onder leiding van het Openbaar Ministerie door de politie-eenheid Oost-Brabant een opsporingsonderzoek gestart onder de naam 26Livonia. Dit onderzoek werd onder andere opgestart naar aanleiding van informatie van de Poolse politie met betrekking tot transporten van voor de productie van chemische drugs bestemde chemicaliën vanuit Polen, al dan niet via Duitsland, naar Nederland. Er zijn diverse bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet zoals het verzamelen van informatie over de tenaamstelling van gebruikte voertuigen en het gebruiken van track and trace apparatuur. Daarnaast hebben er veelvuldig observaties plaatsgevonden en is er gebruik gemaakt van telefoontaps.

Op basis van het verrichte onderzoek, zoals dat is neergelegd in het strafdossier, heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat er in de periode van januari 2018 tot en met april 2018 transporten van voor de productie van chemische drugs bestemde chemicaliën vanuit Polen (via Duitsland) naar Nederland hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarbij met name acht geslagen op de verklaringen van de in Polen opererende verdachten met betrekking tot de verkoop en levering van de chemicaliën en met betrekking tot het transport van die chemicaliën, alsmede op het door de politie vele malen waarnemen van in Nederland (met name in Son en Breugel, [straatnaam] , in ’s-Hertogenbosch, [straatnaam 2] en in Odiliapeel, [straatnaam 3] ) arriverende Poolse vrachtauto’s die daar ter plaatse telkens werden opgevangen en gelost door verscheidene personen. Gaandeweg het onderzoek kwamen ook andere locaties zoals [straatnaam 4] te Venlo, [straatnaam 5] in Uden en de [straatnaam 6] in Nuenen in beeld.

Op 16 april 2018 respectievelijk 4 april 2018 werden voornoemde locaties doorzocht. Op alle locaties -behoudens de [straatnaam] in Son en Breugel- werden grote hoeveelheden chemicaliën aangetroffen. Onder meer verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 8] kwamen in het onderzoek naar voren als mogelijke betrokkenen bij (één of meer) locaties.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden gelet op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage gevoegd bij dit vonnis, en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2.

Op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna bewezen is verklaard.

Vastgestelde feiten en omstandigheden.

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende af.

Op basis van het verrichte onderzoek, zoals dat is neergelegd in het strafdossier, heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat er in de periode van november 2017 tot en met april 2018 transporten van voor de productie van harddrugs bestemde chemicaliën vanuit Polen (via Duitsland) naar Nederland hebben plaatsgevonden. De transporten gingen in 2017 voornamelijk naar de Limburgse locaties in Bergen, Sittard en Weert. Vanaf begin 2018 kwamen de locaties [straatnaam] in Son en Breugel, de [straatnaam 2] in ’s-Hertogenbosch en de [straatnaam 3] in Odiliapeel in beeld.

Het Nederlandse onderzoeksteam ontving in oktober 2017 informatie van de Poolse politie dat

de in Nederland verblijvende [betrokkene] zich bezighield met transporten van voor de productie van harddrugs bestemde chemicaliën vanuit Polen naar Nederland. Ook zou hij de leider zijn van deze criminele drugsorganisatie en samenwerken met mensen uit Polen. Hierop zijn diverse bijzondere opsporingsmiddelen ingezet.

Eind 2017 ontving het Nederlandse onderzoeksteam wederom informatie vanuit Polen. De organisatie in Polen zou in handen zijn van [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Tegenover de Poolse politie heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij inderdaad betrokken was bij transporten van chemicaliën naar Nederland en dat daarbij onder meer de locatie ’s-Hertogenbosch is aangedaan. [medeverdachte 1] heeft niet willen verklaren over zijn opdrachtgever(s)/afnemer(s) in Nederland.

Een aantal andere in beeld gekomen Poolse betrokkenen, waaronder de dochter en de schoonzoon van [medeverdachte 1] , hebben daarover wel een en ander verklaard. Zo heeft zijn dochter [naam dochter verdachte] verklaard dat zij in 2016 een eigen transportbedrijf heeft opgericht en dat zij toen door [medeverdachte 1] is benaderd met de vraag of het mogelijk was om transporten van chemicaliën te organiseren. Deze chemicaliën waren afkomstig van het bedrijf [bedrijfsnaam] in [plaats in Polen] . Volgens [naam dochter verdachte] gaf [betrokkene] vanuit Nederland de bestelling van chemicaliën door, waarna een Pools transport de chemicaliën, al dan niet via Duitsland, afleverde in Nederland. Haar vader, [medeverdachte 1] , had haar gezegd dat [betrokkene] niet wilde dat zij wisten waar de goederen terecht kwamen. Toen [betrokkene] eind 2017 ziek werd is er een onderbreking geweest maar daarna vertelde haar vader dat hij een nieuw contact met een afnemer in Nederland had gevonden. Sindsdien waren er geen problemen meer met leveringen, aldus [naam dochter verdachte] .

Ook de schoonzoon van [medeverdachte 1] , [naam schoonzoon medeverdachte 1] , heeft verklaard dat de chemicaliën in eerste instantie door ene [betrokkene] werden besteld en dat hij wist dat de chemicaliën, afkomstig van [bedrijfsnaam] dienden voor de productie van drugs. De jerrycans waren blauw met letters erop. Eind 2017 werd het contact met [betrokkene] verbroken en had [medeverdachte 1] een nieuw contact in Nederland. De transporten gingen onder meer naar de locatie ’s-Hertogenbosch. De transporten bleven buiten de facturering.

[werknemer bedrijf Polen] , werknemer bij [bedrijfsnaam] , heeft verklaard dat hij aan [medeverdachte 1] zoutzuur, aceton, fosfor formamide en waarschijnlijk soda vlokken verkocht en dat [medeverdachte 1] hem had verteld dat de jerrycans op de dop gemarkeerd moesten worden met de letter van de stof die erin zat. [medeverdachte 1] rekende cash af met de baas van [bedrijfsnaam] , de [naam baas bedrijf Polen]

heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem had verteld dat de door hem bestelde grondstoffen in Nederland werden gebruikt voor de productie van methamfetamine en amfetamine. [werknemer bedrijf Polen] was het vaste contact van [medeverdachte 1] . Hij verklaarde ook dat [medeverdachte 1] en [werknemer bedrijf Polen] in maart 2018 samen naar Nederland zijn geweest en dat toen zij terug waren er tegen [naam baas bedrijf Polen] werd gezegd dat die mensen in Nederland groter waren dan Escobar (de rechtbank merkt op dat het een feit van algemene bekendheid is dat Escobar de naam is van een persoon in Colombia die in de jaren ’80 en ’90 op grootschalige wijze internationaal handelde in harddrugs, met name cocaïne).

Inmiddels was uit politieonderzoek naar voren gekomen dat [betrokkene] vanaf januari 2018 geen betrokkenheid (meer) had bij de transporten van chemicaliën. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er daarom vanuit dat [medeverdachte 1] vanaf januari 2018 een nieuwe afnemer in Nederland had van de transporten van voor de productie van drugs bestemde chemicaliën. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wie deze nieuwe afnemer(s) was/waren. De rechtbank heeft vervolgens geen aanknopingspunten aangetroffen in het dossier dat er (mogelijk) meerdere afnemers in Nederland waren. Evenmin heeft het verhandelde ter zitting tot zodanige aanknopingspunten geleid.

Betrokkenheid verdachte.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is gebleken dat de transporten van chemicaliën vanaf januari 2018 onder meer plaatsvonden naar het bedrijfsterrein van verdachte aan de [straatnaam] in Son en Breugel. Zo ontstond het vermoeden dat verdachte betrokkenheid had bij de transporten van deze chemicaliën. Uit observaties is gebleken dat [medeverdachte 1] vanaf januari 2018 met grote regelmaat in Nederland was en dat hij tijdens deze bezoeken ook werd gezien op de [straatnaam] . Verder straalde zijn telefoon met grote regelmaat mastlocaties aan op of nabij de [straatnaam] .

Op 5 januari 2018 arriveert [medeverdachte 1] op genoemde locatie, heeft hij contact met verdachte en gaat vervolgens zijn kantoor binnen.

Op 12 januari 2018 en op 24 januari 2018 is [medeverdachte 1] wederom op de [straatnaam] .

Op 24 januari 2018 rijden vanuit [straatnaam] twee Poolse voertuigen waarvan [medeverdachte 1] er één bestuurt, naar de [straatnaam 2] in ’s-Hertogenbosch. Verdachte als bestuurder van een Mercedes [kenteken] rijdt het terrein van de [straatnaam 2] op. Het voertuig voorzien van kenteken [kenteken 2] wordt ter hoogte van garagebox [garagebox nummer] geparkeerd met de achterkant naar garagebox nummer [garagebox nummer] , waarna de achterkant wordt geopend. Geobserveerd wordt dat [medeverdachte 1] , verdachte en een onbekend gebleven man bij de geopende achterzijde van dit voertuig staan. Daarna wordt de andere Poolse auto, waarin [medeverdachte 1] had gereden, de garagebox in gereden.

Op 1 februari 2018 is [medeverdachte 1] wederom op de [straatnaam] , nadat hij eerder die dag de locatie [straatnaam 2] had bezocht.

Op 10 februari 2018 is [medeverdachte 1] in Nederland. Dit blijkt uit tapgesprekken van die dag, waarin hij meerdere keren telefonisch contact heeft met onder andere zijn dochter [naam dochter verdachte] .

[medeverdachte 1] zegt daarin dat hij boos is omdat het transport te laat is en dat ‘hij’ vandaag naar Spanje vertrekt. Verder zegt [medeverdachte 1] tegen [naam dochter verdachte] dat de ontvangers al vanaf 08:00 uur staan te wachten en dat ‘zij’ met vakantie gaan. Enkele uren later zegt [medeverdachte 1] dat er gelost is maar dat hij nog wacht op een telefoontje van ‘hem’ om het geld op te halen. Ook dan benadrukt [medeverdachte 1] weer dat ‘hij’ die dag voor vijf dagen op vakantie gaat naar Spanje. Uit de reisgegevens van verdachte blijkt dat hij, verdachte, op 10 februari 2018 omstreeks 16.25 uur is vertrokken naar Malaga en op 14 februari 2018, weer terugvloog naar Nederland.

Op 23 februari 2018 zegt [medeverdachte 1] in een telefoongesprek met een Poolse man genaamd [naam betrokkene 2] dat hij contact heeft gehad met iemand die nog in Spanje is. Deze persoon zou een dag later terugvliegen naar Nederland en dan een ontmoeting hebben met hem, [medeverdachte 1] . Enkele uren later heeft [medeverdachte 1] wederom contact met [naam betrokkene 2] waarin [medeverdachte 1] zegt dat zijn baas nog in Spanje is. Uit reisgegevens van verdachte blijkt dat hij op 22 februari 2018 vanuit Eindhoven naar Barcelona is gevlogen en op 23 februari 2018, in de avond vanuit Valencia naar Rotterdam is gereisd.

Op 25 februari 2018 straalt de telefoon van [medeverdachte 1] omstreeks 11.22 uur de zendmast [straatnaam 7] in Son en Breugel aan. In een telefonisch gesprek met ene [naam betrokkene 3] zegt [medeverdachte 1] dat zijn afspraak die dag is verzet van 11:00 uur naar 12:30 uur. Om 16.27 uur heeft [medeverdachte 1] wederom telefonisch contact met [naam betrokkene 3] en zegt hij dat de persoon met wie hij een afspraak had pas om 15.00 uur kwam opdagen. De telefoon van verdachte maakte op 25 februari 2018 omstreeks 15:25 uur gebruik van een zendmast op het industrieterrein [naam industrieterrein] in Son en Breugel.

Op 2 maart 2018 omstreeks 10.48 uur zegt [medeverdachte 1] in een telefoongesprek met [naam betrokkene 3] dat hij bij zijn baas is aangekomen en dat hij bang is om hem te ontmoeten omdat er rare dingen gaande zijn. Op dat moment maakt [medeverdachte 1] gebruik van de zendmast [straatnaam 8] in Son en Breugel. Om 11.43 uur zien observanten dat [medeverdachte 1] met het voertuig voorzien van kenteken [kenteken 3] het terrein [straatnaam] oprijdt.

Op 3 maart en op 25 maart 2018 straalt de telefoon van [medeverdachte 1] weer een zendmast nabij de [straatnaam] aan.

Op 25 maart 2018 omstreeks 17.46 uur zegt [medeverdachte 1] in een telefoongesprek met een Poolse NN-man dat hij ter plaatse is en dat de persoon met wie hij een afspraak heeft onderweg is. Uit camerabeelden blijkt dan dat verdachte op 25 maart 2018 om 17.47 uur vanuit zijn woning aan de [straatnaam 9] in Eindhoven vertrekt in een Volkswagen Golf en omstreeks 18.47 uur met dit voertuig het industrieterrein [naam industrieterrein] oprijdt.

Verdachte heeft verklaard dat zijn contact met [medeverdachte 1] zakelijk van aard was en dat alle

contactmomenten zagen op de handel in auto’s dan wel bemiddelde in de aan- en verkoop van auto’s. Verdachte had derhalve niets van doen met de transporten van voor de productie van drugs bestemde chemicaliën, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat zij voor de verklaring van verdachte geen concrete aanknopingspunten in het dossier heeft aangetroffen. Zo is bijvoorbeeld niet uit verdachtes administratie gebleken dat hij activiteiten ontplooide in de handel van of bemiddeling in auto’s, noch dat hij met [medeverdachte 1] gehandeld heeft in auto’s, afgezien van mogelijk een enkele verkoop van een Volkswagen Golf Plus. Voorts past de lezing van verdachte niet in hetgeen door observanten is waargenomen op onder meer 11 en 24 januari 2018.

Op 11 januari 2018 werd op het bedrijfsterrein van verdachte aan [straatnaam] een Pools voertuig met chemicaliën gelost door (onder andere) medeverdachte [medeverdachte 2] . Op 24 januari 2018 werd een Pools voertuig voorzien van kenteken [kenteken 4] tegen een geopende roldeur van de loods op zijn bedrijfsterrein gezet. Uit informatie van de Poolse politie is gebleken dat dit voertuig eveneens was geladen met chemicaliën. Het vervoer van chemicaliën vanuit Polen en de betrokkenheid van [medeverdachte 1] daarbij passen in diens eigen verklaringen in het Poolse politieonderzoek. Bovendien reden verdachte in zijn eigen auto en [medeverdachte 1] met twee Poolse vrachtauto’s op laatstgenoemde datum naar de [straatnaam 2] in ’s-Hertogenbosch alwaar de achterzijde van één vrachtauto vlak voor de deur van de garagabox enige tijd werd geopend. Gezien werd dat zowel [medeverdachte 1] als verdachte bij de geopende achterklep van een Pools voertuig stonden. Daarna reed dit voertuig weg en werd de andere vrachtauto de garagebox binnengereden en kwam deze na korte tijd weer naar buiten. Dit valt moeilijk te rijmen met de verklaring van verdachte dat (ook) dit contact met [medeverdachte 1] van doen had met de handel in auto’s of met de bemiddeling in de aan- of verkoop van een auto. De garagebox [straatnaam 2] te ‘s-Hertogenbosch is een locatie waar op 16 april 2018 tijdens een doorzoeking een grote hoeveelheid chemicaliën is aangetroffen.

In dit verband is ook belangrijk dat [medeverdachte 1] op 10 februari 2018 in een telefoongesprek met zijn dochter laat blijken boos te zijn en aangeeft ervoor te vrezen dat zijn zaken “naar de kloten” zouden gaan en dat “hij” geen zaken meer met [medeverdachte 1] wilde doen, vanwege de omstandigheid dat een chauffeur met een transport met chemicaliën uit Polen veel te laat op het adres van bestemming, te weten de [straatnaam 2] , zou zijn. Het gaat daar niet om het te laat aanleveren van auto’s. Degene die dan geen zaken meer zou willen doen met [medeverdachte 1] betreft blijkens het telefoongesprek dan de “ontvanger” met wie [medeverdachte 1] een afspraak had en die toen op het punt stond om voor vijf dagen op vakantie te gaan naar Spanje. Uit het onderzoek komt naar voren dat verdachte op 10 februari 2018 met zijn gezin naar Malaga op vakantie ging en 14 februari 2018 weer terug kwam.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn om buiten redelijke twijfel tot de conclusie te komen dat verdachte de nieuwe contactpersoon van [medeverdachte 1] was en dat verdachte degene is die door [medeverdachte 1] zijn baas werd genoemd. Voor de rechtbank staat hiermee eveneens vast dat verdachte vanaf 1 januari 2018 de opdrachtgever was van alle transporten van voor de productie van drugs bestemde chemicaliën vanuit Polen, al dan niet via Duitsland, naar Nederland. Blijkens het voornoemde telefoongesprek van 10 februari 2018 gaat het om het naar de kloten gaan van “zijn zaken” en over het geen zaken meer willen doen, hetgeen er naar het oordeel van de rechtbank op duidt – zeker tegen de achtergrond van de hoeveelheid transporten in relatief korte tijd die uit Polen kwamen - dat er sprake was van een bestendige zakelijke relatie.

Betrokkenheid medeverdachte [medeverdachte 2] .

Op de actiedag op 16 april 2018 werden op diverse in beeld gekomen locaties, waaronder de [straatnaam 2] in ’s-Hertogenbosch, de [straatnaam 3] in Odiliapeel, de [straatnaam 6] in Nuenen en de [straatnaam 4] in Venlo, grote hoeveelheden voor de productie van drugs bestemde chemicaliën aangetroffen. Op al deze locaties is [medeverdachte 2] meermalen gezien waarbij bovendien is vast komen te staan dat hij daar loswerkzaamheden heeft verricht.

Voorts is [medeverdachte 2] minimaal tweemaal in verband te brengen met de ontvangst van een Pools transport van chemicaliën. Zo heeft [medeverdachte 2] op 11 januari 2018 op het bedrijfsterrein van verdachte een Pools transport met chemicaliën gelost en (een deel van) de lading vervolgens zelf vervoerd naar de [straatnaam 4] in Venlo. Ook op 13 maart 2018 is [medeverdachte 2] in direct verband gebracht met het lossen van een Pools voertuig met chemicaliën. Nadat het Poolse transport op de [straatnaam 3] in Odiliapeel was gelost reed [medeverdachte 2] met (een deel van) de lading direct door naar de opslaglocatie aan de [straatnaam 2] in ’s-Hertogenbosch. Op een aantal dagen reed [medeverdachte 2] zelfs gedurende de dag enkel heen en weer tussen de verschillende opslaglocaties van chemicaliën. Ook is gebleken dat [medeverdachte 2] de sleutel had van de diverse opslaglocaties van (drugs)chemicaliën.

Ten slotte komt uit de bewijsmiddelen naar voren dat [medeverdachte 2] niet alleen diverse malen op het bedrijfsterrein van verdachte was (ten behoeve van het lossen van chemicaliën) maar ook direct contact had met verdachte. Zo werd gezien dat [medeverdachte 2] op 3 april 2018 de woning van verdachte aan de [straatnaam 9] te [woonplaats verdachte] verliet en werd hij op 5 april 2018 samen met verdachte gezien toen zij uit een woning gelegen aan de [straatnaam 10] in Eindhoven kwamen. Gelet op het voorgaande kan het naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders dan dat het contact tussen verdachte en [medeverdachte 2] (mede) zag op hetgeen hen ten laste is gelegd.

Voorbereidingshandelingen.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte zijn bedrijfsterrein ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van de opslag van chemicaliën en dat er concrete afspraken en ontmoetingen tussen verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] zijn geweest ten behoeve van de invoer van voor de productie van drugs bestemde chemicaliën. Dit zijn gedragingen die te beschouwen zijn als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet.

Opzet.

Voor de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet is vereist dat verdachte met zijn hiervoor genoemde handelen opzet had op de voorbereiding of bevordering van -kort gezegd- de productie van harddrugs.

Gelet op verdachte zijn rol als opdrachtgever van de transporten van chemicaliën is de rechtbank van oordeel dat verdachte de bewezenverklaarde gedragingen willens en wetens heeft verricht ter voorbereiding of bevordering van de productie van synthetische drugs.

Medeplegen.

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gepleegde voorbereidingshandelingen tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Er is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en in ieder geval medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , welke samenwerking in de kern bestond uit een over het geheel bezien gezamenlijke uitvoering.

Pleegplaats en pleegperiode.

In de tenlastelegging worden verschillende plaatsen genoemd. De rechtbank ziet met betrekking tot de tenlastegelegde plaats Best onvoldoende aanwijzingen om te kunnen concluderen dat verdachte ook daar betrokkenheid had bij de voorbereiding of bevordering van de productie van harddrugs. De rechtbank spreekt verdachte ten aanzien van deze plaats dan ook vrij.

Voor wat betreft de pleegperiode gaat de rechtbank uit van de datum van het eerste transport van chemicaliën en van de datum van de actiedag, hetgeen resulteert in een periode van om en nabij 1 januari 2018 tot en met 16 april 2018. De rechtbank spreekt verdachte van de tijd voorafgaand aan deze periode vrij.

Conclusie.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode tussen 1 januari 2018 en 16 april 2018, tezamen en in vereniging met anderen, voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het produceren van harddrugs, een en ander zoals in de bewezenverklaring hieronder is opgenomen.

Nadere overweging ten aanzien van feit 2.

Verdachte wordt verweten dat hij samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, waarvan het oogmerk was gericht op overtreding van de Opiumwet.

Door de verdediging is betoogd dat geen sprake is geweest van een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet. De rechtbank overweegt als volgt.

Voor een bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie is een samenwerkingsverband vereist tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad. Niet is vereist dat deelnemers met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen. Van deelneming kan slechts dan sprake zijn, indien verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen – dan wel die gedragingen ondersteunt – die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven. Dat aandeel moet een zekere duur en intensiteit hebben en een deelnemer moet weten dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft.

De rechtbank is gelet op de in de bewijsbijlage vervatte bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat zich ten minste van 1 januari 2018 tot en met 16 april 2018 bezighield met transporten van chemicaliën met het oogmerk tot het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van het illegaal vervaardigen van harddrugs.

In genoemde periode werden op grote schaal chemicaliën, onder andere zoutzuur, aceton, mierenzuur en formamide, aangekocht bij het bedrijf [bedrijfsnaam] in Koreniew te Polen en naar Nederland getransporteerd. Deze chemicaliën waren zonder enige redelijke twijfel bestemd voor het omzettings- dan wel productieproces van (precursoren van) synthetische drugs, zoals amfetamine en MDMA. Dit proces geschiedde binnen een gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte als de baas van de criminele organisatie waaraan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deelnamen.

Verdachte gaf de opdracht tot de aanschaf en transporten van chemicaliën. Er werd door hem betaald aan [medeverdachte 1] , en wel contant. De levering geschiedde telkens aan een op- c.q. overslagadres: aanvankelijk aan zijn bedrijfsadres [straatnaam] , later aan de [straatnaam 2] te ’s-Hertogenbosch of aan de [straatnaam 3] te Odiliapeel. Vandaaruit geschiedde de verdere distributie naar andere opslag of naar drugslaboratoria. Verdachte werd door [medeverdachte 1] gezien als baas en bij hem lag het initiatief voor het plaatsen van bestellingen binnen de organisatie. De rechtbank beschouwt hem daarom dan ook als leider van de organisatie.

[medeverdachte 1] was degene die de contacten in Polen onderhield met de leverancier van de chemicaliën en het transportbedrijf. Ter uitvoering van de gegeven opdrachten plaatste hij de bestellingen voor chemicaliën bij het bedrijf [bedrijfsnaam] , regelde hij de voertuigen waarmee naar Nederland (al dan niet via Duitsland) kon worden gereden en onderhield hij contacten met de chauffeurs van de transporten of reed zelf op een transport. Hij incasseerde ook contant de met aanschaf en transport gemoeide geldbedragen.

Aan [medeverdachte 2] was de rol toebedeeld om de leveranties van chemicaliën in Nederland te verwerken en zich bezig te houden met de opslag en distributie van deze chemicaliën. Hij had daarbij ook geregeld assistentie van andere personen.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de samenwerking een duurzaam karakter had. Zoals hiervoor met betrekking tot feit 1 reeds overwogen vormden de vele transporten van chemicaliën gedurende ruim 3 maanden de kern van een bestendige zakelijke relatie tussen [medeverdachte 1] en verdachte. De verwerking, opslag en distributie van de chemicaliën vormden een noodzakelijk, eveneens bestendig complementair onderdeel van de organisatie.

Gelet op de door de deelnemers aan de organisatie gepleegde handelingen, het duurzame en gestructureerde karakter van de samenwerking en de stelselmatigheid van de activiteiten was het oogmerk van de organisatie gericht om Opiumwetmisdrijven te plegen, te weten het opzettelijk verrichten van voorbereidingshandelingen in het kader van de productie van synthetische drugs.

Ten aanzien van feit 3.

Het onder 3 tenlastegelegde feit is door verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 4.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het voorhanden hebben van een hagelgeweer (riotgun) en munitie en overweegt hiertoe als volgt.

Op 16 april 2018 werd tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte aan de [straatnaam 9] in [woonplaats verdachte] een riotgun en munitie aangetroffen. Uit het proces-verbaal wapenonderzoek blijkt dat de riotgun een vuurwapen is in de zin van artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM). Ook de munitie valt onder categorie III WWM. Het wapen en de munitie vallen derhalve niet onder categorie II, zoals aan verdachte is tenlastegelegd.

Het feit kan daarom niet worden bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage bevatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2018 tot en met 16 april 2018 te Son en Breugel en 's-Hertogenbosch en Odiliapeel, gemeente Uden, en Eindhoven en elders in Nederland en Polen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten

het opzettelijk bereiden en bewerken en verwerken en afleveren en vervoeren en vervaardigen van hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en hoeveelheden van een materiaal

bevattende MDMA, zijnde amfetamine en MDMA elk een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en andere middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht

te verschaffen en

- voorwerpen en vervoermiddelen en stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en

verdachtes mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot

het plegen van die feiten,

hebbende verdachte en/of verdachtes mededaders

- op/bij een of meer locaties laten afleveren en opgehaald en laten ophalen en in ontvangst genomen

en in ontvangst laten nemen en betaald en laten uit-/overladen en naar/bij/in een of meer locaties

laten vervoeren en laten lossen en opgeslagen en op laten slaan en voorhanden gehad:

- - grote hoeveelheden chemicaliën, waaronder aceton en caustic soda en mierenzuur en zoutzuur en

formamide en fosforzuur – zijnde elk een stof geschikt/benodigd voor de bereiding en/of bewerking

en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of MDMA, in elk geval middelen vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst I – en

- - jerrycans en IBC's en gasflessen en andere hardware en

- een of meer van locaties hiertoe ter beschikking gesteld en laten gebruiken en een of meer van

voormelde transporten gecoördineerd en

- in het kader van voornoemde activiteiten met elkaar en de leverancier(s) en vervoerder(s)

(telefonisch) contact gelegd/onderhouden en ontmoetingen gehad en afspraken gemaakt;

2.

in de periode van 1 januari 2018 tot en met 16 april 2018 te Son en Breugel en 's-Hertogenbosch en Odiliapeel, gemeente Uden, en Eindhoven en elders in Nederland en Polen als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a eerste lid Opiumwet;

3.

op 16 april 2018 te Eindhoven, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 100 pillen, van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De strafbaarheid van de feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde feit is dan ook strafbaar.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van de straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie maakt tevens kenbaar voornemens te zijn tegen verdachte een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt van het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht rekening te houden met straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd. Hij heeft hierbij onder meer verwezen naar de uitspraken ECLI:NL:GHSHE:2016:5635 en ECLI:NL:RBOBR:2019:261.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim drie maanden leiding gegeven aan een criminele organisatie gericht op het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van (synthetische) drugs. Op grote schaal vonden transporten plaats van chemicaliën vanuit Polen, al dan niet via Duitsland, naar Nederland uitgevoerd. Hierbij ging het vaak om tonnen aan gewicht van chemicaliën als zoutzuur, fosforzuur en aceton. Met dergelijke hoeveelheden chemicaliën konden miljoenen XTC-tabletten en zeer grote hoeveelheden amfetamine geproduceerd worden. Er was sprake van een professionele werkwijze die onder andere bleek uit de grote hoeveelheid locaties alsmede uit de grote hoeveelheid aangetroffen chemicaliën en apparatuur. De productie van harddrugs dient krachtig te worden bestreden. De (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en de dumpingen van drugsafval brengen grote veiligheidsrisico’s en risico’s voor de volksgezondheid met zich mee. Voorts pleegt deze handel – naar algemeen bekend verondersteld – internationale vormen aan te nemen en gepaard te gaan met zeer ernstige vormen van gewapende criminaliteit.

Uit het strafblad van verdachte van 12 augustus 2019 blijkt onder andere dat verdachte in 2004 is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet (hennepteelt) en - meer recent – in 2009 en 2012 tot deels onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld.

De rechtbank houdt voorts rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht omdat verdachte op 23 augustus 2018 in verband met wapenbezit en oplichtingen is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Voor overtreding van artikel 10a en 11b van de Opiumwet zijn er geen LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank heeft daarom bij de bepaling van de hoogte van de straf mede aansluiting gezocht bij uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat verdachte gedurende een langere periode op professionele werkwijze leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie waarbij zeer grote hoeveelheden chemicaliën naar Nederland zijn vervoerd, alleen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde kan zijn. Het zelfde geldt vanuit het oogpunt van generale preventie.

Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd van zes jaar en negen maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorlopige hechtenis.

Het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 20 december 2018 geschorst tot aan de uitspraak van zijn zaak (zijnde heden, 17 oktober 2019). De raadsman heeft ter terechtzitting om opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis, dan wel om schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis tot aan het hoger beroep verzocht.

De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af nu zij van oordeel is dat de ernstige bezwaren en de recidivegrond nog steeds aanwezig zijn.

Gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank voorts dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte, gezien dit veroordelend vonnis, thans ondergeschikt zijn aan het belang van de strafvordering en aan het belang dat de maatschappij heeft bij het voortduren van de voorlopige hechtenis van verdachte. De rechtbank zal het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis daarom afwijzen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: 47, 57 en 63

Opiumwet: 2, 10, 10a en 11b.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder 4 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan van vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Kwalificeert het bewezenverklaarde als:

T.a.v. feit 1

medeplegen van, om een feit bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen, inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

en

medeplegen van, om een feit bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

T.a.v. feit 2

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.


T.a.v. feit 3

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

T.a.v. de feiten 1, 2 en 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar en 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Wijst af het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. M.T. van Vliet en mr. H. Slaar, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en is uitgesproken op 17 oktober 2019.