Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5938

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
01/993243-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Verdachte was zowel betrokken bij de loswerkzaamheden van transporten van chemicaliën als de opslag van deze chemicaliën. Ook was hij beheerder van een locatie waar een drugslaboratorium werd aangetroffen. Verdachte heeft door zijn handelen de drugscriminelen gefaciliteerd en daarmee de productie van synthetische drugs in stand gehouden.

Ten slotte werd er ook nog een forse hoeveelheid (60 kg) van een materiaal bevattende MDMA aangetroffen in verdachte zijn woning.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

Vrijspraak van deelname aan een criminele organisatie.

Onderzoek Livonia.

Samenhang met ECLI:RBOBR:2019:5937 (schoonvader van verdachte) en ECLI:RBOBR:2019:5939 (leider van een criminele organisatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/993243-18

Datum uitspraak: 17 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende op het [adres verdachte] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 10, 11 en 17 september 2019 en 3 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 juni 2018.

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 10 september 2019 – ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 oktober 2017 tot en met 16 april 2018 te Son en Breugel en/of 's-Hertogenbosch en/of Odiliapeel, gemeente Uden, en/of Waalre en/of Venlo en/of Eindhoven en/of (elders) in Nederland en/of Polen tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of buiten het grondgebied

van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) amfetamine en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (elk) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of (een) ander(e) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of

mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid

en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die

feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e)

betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en)

of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die

feit(en) (sub 3°),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens)

- op/bij een of meer locaties laten afleveren en/of opgehaald en/of in ontvangst genomen en/of betaald

en/of uit-/overgeladen en/of (vervolgens) naar/bij/in een of meer locaties vervoerd en/of gelost en/of

ondergebracht en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad:

- ( een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën, waaronder aceton en/of caustic soda en/of mierenzuur

en/of zoutzuur en/of formamide en/of fosforzuur – zijnde (elk) een stof geschikt/benodigd voor de

bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of MDMA, in

elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I - en/of

- een of meer jerrycans en/of IBC's en/of gasflessen en/of (andere) hardware en/of

- een of meer van voornoemde locaties (hiertoe) beheerd en/of

- in het kader van voornoemde activiteit(en) een of meer voertuigen gehuurd en/of laten huren, althans

een of meer gehuurde voertuigen voorhanden gehad, en/of met elkaar en/of (de) leverancier(s) en/of

(andere) vervoerder(s) (telefonisch) contact gelegd/onderhouden en/of (een) ontmoeting(en) gehad

en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2017 tot en met 16 april 2018 te Son en Breugel en/of 's-Hertogenbosch en/of Odiliapeel, gemeente Uden, en/of Waalre en/of Venlo en/of Eindhoven en/of (elders) in Nederland en/of Polen heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een

samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer

misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet;

3.

hij op of omstreeks 16 april 2018 te Venlo, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 60 kilogram, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en), van (een) materia(a)l(en)/brokken bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

In oktober 2017 is onder leiding van het Openbaar Ministerie door de politie-eenheid Oost-Brabant een opsporingsonderzoek gestart onder de naam 26Livonia. Dit onderzoek werd onder andere opgestart naar aanleiding van informatie van de Poolse politie met betrekking tot transporten van voor de productie van chemische drugs bestemde chemicaliën vanuit Polen, al dan niet via Duitsland, naar Nederland. Er zijn diverse bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet zoals het verzamelen van informatie over de tenaamstelling van gebruikte voertuigen en het gebruik van track and trace apparatuur. Daarnaast hebben er veelvuldig observaties plaatsgevonden en is gebruik gemaakt van telefoontaps.

Op basis van het verrichte onderzoek, zoals dat is neergelegd in het strafdossier, heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat er in de periode van januari 2018 tot en met april 2018 transporten van chemicaliën vanuit Polen (via Duitsland) naar Nederland hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de verklaringen van de in Polen opererende verdachten met betrekking tot de verkoop en levering van de chemicaliën en met betrekking tot het transport van die chemicaliën, alsmede op het door de politie vele malen waarnemen van in Nederland (met name in ’s-Hertogenbosch, [adres 1] en Odiliapeel, [adres 2] ) arriverende Poolse vrachtauto’s die daar ter plaatse telkens werden opgevangen en gelost door verscheidene personen. Naast vorengenoemde locaties kwam ook het perceel aan [adres 3] te Venlo in beeld als locatie voor de opslag dan wel productie van drugs.

Op 16 april 2018 werden genoemde locaties doorzocht. Op deze locaties werden toen onder andere grote hoeveelheden chemicaliën aangetroffen. Op [adres 3] werd in een zeecontainer eveneens een MDMA-laboratorium aangetroffen. Onder meer verdachte en [medeverdachte 3] kwamen in het onderzoek naar voren als mogelijke betrokkenen bij deze locaties.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, gelet op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage gevoegd bij dit vonnis, en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Ten aanzien van feit 1.

Op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals dit hierna bewezen is verklaard.

Vastgestelde feiten en omstandigheden.

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende af.

In een schuur aan de [adres 2] te Odiliapeel werd tijdens een inkijk op 21 maart 2018 een grote hoeveelheid vaten (20 liter jerrycans in de kleur blauw) met aceton aangetroffen. Op de vaten lag een stuk karton met de letter ‘A’ erop. Ook de doppen van de vaten waren voorzien van de letter ‘A’. Verder stonden ongeveer 400 lege vaten (transparante jerrycans) in de schuur en lagen er verschillende witte en bruine zakken met als opschrift Cellulose fiber of Caustic soda.

Op de actiedag op 16 april 2018 werd deze locatie wederom betreden. Toen werd opnieuw een grote hoeveelheid vaten (blauwe 20 liter jerrycans) met chemicaliën aangetroffen. De pallets met jerrycans waren voorzien van een stuk karton waarop de letter ‘A’, ‘F’ of ‘Z’ stond geschreven. Ook werden pallets met witte zakken met caustic soda gevonden en lag ook toen in de schuur een grote hoeveelheid lege transparante jerrycans. De Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO), heeft de aangetroffen stoffen indicatief getest. Het LFO heeft geconcludeerd dat er in de onderzoeksmaterialen onder andere zoutzuur, fosforzuur, aceton en natriumhydroxide is aangetroffen. Volgens het LFO kunnen deze stoffen worden gebruikt bij de vervaardiging van synthetische drugs. Ook wijst het aantreffen van de jerrycans, zonder enige vermelding van de fabrikant, leverancier of eindbestemming er volgens het LFO zeer sterk op dat de inhoud bestemd is voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen. Caustic soda en zoutzuur worden gebruikt bij de productie van amfetamine (speed). Ten slotte wordt de combinatie van aceton en zoutzuur gebruikt bij de kristallisatie van MDMA (3,4- methyleendioxymethamfetamine), de werkzame stof in XTC-tabletten. Ook het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft de stoffen bemonsterd. Het NFI heeft eveneens geconcludeerd dat in de onderzoeksmaterialen de hiervoor genoemde stoffen zijn aangetroffen en dat deze stoffen kunnen worden gebruikt bij de vervaardiging en/of bewerking van diverse (synthetische) drugs.

Op 16 april 2018 werd in een zeecontainer op het perceel aan [adres 3] te Venlo een laboratorium voor de productie van synthetische drugs aangetroffen. Het perceel en het daarop gevestigde autodemontagebedrijf [bedrijf] is eigendom van medeverdachten [medeverdachte 8] en diens broer [medeverdachte 9] . [medeverdachte 9] is de schoonvader van verdachte. Zowel in als naast de zeecontainer, welke was voorzien van een slot, werden grote hoeveelheden chemicaliën aangetroffen. In de zeecontainer stond ook diverse hardware zoals een destillatieopstelling, gecombineerde druk-reactie/destillatie ketels en diverse RVS pannen en gasbranders. Ook lagen er chemicaliën in een op het terrein geparkeerde Iveco bakwagen en was er drugsafval op het terrein aanwezig. De chemicaliën zijn bemonsterd en door het NFI onderzocht. Het NFI heeft geconcludeerd dat een groot deel van het onderzoeksmateriaal te relateren is aan de vervaardiging van MDMA uit PMK en aan de bewerking van MDMA.

Handelingen verdachte en [medeverdachte 3] locatie [adres 2] in Odiliapeel.

Uit observaties gedurende de periode van eind 2017 tot en met medio april 2018 volgt dat verdachte, al dan niet met [medeverdachte 3] , is gezien op de hiervoor genoemde locatie [adres 2] . Uit de observatie van 13 februari 2018 is op te maken dat omstreeks 08.21 uur een vrachtwagen met oplegger en voorzien van het [Pools kenteken] , het perceel oprijdt. Om 09.26 uur arriveert verdachte en opent hij de poort van het terrein. Ook [medeverdachte 3] komt, met een (gehuurd) voertuig voorzien van het kenteken [kenteken] , het perceel oprijden. Vervolgens worden door verdachte en [medeverdachte 3] jerrycans vanuit de [Pools kenteken] in de [kenteken] geladen. Hierna rijdt [medeverdachte 3] met zijn voertuig naar de [adres 1] te ’s-Hertogenbosch. Dit is een locatie waar op 16 april 2018 eveneens een grote hoeveelheid chemicaliën is aangetroffen. Ondertussen verricht verdachte nog steeds handelingen op de [adres 2] . Samen met twee andere mannen brengt hij vanuit de [Pools kenteken] tenminste 327 blauwe en 174 rode jerrycans in de schuur. Pas enkele uren later, omstreeks 14.57 uur, verlaat verdachte het terrein.

Ook op 20 februari 2018 wordt verdachte op de [adres 2] in Odiliapeel gezien. Om 10.44 uur arriveert verdachte samen met een andere man in wederom het gehuurde voertuig voorzien van het kenteken [kenteken] . Om 12.17 uur komt wederom de vrachtwagen met oplegger voorzien van het [Pools kenteken] ter plaatse. Gezien wordt dat verdachte met twee andere mannen ongeveer 286 blauwe vaten vanuit de [Pools kenteken] overladen in de [kenteken] . Ten slotte brengt verdachte nog een witte zak in de schuur.

De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte op de locatie [adres 2] in Odiliapeel betrokken is geweest bij het lossen van chemicaliën of het uit- of overladen daarvan en dat verdachte aldaar chemicaliën voorhanden heeft gehad en deze heeft opgeslagen. Het staat vast dat in de periode van januari 2018 tot en met april 2018 vanuit Polen transporten van voor de productie van synthetische drugs bestemde chemicaliën naar Nederland, al dan niet via Duitsland, hebben plaatsgevonden en dat de locatie [adres 2] in Odiliapeel daarbij verschillende keren is aangedaan. 13 en 20 februari 2018, de data waarop verdachte in de weer is met de lading van een Poolse vrachtwagen, zijn twee data waarvan het vaststaat dat toen dergelijke transporten uit Polen in Nederland zijn aangekomen op de [adres 2] in Odiliapeel. De lading waar verdachte op deze dagen mee in de weer was betrof derhalve voor de productie van synthetische drugs bestemde chemicaliën.

Handelingen/betrokkenheid verdachte locatie [adres 3] in Venlo.

Zoals hiervoor uiteengezet werd op 16 april 2018 in een zeecontainer op het perceel van verdachte zijn schoonvader [medeverdachte 9] en diens broer [medeverdachte 8] een werkend MDMA-laboratorium aangetroffen. Diezelfde dag is verdachte aangehouden en werden zijn auto en woning aan het [adres verdachte] doorzocht. In de woning van verdachte werd 60 kg van een materiaal bevattende MDMA aangetroffen, en een vel papier formaat A4 met daarop handgeschreven tekst over het productieproces van synthetische drugs. In de middenconsole van verdachte zijn auto werden twee sleutels gevonden die pasten op het slot van de zeecontainer. Ook werd in de middenconsole van de auto een schriftje aangetroffen met handgeschreven en druggerelateerde aantekeningen. In het schriftje was onder meer geschreven ‘2546 poeder, 50L water, 7,5 kg caustic, 1,5L fos’, ‘vul eerst je pan met 50L water, voeg nu de caustic toe goed oplossen tot water troebel gelige kleur krijgt’ en ‘na 1 uur kun je heel rustig fos toevoegen (…)’. Ook was het voertuig van verdachte op 13 april 2018 voorzien van een peilbaken. Hieruit is gebleken dat het voertuig op 13 april 2018 van 17.14 uur tot 17.39 uur en op 14 april 2018 van 07.07 uur tot 07.25 uur heeft stilgestaan op [adres 3] .

Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij het drugslaboratorium op [adres 3] ontkend. Verdachte heeft verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode eenmaal op het terrein aldaar is geweest en dat hij toen de huurder van de container, een Poolse man, tegenkwam. Deze man had naar zijn zeggen interesse in de auto van verdachte en heeft volgens verdachte toen een proefrit gemaakt. Volgens verdachte heeft de Poolse man de sleutel van het slot van de zeecontainer daarna in verdachte zijn auto laten liggen en had hij dit niet ontdekt omdat er meerdere sleutels liggen. Ten aanzien van het A4-tje heeft verdachte bij de politie verklaard dat dit van hem is en ten aanzien van het schriftje dat hij dit voor een niet nader genoemde andere persoon bewaarde.

De rechtbank verwerpt het verweer – om redenen als hierna uiteengezet – en stelt uit het hiervoor vermelde in onderling verband en samenhang bezien vast dat verdachte betrokkenheid had bij het drugslaboratorium in de zeecontainer. Eveneens gelet daarop en op het feit dat verdachte over twee sleutels beschikte die op het slot van de zeecontainer pasten beschouwt de rechtbank verdachte als beheerder van dit laboratorium.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de herkomst van de sleutels van de zeecontainer als alternatief scenario ongeloofwaardig. Met de enkele verklaring van verdachte dat deze van iemand zouden zijn waarvan hij geen personalia heeft, die hij verder ook niet kent en aan wie hij desondanks zijn auto zou hebben meegegeven, is deze, behalve zeer onwaarschijnlijk, in ieder geval onvoldoende onderbouwd. Reeds het gegeven dat een persoon die zijn sleutels van een zeecontainer waarin zich een drugslaboratorium opstelling bevindt – voor degenen die het aangaat een belangrijk en waardevol geheel van goederen - in een auto laat liggen én kennelijk niet zo spoedig mogelijk terugvraagt, maakt de verklaring onaannemelijk. De rechtbank merkt hierbij nog op dat zij zijn betrokkenheid bij het drugslaboratorium, en zijn beheerdersrol, niet alleen afleidt uit de aanwezigheid van de sleutels van dit lab in zijn auto, maar zulks ook bezien in combinatie met het feit dat hij aantekeningen in zijn bezit had (zowel in zijn auto als in zijn huis) die met de productie van drugs te maken hadden, en dat hij 60 kilogram van een materiaal bevattende MDMA in zijn woning had liggen, hetgeen eveneens het eindproduct vormt van het aangetroffen drugslab.

Opzet.

Voor de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet is vereist dat verdachte met zijn handelen, te weten het opslaan, het voorhanden hebben en het lossen of het uit- of overladen van vaten c.q. jerrycans of zakken met chemicaliën en het beheren van een locatie, opzet had op de voorbereiding of bevordering van -kort gezegd- de productie van harddrugs.

De verdediging heeft aangevoerd dat het hiervoor genoemde opzet ten aanzien van de handelingen van verdachte op de [adres 2] in Odiliapeel ontbreekt omdat op grond van de wettige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat deze voorwerpen in verband stonden met de productie van harddrugs. Verdachte heeft op verzoek geholpen bij het uitladen van de vrachtwagens en zou daarvoor betaald worden. Hij wist echter niet wat hij aan het uitladen was, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Met betrekking tot het drugslaboratorium in de zeecontainer aan [adres 3] in Venlo gaat de rechtbank ervan uit – als hiervoor overwogen – dat verdachte een beheerdersrol had en ongehinderd toegang had tot het drugslaboratorium. Verdachte had ook een grote hoeveelheid MDMA in zijn huis aanwezig. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat hij met het drugslaboratorium in de zeecontainer de productie van harddrugs bevorderde of voorbereidde.

Verdachte is voorts, zoals hiervoor nader uiteengezet, op 13 februari 2018 en op 20 februari 2018 op de [adres 2] in Odiliapeel geweest. Verdachte verrichtte op beide data los-/ dan wel overlaadwerkzaamheden met betrekking tot chemicaliën van een Pools transport.

Over zijn werkzaamheden aldaar op 20 februari 2018 heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet precies wist wat er in de blauwe vaten zat, maar dat het klopt dat het geen potgrond van de Intratuin geweest zal zijn. Verdachte heeft verder verklaard dat hij twee keer geholpen heeft. Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat verdachte, ondanks dat hij niet precies wist wat hij op beide data aan het lossen of overladen was, toch wel een vermoeden had dat wat hij aan het doen was niet pluis was. Daar komt bij dat verdachte zijn werkzaamheden verrichtte bij een schuur op het achtererf van een afgelegen boerderij, dat het ging om een enorme hoeveelheid vaten die gelost of overgeladen moesten worden, dat verdachte heeft gezien dat op deze vaten geen stickers zaten, dat deze vaten door een vrachtwagen met buitenlands kenteken werden aangeleverd en dat verdachte in de schuur is geweest waar de chemicaliën lagen opgeslagen. Dit zijn ieder op zich, maar ook in samenhang bezien zeer verdachte omstandigheden, maar tegen de achtergrond van zijn toegang tot een drugslaboratorium en de aanwezigheid van een grote hoeveelheid MDMA, maakt dit alles dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte heeft geweten dat het chemicaliën waren die hij op de [adres 2] in Odiliapeel heeft gelost of overgeladen en dat die bestemd waren voor de productie van harddrugs en dat hij met zijn werkzaamheden ook de productie van synthetische drugs voorbereidde of bevorderde.

Medeplegen.

De rechtbank stelt met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte vast dat hij op de locatie [adres 2] in Odiliapeel samen met [medeverdachte 3] jerrycans vanuit een Pools transport in een ander voertuig heeft overgeladen, hetgeen kwalificeert als een bewuste en nauwe samenwerking tussen deze personen. De handelingen van verdachte waren van voldoende gewicht in relatie tot de gepleegde voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs. Ook heeft verdachte op deze locatie loswerkzaamheden verricht met twee onbekend gebleven mannen. Ook die werkzaamheden waren substantieel in het geheel van de voorbereidingshandelingen. Verdachte heeft daarmee in het licht van feit 1 ten aanzien van deze locatie een rol als medepleger vervuld.

Ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het drugslaboratorium op [adres 3] in Venlo ziet de rechtbank geen bewijs voor medeplegen. De rechtbank spreekt verdachte ten aanzien van die locatie daarvan in zoverre vrij.

Pleegplaats en pleegperiode.

In de tenlastelegging worden verschillende plaatsen genoemd. Met uitzondering van de locaties [adres 2] in Odiliapeel en [adres 3] in Venlo, ziet de rechtbank met betrekking tot de andere plaatsen onvoldoende aanwijzingen om te kunnen concluderen dat verdachte ook daar betrokkenheid had bij de voorbereiding of bevordering van de productie van synthetische drugs. De rechtbank spreekt verdachte ten aanzien van die plaatsen dan ook vrij.

Voor wat betreft de pleegperiode gaat de rechtbank uit van de data waarop verdachte op de locaties is gesignaleerd en het aantreffen van het MDMA-laboratorium in Venlo, hetgeen resulteert in een periode van 13 februari 2018 tot en met 16 april 2018. De rechtbank spreekt verdachte van de tijd voor en na deze periode vrij.

Conclusie.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode tussen 13 februari 2018 en 16 april 2018, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het produceren van harddrugs, een en ander zoals in de bewezenverklaring hieronder is opgenomen.

Ten aanzien van feit 2.

Verdachte wordt verweten dat hij samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, waarvan het oogmerk was gericht op overtreding van de Opiumwet.

Onder een organisatie, als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet, wordt verstaan een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een zekere organisatiegraad. De organisatie moet tot oogmerk hebben het plegen van bepaalde misdrijven uit de Opiumwet. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. De verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Uit de bespreking van feit 1 volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs, door het opslaan, het voorhanden hebben en het lossen of het uit- of overladen van vaten c.q. jerrycans of zakken met chemicaliën en door het beheren van een locatie met een drugslaboratorium. Verdachte heeft deze voorbereidingshandelingen deels in vereniging gepleegd. De rechtbank ziet alles bijeengenomen onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot de eenduidige vaststelling dat verdachte met de bewezen geachte handelingen behoorde tot een dergelijke organisatie en dat hij wist van het oogmerk van deze organisatie.

Ten aanzien van feit 3.

Het onder 3 tenlastegelegde feit is door verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage bevatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 13 februari 2018 tot en met 16 april 2018 te Odiliapeel, gemeente Uden, tezamen en in vereniging met anderen, en te Venlo, alleen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en bewerken en verwerken en vervoeren en vervaardigen van hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en andere middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht

te verschaffen en

- voorwerpen en vervoersmiddelen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten,

hebbende verdachte en/of verdachtes mededaders

- op/bij een of meer locaties laten afleveren en opgehaald en in ontvangst genomen en uit-/overgeladen, en

- naar/bij/in een of meer locaties vervoerd en gelost en opgeslagen en voorhanden gehad:

- - grote hoeveelheden chemicaliën, waaronder aceton en caustic soda en zoutzuur en/of

en fosforzuur – zijnde elk een stof geschikt/benodigd voor de bereiding en/of bewerking

en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I - en

- - jerrycans en gasflessen en andere hardware, en

- een locatie hiertoe beheerd en

- in het kader van voornoemde activiteiten een gehuurd voertuig voorhanden gehad, en met elkaar

(telefonisch) contact en een ontmoeting gehad.

3.

op 16 april 2018 te Venlo, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 60 kilogram, van een materiaal/brokken bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De strafbaarheid van de feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde feit is dan ook strafbaar.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van de straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie maakt tevens kenbaar voornemens te zijn tegen verdachte een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt heeft de raadsman verzocht de gevangenisstraf te beperken tot de duur van 3 jaar waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Verdachte was zowel betrokken bij de loswerkzaamheden van transporten van chemicaliën als de opslag van deze chemicaliën. Ook was hij beheerder van een locatie waar een drugslaboratorium werd aangetroffen. Verdachte heeft door zijn handelen de drugscriminelen gefaciliteerd en daarmee de productie van synthetische drugs in stand gehouden. De (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en de dumpingen van drugsafval brengen grote veiligheidsrisico’s en risico’s voor de volksgezondheid met zich mee. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat de productie van en handel in synthetische drugs in handen is van georganiseerde criminele verbanden die enkel handelen vanuit eigen financieel gewin en het gebruik van geweld of bedreiging van geweld niet schuwen.

Ten slotte werd er ook nog een forse hoeveelheid (60 kg) van een materiaal bevattende MDMA aangetroffen in verdachte zijn woning.

Gelet op de ernst van de feiten is naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf zonder meer op zijn plaats. Bij het bepalen van de duur en modaliteit daarvan is naast de ernst van de feiten rekening gehouden met de hierna vermelde persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit het strafblad van verdachte van 12 augustus 2019 blijkt dat hij eerder in 2011 is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet (hennepteelt).

Op het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs zoals die bij verdachte is aangetroffen, staat volgens de Landelijke Oriëntatiepunten Overleg Strafinhoud (hierna: LOVS) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden. Voor overtreding van artikel 10a van de Opiumwet zijn er geen LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank heeft daarom bij de bepaling van de hoogte van de straf mede aansluiting gezocht bij uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat verdachte niet alleen loswerkzaamheden verrichtte maar ook de beheerder was van een locatie waar een drugslab werd aangetroffen en bovendien een forse hoeveelheid harddrugs in zijn woning had, alleen een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is die de duur van het reeds ondergane voorarrest overschrijdt. Voorts weegt de rechtbank naast reeds genoemde omstandigheden mee dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanuit het oogpunt van generale preventie op zijn plaats is.

Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd van 4 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal daarmee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder 2 tenlastegelegde en de rechtbank van oordeel is dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht in de op te leggen straf.

Ten aanzien van het beslag.

Onder verdachte zijn onder andere de horloges zoals weergegeven onder de nummers 9, 13 en 19 op de beslaglijst, in beslaggenomen. Het horloge onder nummer 19 behoort aan verdachte toe en zal aan hem worden geretourneerd nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van dit in beslag genomen goed.

De horloges onder de nummers 9 en 13 behoren niet aan verdachte toe. Deze horloges worden daarom geretourneerd aan de rechthebbende, te weten [medeverdachte 3] .

Verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van de goederen vermeld onder de nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 18, 20 en 21 van de beslaglijst d.d. 06 augustus 2019. Nu verdachte afstand heeft gedaan van deze in beslag genomen goederen hoeft de rechtbank geen beslissing meer te geven over de afwikkeling van dit beslag.

Voorlopige hechtenis.

Het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 20 december 2018 geschorst tot aan de uitspraak van zijn zaak (17 oktober 2019). De raadsman heeft ter terechtzitting om opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis, dan wel om schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis tot aan het hoger beroep verzocht.

De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af nu zij van oordeel is dat de ernstige bezwaren en de recidivegrond nog steeds aanwezig zijn.

Gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank voorts dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte, gezien dit veroordelend vonnis, thans ondergeschikt zijn aan het belang van de strafvordering en aan het belang dat de maatschappij heeft bij het voortduren van de voorlopige hechtenis van de verdachte. De rechtbank zal het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis daarom afwijzen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: 47 en 57.

Opiumwet: 2, 10, 10a.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Kwalificeert het bewezenverklaarde als:

T.a.v. feit 1

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen, inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

en

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen, inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

en

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

en

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.


T.a.v. feit 3

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

T.a.v. de feiten 1 en 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1.00 STK Horloge Cartier (voorwerp nummer 19 op de beslaglijst)

Gelast de teruggave aan de rechthebbende [medeverdachte 3] van:

  • -

    1.00 STK Horloge Michael Kors (voorwerp nummer 9 op de beslaglijst)

  • -

    1.00 STK Horloge Guess (voorwerp nummer 13 op de beslaglijst)

Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Wijst af het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. M. T. van Vliet en mr. H. Slaar, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en is uitgesproken op 17 oktober 2019.