Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5937

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
01/993254-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende bewijs dat verdachte wetenschap had, dan wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de zeecontainer op het terrein van het autodemontageterrein van verdachte en zijn broer een drugslab aanwezig was of dat in de bakwagen hiermee samenhangende chemicaliën waren opgeslagen.

Vrijspraak.

Onderzoek Livonia.

Samenhang met ECLI:RBOBR:2019:5938 en ECLI:RBOBR:2019:5939.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/993254-18

Datum uitspraak: 17 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende op het adres [straatnaam 1] , [postcode] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 10, 11 en 12 september 2019 en 3 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 augustus 2019.

Aan verdachte is ten laste gelegde dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 februari 2018 tot en met 16 april 2018 te Venlo en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- ( een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of

mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid

en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die

feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of

- ( een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e)

betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en)

of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die

feit(en) (sub 3°),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens)

- een (bedrijfs)terrein ( [straatnaam 2] te Venlo) en/of een op dat (bedrijfs)terrein geplaatste/staande

container geheel of gedeeltelijk verhuurd en/of ter beschikking gesteld en/of gebruikt en/of laten

gebruiken en/of

- ( aldaar) een productieopstelling voor de productie van MDMA, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, gebouwd en/of laten bouwen en/of voorhanden

gehad en/of (hiertoe) een water- en/of stroomvoorziening (naar voornoemde container) aangelegd

en/of laten aanleggen en/of aangesloten en/of laten aansluiten en/of

- op voornoemd (bedrijfs)terrein en/of in voormelde container en/of in een (op genoemd

(bedrijfs)terrein staande) bakwagen ( [chassisnummer] ) ondergebracht en/of

laten onderbrengen en/of opgeslagen en/of laten opslaan en/of vervoerd en/of laten vervoeren en/of

voorhanden gehad:

- ( een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën, waaronder aceton en/of caustic soda en/of fosforzuur

en/of zoutzuur en/of methanol - zijnde (elk) een stof geschikt/benodigd voor de bereiding en/of

bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van MDMA, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I - en/of

- een of meer drukreactie-/destillatieketels en/of gasflessen en/of

-branders en/of waterstofgascilinders en/of jerrycans en/of speciekuipen en/of (andere) hardware;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding

In oktober 2017 is onder leiding van het Openbaar Ministerie door de politie-eenheid Oost-Brabant een opsporingsonderzoek gestart onder de naam 26Livonia. Dit onderzoek werd onder meer opgestart naar aanleiding van informatie van de Poolse politie met betrekking tot transporten van voor de productie van chemische drugs bestemde chemicaliën vanuit Polen, al dan niet via Duitsland, naar Nederland. Gedurende het onderzoek kwamen diverse locaties en verdachten in beeld. Het opsporingsonderzoek heeft uiteindelijk geleid tot een actiedag op 16 april 2018 waarbij de diverse in beeld gekomen locaties werden betreden. Eén van die locaties is de [straatnaam 2] te Venlo waarop het autodemontagebedrijf van verdachte en zijn broer medeverdachte [medeverdachte] is gevestigd. Op dit perceel werd onder andere een MDMA-laboratorium in een zeecontainer aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, gelet op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Op 16 april 2018 werd in een zeecontainer op het perceel aan de [straatnaam 2] te Venlo een laboratorium voor de productie van synthetische drugs aangetroffen. Zowel in als naast de zeecontainer werden grote hoeveelheden chemicaliën aangetroffen. Ook in een op het terrein geparkeerde Iveco bakwagen lagen chemicaliën en gasflessen. De chemicaliën zijn bemonsterd en door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht. Het NFI heeft geconcludeerd dat een groot deel van het onderzoeksmateriaal te relateren is aan de omzetting van PMK-glycidaat naar PMK, aan de vervaardiging van MDMA uit PMK en aan de bewerking van MDMA.

Uit het strafdossier volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met ingang van 1 februari 2018 een deel van hun voor autodemontage in gebruik zijnde bedrijfsterrein verhuurden aan een Poolse man - blijkens huurcontract genaamd [betrokkene] ; blijkens Pools identiteitsbewijs [betrokkene] - en dat zij aan deze huurder toestemming hadden gegeven om op dat stuk van het terrein een zeecontainer te plaatsen. De afspraken omtrent de verhuur waren op schrift gesteld waarbij in de huurovereenkomst was benadrukt dat de zeecontainer niet was bestemd voor de opslag van drugs. Verdachte heeft verklaard dat hij niet beschikte over verdere contactgegevens van de huurder en hij heeft voorts iedere betrokkenheid bij- en wetenschap van het drugslaboratorium ontkend. Ook ten aanzien van de aangetroffen Iveco bakwagen heeft verdachte ontkend daarvan eigenaar te zijn en daar enige betrokkenheid bij te hebben gehad. Bij het onderzoek ter terechtzitting is verdachte hierbij gebleven.

De rechtbank overweegt dat verdachte handelingen heeft verricht die op zichzelf kunnen worden aangemerkt als een voorbereidingshandeling voor – kort gezegd – de productie van harddrugs, te weten het ter beschikking stellen van een deel van zijn terrein aan een derde om daar door die derde een zeecontainer op te laten plaatsen en het laten stallen van een bakwagen op zijn terrein. Daarmee heeft verdachte gelegenheid gegeven aan anderen tot het plegen van een feit als bedoeld in lid 4 of 5 van artikel 10 Opiumwet. Voor de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet is evenwel vereist dat verdachte opzet had op het voorbereiden of bevorderen van de productie van harddrugs. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of verdachte wist dat zijn terrein met daarop de zeecontainer werd gebruikt voor de productie van (synthetische) drugs en/of dat in verband hiermee in de bakwagen chemicaliën waren opgeslagen, dan wel of hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans daarop.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de processen-verbaal van bevindingen gesproken kan worden van een sterke verdenking jegens verdachte. De zeecontainer grensde aan de loods waarin het autodemontagebedrijf van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is gevestigd. Bovendien werd de sleutel van de zeecontainer in de auto van de schoonzoon van verdachte aangetroffen. Deze schoonzoon is gesignaleerd op het terrein. Voorts liepen er vanuit een opening in de wand van de loods van verdachte een water- en een stroomaansluiting naar de zeecontainer, terwijl aansluiting van de zeecontainer op water en elektra niet met de huurder was overeengekomen.

Toch volgt uit het dossier niet dat verdachte wetenschap had van het laboratorium in de zeecontainer. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat verdachte toegang had tot de zeecontainer of dat hij in de zeecontainer is geweest. Verder kan uit de in het dossier aanwezige foto’s niet worden vastgesteld dat de elektriciteitskabel in de loods (op enig tijdstip vóór de doorzoeking) dusdanig zichtbaar was dat het niet anders kan dan dat verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad. Hetzelfde geldt voor de illegale wateraansluiting. De loods lag vol met goederen en de aanwezige processen-verbaal geven naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende duidelijk beeld van de door de politie aangetroffen situatie ter plaatse. Ook de overige bewijsmiddelen bevatten onvoldoende aanwijzingen die erop duiden dat verdachte op de hoogte was van de illegale aansluitingen, nog daargelaten dat het hebben van wetenschap omtrent deze aansluitingen naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer wetenschap oplevert van het drugslaboratorium in de zeecontainer. Uit het dossier blijkt verder ook niet dat er andere door verdachte waargenomen signalen of signalen die verdachte had moeten waarnemen, waren die verdachte wezen of voldoende eenduidig wezen op de (mogelijke) aanwezigheid van een drugslaboratorium in de zeecontainer.

De omstandigheid dat verdachte een deel van zijn terrein verhuurde aan een hem onbekende Pool, van wie hij enkel een kopie van een identiteitskaart had en geen nadere contactgegevens, en zonder dat hij af en toe controles uitoefende op wat er in de zeecontainer gebeurde, maakt ook niet dat verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de zeecontainer harddrugs werden geproduceerd en dat hij daartoe dus de gelegenheid gaf. Het op deze (weliswaar enigszins dubieuze) manier van verhuren van een deel van zijn terrein levert niet zonder meer dat specifieke risico op. De omstandigheid dat later uit het politieonderzoek bleek dat die ID-kaart al sinds maart 2017 als vermist of gestolen stond geregistreerd kan hier niet zondermeer aan af doen.

Uit het dossier volgt ook niet dat verdachte wetenschap had van de inhoud van de Iveco bakwagen die op zijn terrein geparkeerd stond of dat het niet anders kan dan dat hij daarvan wetenschap moet hebben gehad. Verdachte heeft ontkend dat deze bakwagen van hem is en zegt niet te weten van wie die wel is. Uit het dossier is hieromtrent niets andersluidends op te maken, en evenmin hoe en wanneer deze bakwagen op het terrein is terecht gekomen. Van enige betrokkenheid van verdachte bij deze bakwagen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt hierbij tevens op dat – nog daargelaten het voorgaande – de door verdachte gestelde onwetendheid ten aanzien van de (herkomst van de) bakwagen niet zondermeer tot gevolg heeft dat verdachte daarmee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarin mogelijk met de productie van harddrugs samenhangende chemicaliën zouden worden opgeslagen.

De rechtbank heeft zich rekenschap ervan gegeven dat de verklaringen die verdachte bij de politie en ter terechtzitting heeft afgelegd op een aantal onderdelen innerlijk tegenstrijdig met elkaar zijn. Zo heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij de huurder van de zeecontainer verschillende keren op zijn bedrijfsterrein heeft gezien, terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de Poolse man na het sluiten van het huurcontract niet meer heeft gezien. Voorts zijn diens verklaringen op een aantal punten tegenstrijdig met de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] ; bijvoorbeeld over het wel of niet verstrekken van de sleutel van de loods aan de huurder. Hoewel de verklaringen van verdachte aldus op een aantal onderdelen vragen oproepen, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard om op wezenlijke, de verdachte belastende punten de waarheid te verhullen. Zijn verklaringen kunnen dan ook niet bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde.

Gelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs om te kunnen komen tot de conclusie dat verdachte wetenschap had, dan wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in genoemde zeecontainer een drugslab aanwezig was of dat in genoemde bakwagen hiermee samenhangende chemicaliën waren opgeslagen en spreekt hem daarom vrij van het tenlastegelegde.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Beveelt de opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 19 april 2018 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. M.T. van Vliet en mr. H. Slaar, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.E.H. Eijkhout, griffier,

en is uitgesproken op 17 oktober 2019.