Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5919

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-06-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
C/01/343047 / FA RK 19-574
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging van de voornaam wordt afgewezen. De voorgestelde toevoeging van een letter leidt niet tot een oplossing van het probleem van de minderjarige die met zijn voornaam gepest wordt. De fonetische uitspraak die moeder door de toevoeging van de letter beoogt, wordt niet met de toevoeging van de letter gerealiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/343047 / FA RK 19-574

Uitspraak : 14 juni 2019

Beschikking betreffende voornaamswijziging in de zaak van:

[verzoekster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
hierna te noemen: verzoekster/ de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. C. Simmelink.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[woonplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader

zonder advocaat.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift (met bijlagen), ingekomen ter griffie van deze rechtbank op

5 februari 2019.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting van 24 mei 2019. Verschenen zijn: verzoekster vergezeld van haar advocaat. De vader is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

1.3.

Na de zitting is nog een F-9 formulier van 24 mei 2019 met bijlage van de zijde van verzoekster ontvangen.

2 Het verzoek en verweer

2.1.

Het verzoek strekt tot wijziging van de voornaam van de minderjarige: [naam kind] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , in die zin dat de voornaam zal luiden ‘ [naam kind] ’.

2.2.

Van de zijde van de vader is geen verweer gevoerd.

3 De beoordeling

3.1.

Verzoekster en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.2.

Verzoekster en de vader oefenen gezamenlijk het gezag over de minderjarige uit.

3.3.

Verzoekster stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat zij altijd gekozen heeft voor de naam ‘ [naam kind] ’, doch dat haar ouders bij de aangifte van de geboorte de naam verkeerd hebben gespeld. Verzoekster stelt contact te hebben opgenomen met de gemeente om de spelfout te herstellen doch zonder succes. Voorts stelt verzoekster dat de minderjarige gepest wordt met de wijze waarop de naam thans letterlijk wordt uitgesproken. De naam wordt structureel verkeerd uitgesproken en hiervan ondervindt de minderjarige gezien zijn leeftijd steeds meer hinder en ergernis, aldus verzoekster.

3.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens artikel 1:4 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter wijziging van de voornamen gelasten op verzoek van de betrokken persoon of op verzoek van zijn wettelijk vertegenwoordiger(s). Voor een dergelijke wijziging dient een voldoende zwaarwichtig belang te bestaan.

3.5.

De vraag wanneer sprake is van een voldoende zwaarwichtig belang, wordt in de wet en de wetsgeschiedenis niet beantwoord. Daarvoor dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Omdat voornamen een middel zijn om personen binnen hun familie en in het maatschappelijk verkeer te identificeren, vallen zij onder het begrip privéleven en familie- of gezinsleven, zoals bedoel in artikel 8 EVRM. Het door dit artikel beschermde belang brengt mee dat inmenging van enig openbaar gezag niet is toegestaan. Niet iedere regulering houdt evenwel ook een inmenging in. Een weigering om een voornaam te wijzigen kan niet zonder meer als ongeoorloofde inmenging worden aangemerkt. Daarvoor zal steeds moeten worden onderzocht of sprake is van een evenwichtige belangenafweging (“fair balance”) tussen enerzijds de belangen van het individu en anderzijds de belangen van de staat, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de staat/de rechter een zekere mate van beoordelingsvrijheid toekomt. Of de weigering om een voornaam te wijzigen, een ongerechtvaardigde inmenging oplevert, hangt af van de mate van ongemak en overlast die de betrokkene hiervan ondervindt. Daarbij dienen alle feiten en omstandigheden te worden meegewogen, waaronder de vraag of het voor betrokkene feitelijk toch mogelijk is de gewenste voornaam te voeren.

3.6.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van wat op papier staat en wat ter zitting is verteld, is de rechtbank er onvoldoende van overtuigd dat verzoekster een voldoende zwaarwichtig belang heeft bij de verzochte voornaamswijziging van haar zoon. In beginsel is het gepest worden met een naam naar het oordeel van de rechtbank een voldoende zwaarwegend belang om te komen tot een voornaamswijziging. De rechtbank neemt van verzoekster aan dat de naam van de minderjarige zich leent voor pesterijen, maar zij is van oordeel dat de manier waarop verzoekster de naam wil wijzigen door enkel toevoeging van de letter ‘e’ niet leidt tot de gewenste oplossing. Volgens verzoekster is de juiste uitspraak van de naam van haar zoon fonetisch: [naam kind] ’. De naam wordt nu vaak fonetisch uitgesproken als: ‘ [naam kind] ’. Het toevoegen van de letter ‘e’ zoals verzoekster wenst, leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot de door verzoekster beoogde en gewenste uitspraak. Onwaarschijnlijk is dan ook dat hiermee het probleem van de pesterijen wordt opgelost. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst het verzoek tot voornaamswijziging af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 14 juni 2019.

Conc: WM(O

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.