Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5765

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
01/995056-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kraanmachinist veroordeeld voor 'aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn'. Een ketting die zich aan de katrol van de door verdachte bestuurde hijskraan bevond, heeft het slachtoffer, die zonder veiligheidshelm en valbescherming op het dak van een unit stond, geraakt waardoor het slachtoffer vanaf een aanmerkelijke hoogte ten val is gekomen en is overleden aan de gevolgen van het opgelopen letsel. Verdachte, die verantwoordelijk was voor het hijsen, had anders moeten en kunnen handelen. Het ongeval had voorkomen kunnen worden indien verdachte zijn werkzaamheden had gestaakt op het moment dat hij zag dat het slachtoffer zich zonder valbescherming en zonder helm op de unit begaf. Verdachte had zich van bewegingen met de hijskraan op eigen initiatief moeten onthouden. Er is sprake van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en onachtzaamheid.

De rechtbank legt een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHSE 2019/0
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/995056-18

Datum uitspraak: 08 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum] 1989 ,

wonende te [postcode] , [straatnaam 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 mei 2019.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 augustus 2017 als kraanmachinist van een mobiele hydraulische kraan op een aan de [straatnaam 2] gelegen terrein te [plaatsnaam] in de gemeente Bernheze, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld hierin bestaande dat hij, verdachte, bij het plaatsen van een portacabin, waar het latere slachtoffer [slachtoffer] op stond en zich aldus binnen het bereik van de aan de katrol van de kraan bevestigde kettingen bevond:

- op eigen initiatief (een) hijsbeweging(en) heeft ingezet en/of de kraan in beweging heeft gebracht zonder daartoe een aanwijzing gehad te hebben van [slachtoffer] in zijn rol als hijsbegeleider, en/of

- geen waarschuwing heeft gegeven aan [slachtoffer] op het moment dat hij, verdachte, (een) hijsbeweging(en) inzette en/of de kraan in beweging heeft gebracht, en/of niet anderszins mondeling en/of visueel heeft gecommuniceerd met [slachtoffer] op het moment dat hij, verdachte, (een) hijsbeweging (en) inzette en of de kraan in beweging bracht, en/of;

-(een) hijsbeweging(en) heeft ingezet/of de kraan in beweging heeft gebracht terwijl hij zag dat [slachtoffer] geen helm droeg terwijl hij, verdachte, gelet op zijn functie als kraanmachinist, kon of had moeten voorzien, dat deze (onaangekondigde) hijs/kraanbeweging(en) risico's ten aanzien van de veiligheid voor [slachtoffer] voornoemd met zich mee konden brengen

als gevolg waarvan [slachtoffer] , die zich bovenop de portacabin bevond door een of meer kettingen welke bevestigd waren aan de katrol van de kraan is geraakt en waardoor [slachtoffer] van de portacabin naar beneden is gevallen en waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] als gevolg van de bij de val opgelopen verwondingen op 16 augustus 2017 is komen te overlijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

Op 15 augustus 2017 om 11.11 uur werd bij de Inspectie SZW gemeld dat er die dag omstreeks 10.15 uur een ongeval had plaatsgevonden op het parkeerterrein van [voetbalvereniging] , gelegen aan de [straatnaam 2] te [plaatsnaam] . Ter plaatse hoorde verbalisant [verbalisant 3] van de officier van dienst van de politie dat de heer [slachtoffer] van het dak van een te plaatsen unit was gevallen en dat de verwondingen als gevolg van die val zodanig ernstig waren dat de [slachtoffer] het ongeval naar alle waarschijnlijkheid niet zou overleven.2

Op 16 augustus 2017 werd het slachtoffer [slachtoffer] voorafgaand aan zijn overlijden door de forensisch arts geschouwd. Tijdens de schouw werd onder meer als letsel bij het slachtoffer aangetroffen: diverse losse stukken schedel. De forensisch arts deelde mede dat het stompend geweld op het hoofd van het slachtoffer zou kunnen passen bij een val. Op 16 augustus 2017 om 20.39 uur is het slachtoffer overleden.3

Op de plaats van het ongeval zag verbalisant [verbalisant 3] op het parkeerterrein een mobiele hydraulische kraan staan. Zij zag dat er een unit was geplaatst die zich gedeeltelijk onder het bladerdek van een boom bevond. Zij zag in totaal vier hijskettingen. Zij zag dat de twee hijskettingen met de hijshaken aan de voorzijde nog aan de unit bevestigd waren. De hijshaken van de kettingen aan de achterzijde waren reeds losgemaakt. Zij zag dat de losgemaakte kettingen aan de voorzijde van de unit hingen. De kraanmachinist was de [verdachte] .4

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen ter plaatse het volgende:

Op het parkeerterrein stond een kraan voorzien van een telescopische giek die voor het grootste gedeelte was uitgeschoven. De cabine van de kraan stond schuin gedraaid in de richting van de voetbalvelden op het onderstel van een vrachtwagen. Schuin voor de kraan stond een portacabin. De giek van de kraan stond schuin omhoog waarbij de staalkabel met katrol ongeveer een halve meter voor de portacabin, die op de parkeerplaats stond, naar beneden hing. Aan de katrol was een haak met vergrendeling bevestigd. Aan de haak, die aan de katrol was bevestigd waren vier stalen kettingen bevestigd die aan de andere zijde ieder waren voorzien van een haak met vergrendeling. Drie van deze stalen kettingen waren verwikkeld met elkaar. Twee haken hingen los en de andere twee haken waren ieder bevestigd aan een hijslus. De hoogte van de portacabin vanaf het dak naar de grond bedroeg ongeveer 3,60 meter.5

Op de in de fotomap aanwezige foto’s die genomen zijn van de situatie zoals verbalisanten de kraan, de dieplader en de portacabin hebben aangetroffen, heeft de rechtbank waargenomen dat de twee voorste kettingen nog vastgeketend zitten aan de hijslussen die waren ingedraaid in de hoekprofielen aan de voorzijde van de portacabin, terwijl de achterste twee kettingen los hingen vóór de portacabin.6 De katrol hangt niet in het midden van de portacabin, maar rechtsvoor aan de voorzijde van de portacabin.7

Getuige [getuige 1] heeft verklaard:

Op 15 augustus 2017 was ik werkzaam aan de [straatnaam 2] te [plaatsnaam] . We waren bezig met het plaatsen van de eerste unit door middel van een kraan die door mijn collega [verdachte] door de lucht werd verplaatst naar de juiste plek. De eerste unit zat door middel van vier kettingen vast aan de kraan en stond zo goed als zeker op de juiste plek. Ik zag dat een man via een trap aan de voorzijde de unit op klom. Ik zag dat de man geen helm droeg. Ik zag dat de man de achterste twee kettingen van de unit had losgemaakt. Ik zag dat de man naar de voorzijde van de unit liep. Ik had het idee dat de man de trap naar beneden wilde pakken omdat hij al een hand aan de trap had. Op dat moment hoorde ik dat de kraan meer toeren ging maken. Voor mij was dit een indicatie dat de kraan gaat lieren of optoppen. Ik hoorde de kettingen rinkelen.8 Ik keek naar boven en zag dat de kettingen de man raakten. Vervolgens zag ik dat de man die op de unit stond recht voor mijn voeten naar beneden viel. Ik zag dat de man op zijn hoofd gevallen was en dat hij niet meer bewoog.9

Ik zag dat [slachtoffer] geraakt werd door de ketting die nog niet losgekoppeld was. Ik heb de kraan nog gehoord. Ik heb nog geroepen “stop”. Ik heb me omgedraaid naar [verdachte] . Ik hoor dat er nog een actie is, maar dat heb ik niet gezien. Ik keek natuurlijk naar [slachtoffer] .10

Getuige [getuige 2] heeft verklaard:

Ik zag dat [slachtoffer] op het dak van de unit stond en dat hij geen veiligheidshelm droeg. Ik hoorde ineens iemand roepen: “kijk uit, kijk uit”. Ik zag de hijskettingen slingeren en naar voren komen.11 Ik zag dat [slachtoffer] geraakt werd door de kettingen; die duwden hem er vanaf.12

Getuige [getuige 3] heeft verklaard:

Wat ik wel met zekerheid kan zeggen is dat de kraan niet meer in beweging is gebracht na het ongeval.

Getuige [getuige 4] heeft verklaard:

Ik ben verbonden aan het opleidingsinstituut voor kraanmachinisten. Een machinist is verantwoordelijk voor alle bewegingen van de kraan.13 Boven de 2,5 meter is een valbeveiliging verplicht, wat de verantwoordelijkheid is van degene die op de unit stond. Een machinist mag niet draaien als hij constateert dat de veiligheid onder de kraan niet gewaarborgd is. Het aan- en afpikken is verantwoord als dat vanaf een ladder gebeurt, niet vanaf het dak waar valgevaar bestaat. Hijskettingen zullen na het losmaken altijd centreren onder een hijsblok. In mijn visie zijn tijdens het werk hijsbewegingen uitgevoerd om het hijsblok boven de positie te krijgen die ik op de foto’s kan zien, het optoppen, zwenken ten opzichte van de onderwagen en vieren van de hijskettingen.14

Verdachte heeft verklaard:

Op 15 augustus 2017 was ik werkzaam als kraanmachinist op het parkeerterrein van de voetbalclub in [plaatsnaam] . Ik heb voorafgaand aan mijn werkzaamheden de hijsklus doorgesproken met [slachtoffer] . Ik beschouwde hem als de uitvoerder/hijsbegeleider.

Ik had bij eerdere werkzaamheden ook met hem gewerkt dus ik begreep goed wat hij bedoelde. Zowel [slachtoffer] als ik kenden de gebaren die bij hijswerkzaamheden gebruikt worden.

Ik heb tegen [slachtoffer] gezegd dat hij een veiligheidshelm op moest doen maar hij gaf daar geen gehoor aan.

Toen hij op de unit klom gaf hij mij een hoofdknik om aan te geven dat hij de achterste kettingen los wilde maken. Ik heb hierop het hijsblok iets laten zakken. Ik kon hem goed zien. Ik zag dat hij de achterste kettingen los maakte. De katrol hing op dat moment in het midden van de last. Daarna heb ik geen aanwijzingen meer van [slachtoffer] gehad, niet mondeling en ook niet middels gebaren. Ik heb zelf ook geen gebaren gemaakt of waarschuwingen gegeven. Ik had vol zicht op de unit en zag dat hij na het losmaken van de achterste kettingen naar de voorkant van de unit liep. Ineens zag ik dat hij van de unit af viel.

Het is niet in mij op gekomen om te stoppen met mijn werkzaamheden omdat de veiligheid niet gegarandeerd was.15

Bewijsoverweging De rechtbank overweegt in het kader van de bewijsvoering nog het volgende. Verdachte heeft gezien dat de katrol nog in het midden van de last hing, op het moment dat [slachtoffer] op de portacabin stond en de achterste kettingen losmaakte. Nadat [slachtoffer] van de portacabin was gevallen, bleek echter dat de katrol aan de voorzijde van de portacabin hing. Niemand anders dan verdachte heeft de hijskraan bediend. Gelet hierop kan het niet anders dan dat verdachte tijdens de werkzaamheden een zwenkbeweging heeft gemaakt met de hijskraan. De rechtbank vindt hiervoor ook bevestiging in het feit dat een van de getuigen heeft gehoord dat de hijskraan toeren maakte en dat een van de getuigen heeft gezien dat de hijskettingen slingerden en dat [slachtoffer] door de hijskettingen van de portacabin werd geduwd. Naar het oordeel van de rechtbank zit de crux dus niet in de beweging om de kettingen te doen vieren, maar in de zwenkbeweging die verdachte daarna moet hebben gemaakt.

Uit de verklaring van verdachte zelf volgt dat [slachtoffer] geen aanwijzing voor een zwenkbeweging heeft gegeven toen hij op de portacabin stond. Verdachte heeft ook geen waarschuwing gegeven.

Voor de rechtbank staat vast dat het noodlottige ongeval voorkomen had kunnen worden indien verdachte zijn werkzaamheden had gestaakt op het moment dat hij zag dat het slachtoffer zich zonder valbescherming en zonder helm op de portacabin begaf. Verdachte had zich moeten realiseren dat er sprake was van een onveilige situatie op het moment dat het slachtoffer onder die omstandigheden op de portacabin klom. Afgezien daarvan had hij zich moeten onthouden van bewegingen met de hijskraan op eigen initiatief.

Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte, die verantwoordelijk was voor het hijsen, anders moeten en kunnen handelen en is sprake geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en onachtzaamheid zijnerzijds. De rechtbank acht het aan verdachte ten laste gelegde feit “dood door schuld” dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 15 augustus 2017 als kraanmachinist van een mobiele hydraulische kraan op een aan de [straatnaam 2] gelegen terrein te [plaatsnaam] in de gemeente Bernheze, aanmerkelijk, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld hierin bestaande dat hij, verdachte, bij het plaatsen van een portacabin, waar het latere slachtoffer [slachtoffer] op stond en zich aldus binnen het bereik van de aan de katrol van de kraan bevestigde kettingen bevond:

- op eigen initiatief de kraan in beweging heeft gebracht zonder daartoe een aanwijzing gehad te hebben van [slachtoffer] in zijn rol als hijsbegeleider, en

- geen waarschuwing heeft gegeven aan [slachtoffer] op het moment dat hij, verdachte, de kraan in beweging heeft gebracht, en niet anderszins mondeling en/of visueel heeft gecommuniceerd met [slachtoffer] op het moment dat hij, verdachte, de kraan in beweging bracht, en

-de kraan in beweging heeft gebracht terwijl hij zag dat [slachtoffer] geen helm droeg

terwijl hij, verdachte, gelet op zijn functie als kraanmachinist, kon of had moeten voorzien, dat deze (onaangekondigde) kraanbeweging risico's ten aanzien van de veiligheid voor [slachtoffer] voornoemd met zich mee konden brengen als gevolg waarvan [slachtoffer] , die zich bovenop de portacabin bevond door een ketting welke bevestigd was aan de katrol van de kraan is geraakt en waardoor [slachtoffer] van de portacabin naar beneden is gevallen en waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is dat [slachtoffer] als gevolg van de bij de val opgelopen verwondingen op 16 augustus 2017 is komen te overlijden.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een taakstraf voor de duur van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om- indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring- om de gevorderde taakstraf te matigen of deze in deels voorwaardelijke vorm aan verdachte op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 15 augustus 2017 heeft een tragisch ongeval plaatsgevonden op het parkeerterrein van de voetbalvereniging in [plaatsnaam] alwaar units werden geplaatst als noodvoorziening in verband met een verbouwing aldaar.

Een ketting die zich aan de katrol van een hijskraan bevond heeft het slachtoffer, dat zonder bescherming op het dak van de unit stond, geraakt waardoor hij vanaf een aanmerkelijke hoogte ten val is gekomen. Het slachtoffer is een dag later overleden aan de gevolgen van het letsel dat hij bij deze val had opgelopen. Dit ongeval had voorkomen kunnen worden als verdachte de benodigde veiligheidsmaatregelen in acht had genomen: in dit geval het staken van zijn werkzaamheden op het moment dat hij constateert dat een persoon zich zonder helm en valbescherming op het dak van de unit begaf.

De rechtbank realiseert zich dat [slachtoffer] zelf werkzaam was in de bouw en hij geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest van de verplichtingen die gelden omtrent het dragen van een helm en een valbescherming. Op verdachte als kraanmachinist rust een eigen, verstrekkende verantwoordelijkheid om geen bewegingen met de kraan te maken als hij constateert dat de veiligheid onder (het bereik van) de kraan is niet is gewaarborgd. In de uitoefening van die verantwoordelijkheid is verdachte als kraanmachinist ernstig tekortgeschoten.

Hoewel de rechtbank inziet dat de werksfeer op een werkterrein en de onderlinge werkverhoudingen op basis van bijvoorbeeld ervaring en leeftijd van de aanwezige werklieden er in de praktijk toe kunnen leiden dat de benodigde veiligheidsmaatregelen niet strikt worden nageleefd, wil zij middels het opleggen van een straf ook de ernst van de potentiële gevolgen van het niet naleven van verplichte veiligheidsmaatregelen tot uitdrukking brengen.

De gevolgen van het onderhavige ongeval zijn zeer ingrijpend. Het leed dat de dood van het slachtoffer bij de nabestaanden heeft veroorzaakt is groot en onomkeerbaar hetgeen ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting door zijn echtgenote is voorgelezen.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en/of justitie in aanraking geweest en dat er reeds twee jaar zijn verstreken sinds het ongeval heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft het ongeval ook een enorme impact op verdachte gehad.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 120 uur passend en geboden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 307 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn; verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. R. van den Munckhof en mr. L.J. Bronkhorst, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 8 oktober 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de Inspectie SZW, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, proces-verbaalnummer 1700427, aantal pagina’s: 539. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier

2 Proces-verbaal pag. 110-111.

3 Proces-verbaal pag. 120.

4 Proces-verbaal pag. 111.

5 Proces-verbaal pag. 119.

6 Waarneming van de rechtbank van foto nr. 03, proces-verbaal pag. 124 en foto nr. 10, proces-verbaal pag. 127.

7 Waarneming van de rechtbank van foto nr. 07, proces-verbaal pag. 126.

8 Proces-verbaal pag. 45.

9 Proces-verbaal pag. 46.

10 Proces-verbaal pag. 50.

11 Proces-verbaal pag. 55.

12 Proces-verbaal pag. 60.

13 Proces-verbaal pag. 85.

14 Proces-verbaal pag. 86.

15 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 24 september 2019.