Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5757

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
05-10-2019
Zaaknummer
C/01/348564 / FA RK 19-3381
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Informele rechtsingang minderjarige.

Minderjarige wil voortaan zelf bepalen wanneer zij contact wil met haar moeder. De rechter legt in kindvriendelijke taal uit waarom het verzoek wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/348564 / FA RK 19-3381

Uitspraak : 3 oktober 2019

Beschikking op het verzoek van

[de minderjarige] geboren in [plaats] op [datum]

verder te noemen: [de minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[moeder] ,

wonende in [woonplaats] ,

verder te noemen: de moeder,

[vader] ,

wonende in [woonplaats] ,

verder te noemen: de vader,

de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging [plaats] .

De procedure

[de minderjarige] heeft een brief geschreven aan de rechter. Die brief is bij de rechtbank op 12 juli 2019 binnengekomen.

De rechter heeft op 9 augustus 2019 met [de minderjarige] over haar brief gesproken.

Op 18 september 2019 heeft de rechter met de ouders van [de minderjarige] over de brief gesproken. Daarbij waren ook iemand van de raad voor de kinderbescherming en de gezinsvoogd van [de minderjarige] (van de Stichting Jeugdbescherming Brabant) aanwezig.

De feiten

[de minderjarige] woont samen met haar zus [naam] bij haar vader. De ouders van [de minderjarige] hebben samen het gezag over haar. Dit betekent dat zij samen beslissingen over haar moeten nemen.

[de minderjarige] is op 7 december 2018 onder toezicht gesteld. Dit betekent dat er sindsdien iemand is (de gezinsvoogd) die in de gaten houdt hoe het met [de minderjarige] en haar zus gaat en ervoor zorgt dat er hulp komt wanneer dat nodig is.

Op 18 januari 2019 heeft de rechter bepaald dat [de minderjarige] voortaan één keer per twee weken van woensdag tot zondag naar haar moeder gaat, en ook de helft van de vakanties.

Het verzoek van [de minderjarige]

[minderjarige] wil dat de rechter bepaalt dat zij voortaan zelf mag kiezen wanneer zij naar haar moeder gaat.

De beoordeling van het verzoek van [de minderjarige]

De rechter moet allereerst beoordelen of [de minderjarige] , die elf jaar oud is, kan overzien wat haar verzoek betekent. De rechter vindt dat [de minderjarige] dat kan.

[de minderjarige] heeft verteld dat haar ouders uit elkaar zijn gegaan toen zij vier was. Sindsdien zijn er al veel hulpverleners over de vloer geweest. [de minderjarige] vindt dat een gedoe. Bij haar vader thuis gaat het goed, maar bij haar moeder niet. Haar moeder doet vaak gestrest en wordt boos om niks. Als er iemand anders bij is, bijvoorbeeld een tante, gaat het goed. Maar zodra [de minderjarige] en haar moeder alleen zijn krijgen ze weer ruzie. [de minderjarige] krijgt van veel dingen de schuld. [de minderjarige] wil nog wel naar haar moeder gaan, maar alleen als zij zelf mag kiezen wanneer en hoe lang. Zij zou het bijvoorbeeld fijner vinden om nog maar één dag in het weekend te gaan, zonder overnachting. Tot slot heeft [de minderjarige] verteld dat zij soms wel last heeft van de situatie tussen haar ouders. Zij mogen nu niet meer met elkaar praten, dat mag alleen via de gezinsvoogd. Dat geeft wel rust voor [de minderjarige] .

De rechter heeft ook met de ouders van [de minderjarige] , de gezinsvoogd en iemand van de raad voor de kinderbescherming over het verzoek van [de minderjarige] gepraat. Daarna heeft de rechter goed nagedacht over haar beslissing.

Hieronder legt de rechter uit wat de beslissing is en waarom die beslissing is genomen.

De rechter begrijpt dat [de minderjarige] het vervelend vindt dat er al een tijdlang hulpverlening is en dat dit nog niet tot voldoende verbetering heeft geleid. Toch is het zo dat er nog passende hulpverlening is die de ouders en de kinderen nog niet hebben gehad. Bijvoorbeeld hulp die gaat over hoe gescheiden ouders met elkaar en hun kinderen moeten omgaan. De gezinsvoogd moet er de komende tijd voor zorgen dat de ouders passende hulp gaan krijgen. Ook is het misschien nodig dat [de minderjarige] weer met een speltherapeut gaat praten, als zij dat fijn vindt.

De rechter verwacht dat het tussen [de minderjarige] en haar moeder beter zal gaan als er meer passende hulp komt, ook bij de moeder thuis. Dit heet met een moeilijk woord: systeemtherapie. De gezinsvoogd zal de juiste hulp daarvoor moeten kiezen en zorgen dat die hulp ook kan starten. Het is ook belangrijk dat de ouders en ook [de minderjarige] daar aan meewerken. Dat vergroot de kans dat de situatie voor [de minderjarige] beter wordt.

De rechter vindt het dan ook geen goed idee als [de minderjarige] voortaan zelf zou bepalen wanneer zij naar haar moeder gaat. Het is belangrijk dat er gewerkt gaat worden aan het verbeteren van haar relatie met haar moeder, zodat er minder ruzie is. De rechter heeft goed begrepen wat [de minderjarige] wil, maar vindt dat niet goed voor haar en voor haar toekomst. Daarom is de beslissing anders dan [de minderjarige] heeft gevraagd. De rechter zal het verzoek van [de minderjarige] afwijzen. Dit betekent dat de rechter de zorgregeling, die het contact tussen [de minderjarige] en haar moeder regelt, niet zal veranderen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Lammers, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 3 oktober 2019.

Conc: db

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch:

a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator, door tussenkomst van een advocaat: binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door de minderjarige zelf als zijn verzoek ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden door tussenkomt van een advocaat: binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

d. door andere belanghebbenden door tussenkomst van een advocaat: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden.