Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5755

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
27-09-2019
Datum publicatie
05-10-2019
Zaaknummer
C/01/346027 / FA RK 19-2088
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voornaamswijziging. Afwijzing tweede verzoek, omdat het algemeen belang van naamconsistentie in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij de door haar opnieuw gewenste wijziging van haar voornaam.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 4
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/346027 / FA RK 19-2088

Uitspraak : 27 september 2019

Beschikking betreffende voornaamswijziging in de zaak van:

[verzoekster]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
hierna mede te noemen: verzoekster,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A.W. van Luipen.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift (met bijlagen), ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 2 mei 2019.

De zaak is behandeld ter zitting van 30 augustus 2019. Verschenen zijn verzoekster en mr. S. van Beers (kantoorgenoot van mr. Van Luipen).

De beoordeling

Op 6 november 1997 is de derde voornaam van verzoekster op bevel van de officier van justitie verbeterd van [voornaam A] in [voornaam B] .

Bij beschikking van rechtbank Gelderland van 30 maart 2017 is de wijziging van de voornamen van verzoekster gelast van [voornamen] in [voornaam C] . Naar aanleiding van die beschikking is op 13 april 2017 door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding toegevoegd aan de geboorteakte van verzoekster, als gevolg waarvan haar voornaam vanaf dat moment [voornaam C] is.

Nu verzoekt verzoekster wijziging van haar voornaam van [voornaam C] in [voornaam D] .

Verzoekster stelt dat zij in 2017 wijziging van haar voornamen in [voornaam C] heeft verzocht omdat de naam [voornaam C] voor haar een bijzondere betekenis had. Zij stelt dat zij deze naam te danken heeft aan de vindingrijkheid van haar destijds tweejarige kleinzoon, die van oma [naam] ‘ [voornaam C] ’ maakte. Onder die naam voelde verzoekster zich compleet en de naam gaf haar vreugde en voldoening. Na honorering van het verzoek was verzoekster dan ook intens gelukkig met haar nieuwe voornaam.

Dit veranderde toen zij op 2 februari 2019 een e-mailbericht van haar dochter kreeg, waarin de dochter schreef dat de kleinzoon niet [voornaam C] maar [voornaam D] zei en dat zij pijn voelt dat hij hierdoor verwarring kan voelen in deze belangrijke wijziging in de naam die is gekozen. Verzoekster stelt dat ten tijde van de indiening en honorering van het eerste verzoek in 2017 de gezamenlijke geschiedenis tussen haar en haar dochter tot een einde was gekomen en dat hun levens van elkaar gescheiden waren. Daarom heeft verzoekster op dat moment haar nieuwe naam niet met haar dochter gedeeld.

Op het moment van indiening van het eerste verzoek verkeerde verzoekster in de absolute overtuiging dat haar kleinzoon haar [voornaam C] had genoemd, maar nu terugkijkend moet zij inzien dat dit niet juist is. Verzoekster stelt dat dit haar gevoelens van diepe teleurstelling en verdriet gaf. Voor verzoekster was er volledige binding tussen de gewenste voornaam en haar kleinzoon en door deze ontdekking is deze verbinding, die zij met zoveel liefde heeft gelegd, geheel tenietgegaan. Zij draagt nu een voornaam zonder enige binding en zonder enig gevoel. Het enige dat aan deze voornaam kleeft is de toentertijd bestaande verwarring in het geheugen van verzoekster. Door deze geheugenverwarring is de verbinding verbroken met de emotionele oorsprong en betekenis van de naam die alleen met correctie hersteld kan worden.

Verzoekster stelt dat zij een voldoende zwaarwichtig belang heeft bij de verzochte wijziging en dat dit belang prevaleert boven het maatschappelijk belang.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1:4 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter wijziging van de voornamen gelasten op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijk vertegenwoordiger. Voor een dergelijke wijziging dient een voldoende zwaarwichtig belang te bestaan. De vraag wanneer sprake is van een voldoende zwaarwichtig belang, wordt in de wet en de wetsgeschiedenis niet beantwoord. Daarvoor dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechte van de Mens (EHRM).

Omdat voornamen een middel zijn om personen binnen hun familie en in het maatschappelijk verkeer te identificeren, vallen zij onder het begrip privéleven en familie- of gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. Het door dit artikel beschermde belang brengt mee dat inmenging van enig openbaar gezag niet is toegestaan. Niet iedere regulering houdt evenwel ook een inmenging in. Een weigering om een voornaam te wijzigen kan niet zonder meer als ongeoorloofde inmenging worden aangemerkt. Daarvoor zal steeds moeten worden onderzocht of sprake is van een evenwichtige belangenafweging (“fair balance”) tussen enerzijds de belangen van het individu en anderzijds de belangen van de staat, waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat de staat een zekere mate van beoordelingsvrijheid toekomt.

Of de weigering om een voornaam te wijzigen, een ongerechtvaardigde inmenging oplevert, hangt af van de mate van ongemak en overlast die de betrokkene, in dit geval verzoekster, hiervan ondervindt. Daarbij dienen alle feiten en omstandigheden te worden meegewogen, waaronder de vraag of het voor betrokkene feitelijk toch mogelijk is de gewenste voornaam te voeren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat voor verzoekster van essentieel belang is dat haar voornaam in overeenstemming is met hoe haar kleinzoon haar heeft genoemd, volgens verzoekster aanvankelijk [voornaam C] , maar bij nader inzien [voornaam D] .

Ter zitting is echter gebleken dat verzoekster haar kleinzoon maar één keer heeft gezien en dat hij haar ook maar één keer bij de door haar gewenste naam heeft genoemd. Verzoekster had en heeft voor het overige geen contact met haar dochter en kleinzoon, die nu vijf jaar is.

Vast staat dat de keuze voor de naam [voornaam C] in 2017 kennelijk alleen door die eenmalige ontmoeting is ingegeven.

Vast staat dat de keuze voor de thans gewenste naam [voornaam D] louter is ingegeven door een e-mailbericht van de dochter van verzoekster.

Het is de vraag of inwilliging van het verzoek zal leiden tot “het gevoel van heelheid”, zoals verzoekster stelt, temeer nu de wijziging in 2017 was gebaseerd op één ontmoeting en de gewenste wijziging thans is gebaseerd op één e-mailbericht.

Gelet op het voorgaande en na afweging van de betrokken belangen is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een voldoende zwaarwichtig belang van verzoekster. In dit specifieke geval dient het algemeen belang bij naamconsistentie zwaarder te wegen dan het persoonlijke belang van verzoekster bij inwilliging van haar verzoek.

De omstandigheid dat verzoekster kosten heeft moeten maken om deze procedure te voeren, doet aan het voorgaande niet af en kan nimmer een argument zijn waarom een dergelijk verzoek moet worden toegewezen.

Overigens staat het verzoekster vrij om zich in het dagelijks leven, ook zonder wijziging van haar voornaam in de registers van de burgerlijke stand, [voornaam D] te noemen.

Het verzoek wordt afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. V.R. de Meyere, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 27 september 2019.

Conc: MVd(O

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.