Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5658

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
18/3254
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat eiseres geen bestaande functie heeft overgenomen, maar belast is met een ander en ‘nieuw’ takenpakket. Anders dan in de functie van Inhoudsdeskundige staat bij de door eiseres te verrichten taken de uitvoering van het (woonwagen-)beleid voorop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/3254

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Bots),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. L.S. van Loon).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2017 (het primaire besluit), verzonden op 22 december 2017, heeft verweerder besloten eiseres per 1 januari 2018 te plaatsen bij het Sociaal Domein, sector Support, afdeling Programmering, Ontwikkeling en Kwaliteit (POK). Zij is daarbij benoemd in de functie van Specialist C uit de functiecategorie Vakspecialist, en belast met de werkzaamheden van medewerker POK. Het niveau van de functie is daarbij bepaald op schaal 9 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR). Verweerder heeft de salarisindeling van eiseres gehandhaafd op schaal 9, 11e verhoging, van de CAR, en de schaalaanduiding gewijzigd van ‘Uitloopschaal’ naar ‘Functionele schaal’.

Ook heeft verweerder beslist dat door de benoeming van eiseres in deze functie haar status als boventallige komt te vervallen en het Van-Werk-Naar-Werk-traject eindigt.

Eiseres heeft op 23 januari 2018 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Op 19 december 2018 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder om een besluit te nemen op haar bezwaarschrift.

Bij besluit van 28 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft eiseres per 10 november 2017 geplaatst bij het Sociaal Domein, Beleid en Ontwikkeling, team implementatie, en belast met de werkzaamheden van Uitvoerend medewerker woonwagenbeleid (jeugd). Het bijpassend functieprofiel is dat van Specialist C. Het niveau van de functie heeft verweerder na waardering van de werkzaamheden bepaald op schaal 9 van de CAR.

Het bezwaar van eiseres met betrekking tot door haar extra gewerkte uren in de maanden oktober, november en december 2017 heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

Wat betreft het beroep tegen de weigering te beslissen heeft verweerder aan eiseres de maximale dwangsom toegekend.

De rechtbank heeft het beroep van eiseres op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van verweerder van 28 januari 2019.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Bij besluit van 14 februari 2017, verzonden op 15 februari 2017, heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar tijdelijke werkzaamheden als Maatwerkconsulent (voor 19 uur per week) zijn verlengd voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 28 februari 2017, en per 1 maart 2017 zullen eindigen. Volgens dit besluit wordt haar waarnemingstoelage ongewijzigd voortgezet tijdens de periode tot en met 28 februari 2017 en krijgt eiseres per 1 maart 2017 de status van gedwongen mobiliteitskandidaat en boventallige en start het Van-Werk-Naar-Werk-traject van maximaal 24 maanden. Eiseres heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.

Op 10 november 2017 is eiseres geplaatst in het Sociaal Domein waar zij werkzaamheden ten behoeve van het woonwagenbeleid (jeugd) verricht. Voorafgaand aan haar plaatsing heeft eiseres op 12 oktober 2017 gevraagd om een functiebeschrijving van haar werkzaamheden. Zoals hiervoor aangegeven, is eiseres bij het primaire besluit met ingang van 1 januari 2018 in eerste instantie geplaatst als medewerker POK.

2. Naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder zijn eerdere besluit nader gemotiveerd. Volgens verweerder ontbrak eerder een afgewogen motivering of de taken van Uitvoerend medewerker woonwagenbeleid (jeugd) onder de noemer van medewerker POK dan wel onder de noemer van Inhoudsdeskundige moeten worden geschaard. In het dossier zat volgens verweerder slechts een summiere overweging die in essentie niet meer behelst dan dat een Inhoudsdeskundige beleid maakt en een medewerker POK de uitvoering van dat beleid verzorgt. Verweerder heeft dit gebrek hersteld door een nieuw Functie-inventarisatieformulier (FIF) betreffende de werkzaamheden van eiseres op te stellen en de functie te laten waarderen. Het gaat om het FIF van 29 november 2018.

Op 14 januari 2019 heeft verweerders functiewaarderingsdeskundige het takenpakket van Uitvoerend medewerker woonwagenbeleid (jeugd) gewaardeerd en geadviseerd de functie in te delen in Specialist C, schaal 9. Verweerder heeft dit advies bij het bestreden besluit gevolgd.

De uitbetaling van uren

3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat zij het er niet mee eens is dat verweerder haar bezwaar, voor zover het de nabetaling betreft van de uren die zij in de maanden oktober, november en december 2017 meer heeft gewerkt dan de omvang van haar aanstelling, niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nu eiseres op de zitting heeft aangegeven deze beroepsgrond niet langer te handhaven, zal de rechtbank deze verder niet bespreken.

Het functieprofiel en de plaatsing

4. Volgens verweerder is eiseres terecht geplaatst binnen het functieprofiel van de Specialist C, belast met de werkzaamheden van Uitvoerend medewerker woonwagenbeleid (jeugd) bij het Sociaal Domein, Beleid en Ontwikkeling, team implementatie. Haar werkzaamheden passen het best bij dit functieprofiel.

5. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte heeft geplaatst in dit functieprofiel. Volgens eiseres is geen sprake van een nieuwe en voor haar gecreëerde functie, maar is zij gaan werken in de bestaande functie van Coördinator woonwagenjeugd, dan wel Inhoudsdeskundige. Zij is namelijk [naam] en [naam] , die beiden werkten in de functie van Inhoudsdeskundige, opgevolgd. De werkzaamheden die eiseres verricht, passen ook beter bij de functie van Inhoudsdeskundige. Verweerder moet haar daarin plaatsen.

6. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; zie de uitspraak van 28 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF0153) bij het vaststellen van functiebeschrijvingen aan het bestuursorgaan beleidsvrijheid toekomt. Anders dan bij een zogenaamde mens-functiebeschrijving gaat het hier niet om de beschrijving van de feitelijk uitgevoerde of feitelijk opgedragen werkzaamheden, maar om de door verweerder aan eiseres opgedragen werkzaamheden, gegeven de richting van de organisatie zoals verweerder die voor ogen staat. Dit brengt mee dat de rechterlijke toetsing van de organieke functiebeschrijving met terughoudendheid moet plaatsvinden.

7. Uit de stukken volgt dat eiseres in het kader van het Van-Werk-Naar-Werk-traject geplaatst is op een functie bij het Sociaal Domein, samen met zes anderen. Over haar plaatsing zijn met eiseres gesprekken gevoerd, onder meer met [naam] , programmamanager Sociaal Domein, en [naam] , afdelingsmanager Programmeren, Ontwikkeling & Kwaliteit. In de mail van 28 november 2017 van [naam] bevestigt deze aan eiseres dat het voorstel is gedaan haar te plaatsen in de functie van medewerker POK en schrijft hij: “De werkzaamheden die het betreft zijn; uitvoering van woonwagenbeleid voor jeugdigen, daarbij krijg je de ruimte om de uitvoering toe te passen conform eigen inzicht (mits passend in beleidskaders). Er is binnen deze rol geen sprake van projectleiderschap, de werkzaamheden vinden plaats in nauw overleg met de programmaleider van team jeugd.” Het functieprofiel van de medewerker POK (Specialist C, schaal 9) is bij de mail gevoegd. Verweerder heeft in beroep verder toegelicht dat de werkzaamheden die eiseres verricht betrekking hebben op het coördineren en plannen van activiteiten die voortvloeien uit het beleidsplan. De werkzaamheden komen niet overeen met de werkzaamheden van de Inhoudsdeskundige, een functie op het niveau van schaal 11 van de CAR. De functie van Inhoudsdeskundige is gericht op beleidsontwikkeling. Verweerder vraagt van eiseres niet om beleid te ontwikkelen. Verweerder vraagt van eiseres beleid uit te voeren. Verweerder heeft eiseres evenmin aangesteld als Coördinator woonwagenjeugd. Het verrichten van coördinerende werkzaamheden is een taakonderdeel, maar niet haar hoofdtaak.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het voorgaande voldoende heeft onderbouwd dat eiseres geen bestaande functie heeft overgenomen, maar belast is met een ander en ‘nieuw’ takenpakket. Anders dan in de functie van Inhoudsdeskundige staat bij de door eiseres te verrichten taken de uitvoering van het (woonwagen-)beleid voorop. Wat daartegen is aangevoerd door eiseres slaagt niet.

9. De rechtbank kan eiseres wel erin volgen dat de communicatie met haar over de functie waarin zij zou worden geplaatst beter had gekund. De aan eiseres in afschrift toegezonden mail van [naam] van 16 oktober 2017 (waarin mevrouw [naam] aangeeft dat zij haar taken moet doorgeven aan een collega en dat eiseres “meer uren beschikbaar (heeft) om deze klus te klaren”) en het nadien toesturen aan eiseres van de functiebeschrijving van de functie van Inhoudsdeskundige, scheppen onduidelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank moet het echter redelijkerwijs ook voor eiseres al snel en vanaf het begin van de werkzaamheden duidelijk zijn geweest welke (uitvoerende) taken zij zou gaan verrichten. Dit geldt zeker in het licht van het feit dat zij voorafgaand aan de plaatsing in de functie bij het Sociaal Domein was ingeschaald in schaal 9, met een – eindigende – waarnemingstoelage wegens werkzaamheden op schaal-10-niveau. Onder deze omstandigheden is het niet logisch te veronderstellen dat zij vervolgens in het kader van het opheffen van haar boventalligheid, zonder meer, zou worden geplaatst in een functie op een hoger niveau; het niveau van schaal 11. Voor zover eiseres in dit verband een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel treft dat geen doel, aangezien niet is gebleken van een ongeclausuleerde (schriftelijke) toezegging van verweerder die inhoudt dat eiseres de taken van Inhoudsdeskundige zou gaan verrichten.

De functiebeschrijving in het FIF

10. Volgens eiseres is de beschrijving van de functie in het FIF niet juist. In het FIF is opgenomen dat de Specialist C verantwoording aflegt aan de Inhoudsdeskundige. Volgens eiseres kan dat niet omdat er geen Inhoudsdeskundige is. Ook ontbreekt een aantal taken in het FIF. Zo is daarin niet het overleg met de portefeuillehouder opgenomen.

11. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat het al dan niet vervullen van de taak ‘het voeren van overleg met de portefeuillehouder’ niet bepalend is voor het niveau van de functie. Ook als deze taak in het FIF wordt opgenomen, wijzigt dat het totaalbeeld niet en blijft onveranderd sprake van een beleidsuitvoerende functie. Ook het feit dat de vacature van de Inhoudsdeskundige niet is vervuld, maakt de functiebeschrijving niet onjuist. De Uitvoerend medewerker woonwagenbeleid (jeugd) legt wel verantwoordelijkheid af aan de Inhoudsdeskundige als de vacature is vervuld.

12. Ook betwijfelt eiseres of de procedure die geldt voor het opstellen van het FIF juist is verlopen. Verweerder heeft eiseres niet op de hoogte gesteld dat er een nieuw FIF is opgesteld.

13. Dit slaagt niet. Verweerder merkt hierover terecht op dat eiseres in eerste instantie is gevraagd een FIF op te stellen, maar zij dit verzoek per mailbericht van 31 oktober 2018 heeft teruggegeven aan verweerder. Eiseres was er dus van op de hoogte dat een inventarisatie van haar werkzaamheden moest worden gemaakt en een nieuw FIF werd opgesteld.

14. Eiseres stelt daarnaast dat bij de ondertekening van het FIF een onjuiste volgorde is gehanteerd. In het geval van eiseres is dit gebeurd door de direct leidinggevende en de P-adviseur. Ook is niet duidelijk of een functiewaarderingsdeskundige werd geraadpleegd.

15. Op grond van artikel 6 van de Regeling functiebeschrijving en -waardering Eindhoven 2012 (Regeling) vult het sectorhoofd het FIF in, onder meer indien hij van oordeel is dat sprake is van een nieuw samenstel van taken. De gemeentesecretaris stelt na advies van de functiewaarderingsdeskundige de toebedeling van het samenstel van taken, zoals beschreven in het FIF, aan het functieprofiel vast.

16. De rechtbank stelt vast dat uit de ondertekening van het FIF blijkt dat het is opgesteld door de direct leidinggevende van eiseres en de P-adviseur, waarna het sectorhoofd het FIF op 29 november 2018 voor akkoord heeft ondertekend. Op 30 november 2018 is door de beheerder van het functiehuis aangegeven dat het FIF voldoet aan de kwaliteitstoets en daarmee gewaardeerd kan worden. Op 14 januari 2019 is het takenpakket van Uitvoerend medewerker woonwagenbeleid (jeugd) door de functiewaarderingsdeskundige gewaardeerd. De gemeentesecretaris heeft vervolgens bij het bestreden besluit, na het advies van de functiewaarderingsdeskundige, de toebedeling van de beschreven taken aan het functieprofiel Specialist C, Uitvoerend medewerker woonwagenbeleid (jeugd), vastgesteld.

17. Deze gang van zaken is naar het oordeel van de rechtbank conform de voor verweerders gemeente geldende Regeling. Voor zover eiseres stelt dat de direct leidinggevende en de P-adviseur het FIF hebben opgesteld, oordeelt de rechtbank dat met het door het sectorhoofd ondertekenen voor akkoord van het door de direct leidinggevende en de P-adviseur voorbereide FIF, is voldaan aan het vereiste van artikel 6, eerste lid, van de Regeling. Ook voor het overige is verweerder niet afgeweken van de Regeling. De stelling slaagt niet.

De functiewaardering

18. Eiseres is van mening dat de functie zoals zij die naar haar mening heeft overgenomen (de eerder door [naam] en [naam] vervulde werkzaamheden) niet kan worden gewaardeerd in CAR-schaal 9. Zij heeft niet aangevoerd dat verweerder de door hem beschreven functie van Specialist C ten onrechte heeft gewaardeerd in CAR-schaal 9. Ook laat eiseres zich niet uit over het werk dat zij feitelijk doet. Eiseres beperkt zich tot het standpunt dat er geen sprake is van een voor haar gecreëerde functie, maar dat zij de functie heeft overgenomen.

19. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van 15 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8698) is de rechterlijke toetsing bij functiewaardering terughoudend. De rechter moet beoordelen of de waardering op voldoende gronden berust. Dit betekent dat pas tot vernietiging van de bestreden waardering wordt overgegaan als deze als onhoudbaar wordt aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

20. De functiewaarderingsdeskundige heeft verweerder op 14 januari 2019 geadviseerd. Volgens deze deskundige is voor de inpassing van de werkzaamheden van Uitvoerend medewerker woonwagenbeleid (jeugd) gekeken naar de profielen van Specialist B (schaal 10), Specialist C (schaal 9) en Specialist D (schaal 8). Voor Specialist B is het nodig dat de medewerker beleid ontwikkelt. Daar is in de functie van Uitvoerend medewerkerker woonwagenbeleid (jeugd) geen sprake van. De medewerker moet voor het coördineren en plannen van de activiteiten het beleidsplan interpreteren en daarnaast knelpunten signaleren in het uitvoeren van het beleid en oplossingsrichtingen aandragen. Deze aspecten passen bij de Specialist C en komen niet terug in Specialist D. Gelet hierop heeft de deskundige geadviseerd de functie in te delen in Specialist C, schaal 9.

21. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft aangevoerd tegen de waardering van de functie Specialist C, belast met de werkzaamheden van Uitvoerend medewerker woonwagenbeleid (jeugd) in schaal 9 van de CAR. In dat opzicht, en ook voor het overige, is er geen reden om te concluderen dat de functiewaardering op onvoldoende gronden berust.

22. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit, voorzitter, en mr. F.M. Rijnbeek en mr. I. Ravenschlag, leden, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 3 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.