Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5595

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
7870563
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Civiel recht

Verbintenissenrecht

Arbeidsrecht/WWZ

Werkgever verzoekt ontbinding arbeidsovereenkomst primair wegens het zonder deugdelijke reden niet nakomen re-integratieverplichtingen door werknemer (e-grond). Werknemer stelt niet in staat te zijn tot het verrichten van aangeboden passende arbeid. Verzekeringsarts UWV acht werknemer daartoe in staat. Voldoet het deskundigenoordeel? Is sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1039
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Zaaknr./rekestnr.: 7870563 / EJ VERZ 19-264

Uitspraakdatum: 25 september 2019

Beschikking in de zaak van:

Hago Nederland B.V.,

statutair gevestigd te Heerlen,

verzoekende partij,

verder te noemen: Hago,

gemachtigde: mr. R.M. Dessaur

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

verder te noemen: [verweerster] ,

gemachtigde: mr. J.J.M. Cliteur,

procederend met toevoeging verleend door de Raad voor Rechtsbijstand met kenmerk 1IO3269.

1 Het procesverloop

1.1.

Hago heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerster] heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 30 augustus 2019 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht, de gemachtigde van Hago mede aan de hand van pleitaantekeningen. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van [verweerster] bij brief van 23 augustus 2019 en bij faxbericht van 27 augustus nog nagekomen stukken toegezonden als aanvulling op productie 2 bij het verweerschrift. Hierna hebben partijen bij brief en faxbericht van 17 september 2019 de second opinion, als bedoeld in artikel 2.14d van het Arbobesluit, van dezelfde datum, overgelegd en daarop gereageerd.

1.3.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 november 2016 in dienst getreden bij Hago. [verweerster] is laatstelijk werkzaam in de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud I, met een salaris van € 12,49 bruto per uur, exclusief vakantietoeslag bij een arbeidsomvang van gemiddeld 10 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf van toepassing (hierna: de cao).

2.2.

[verweerster] is sinds 9 januari 2018 arbeidsongeschikt.

3 Het verzoek

3.1.

Hago verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen zo spoedig mogelijk te ontbinden, zonder toekenning van een transitievergoeding met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

Ter onderbouwing van haar ontbindingsverzoek heeft Hago het volgende naar voren gebracht.

3.2

[verweerster] heeft zich op 9 januari 2018 bij Hago ziek gemeld. Zij was gedurende de eerste maanden van haar arbeidsongeschiktheid niet in staat tot enige vorm van re-integratie. [verweerster] was in deze periode een of meerdere keren onbereikbaar voor Hago, terwijl het onderhouden van contact ook behoort tot de re-integratieverplichtingen.

In juli 2018 heeft de bedrijfsarts geadviseerd dat [verweerster] vanaf medio augustus 2018 kon gaan starten met uitvoering van aangepaste werkzaamheden in boventallige positie, gedurende drie keer een uur per week. [verweerster] was hiertoe niet bereid en heeft in september 2018 een deskundigenoordeel aangevraagd.

Op 1 november 2018 heeft het UWV geoordeeld dat het door Hago aangeboden werk passend is. Hago heeft [verweerster] schriftelijk opgeroepen haar re-integratie te hervatten. [verweerster] heeft daaraan geen gehoor gegeven. Hago heeft de loonbetaling aan [verweerster] vervolgens gestaakt.

De bedrijfsarts heeft op 4 december 2018 geadviseerd het aantal uren waarin kan worden gere-integreerd uit te breiden. Hago heeft [verweerster] hiervan op de hoogte gesteld. Hierna heeft zij onverkort geweigerd de aangeboden aangepaste werkzaamheden in het kader van de re-integratie uit te voeren, ondanks meerdere schriftelijke oproepen daartoe.

Hago heeft in februari 2019 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de re-integratie-inspanningen van [verweerster] . Op 9 mei 2019 heeft het UWV geoordeeld dat [verweerster] in ieder geval vanaf augustus 2018 in onvoldoende mate medewerking heeft verleend aan haar re-integratie. Ook nadat [verweerster] van dit oordeel op de hoogte is gesteld, is zij niet met haar re-integratie gestart. Zij heeft Hago hiervoor geen reden of onderbouwing gegeven.

3.3.

Hago is van mening dat het structureel, gedurende meerdere maanden verzaken door [verweerster] van haar re-integratieverplichtingen kwalificeert als zodanig verwijtbaar nalaten dan wel (niet) handelen dat van Hago in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 onder e BW).

Het (niet) handelen van [verweerster] is voorts ernstig verwijtbaar. Het is vergelijkbaar met de voorbeelden van ernstig verwijtbaar handelen zoals de wetgever deze bij de totstandkoming van de Wet werk en zekerheid heeft gegeven. Van bijzondere of verzachtende omstandigheden aan de zijde van [verweerster] , die haar (niet) handelen zouden kunnen verklaren en mogelijks zelfs min of meer rechtvaardigen, is nadrukkelijk niet gebleken.

Voor zover geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerster] geldt dat inmiddels sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 onder g BW). [verweerster] heeft van Hago meerdere kansen gekregen haar gedrag te verklaren en aan te passen, maar is daartoe niet overgegaan. Dit heeft zij ook niet gedaan nadat Hago de loonbetaling heeft gestaakt en het UWV om een oordeel is gevraagd. [verweerster] reageert inhoudelijk nergens op en is niet bereid gebleken te voldoen aan haar re-integratieverplichtingen en haar standpunt te herzien.

Meer subsidiair geldt dat een situatie is ontstaan die zodanig is dat van Hago in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 onderdeel h BW). Hago weet niet meer hoe zij, gelet op de opstelling van [verweerster] , nog concreet invulling kan geven aan de arbeidsovereenkomst. Deze is een lege huls geworden.

Herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie is in de gegeven omstandigheden niet mogelijk, althans ligt niet in de rede. Daarbij geldt dat primair sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerster] (artikel 7:671 lid 8 onder b BW).

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] verweert zich tegen het verzoek. Zij stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Subsidiair stelt zij dat als het verzoek op één van de door Hago aangevoerde gronden zou worden toegewezen, daarbij de voor [verweerster] geldende opzegtermijn in acht moet worden genomen onder toewijzing aan [verweerster] van de voor haar geldende transitievergoeding te berekenen van 22 augustus 2007.

4.2.

[verweerster] voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

Hago schetst ten onrechte en tegen beter weten in een beeld van een werknemer die zonder enige reden verzuimt en niet meewerkt aan haar re-integratie.

[verweerster] heeft in het begin van 2018 psychische klachten ontwikkeld, die zodanig ernstig zijn dat zij de bedongen werkzaamheden niet kan verrichten en evenmin in staat is tot het verrichten van andere activiteiten in het kader van haar re-integratie.

[verweerster] is niet alleen gezien door de bedrijfsarts van Hago en de verzekeringsarts van het UWV, maar ook door haar eigen huisarts, haar psychiater en door de bedrijfsarts van CSU, een andere werkgever van [verweerster] . [verweerster] verricht voor CSU dezelfde werkzaamheden als voor Hago.

De bedrijfsarts van CSU is tot voor kort steeds tot de conclusie gekomen dat [verweerster] niet alleen arbeidsongeschikt is, maar dat er ook geen mogelijkheden zijn voor het verrichten van re-integratieactiviteiten. Dit standpunt wordt ondersteund door de huisarts en

psychiater van [verweerster] .

[verweerster] heeft bij brief van 9 januari 2019, via haar dochter, bij Hago geklaagd over de door Hago gegeven waarschuwing en ook laten weten dat de eerstejaarsevaluatie niet juist is gelet op het toestandsbeeld van [verweerster] . Uit deze brief blijkt ook dat van onwil aan de zijde van [verweerster] geen sprake is.

Op 4 februari 2019 heeft de arbodienst van CSU een arbeidsdeskundig rapport uitgebracht. Daaruit blijkt dat binnen CSU geen re-integratiemogelijkheden bestaan.

De gemachtigde van [verweerster] heeft naar aanleiding van het verzochte deskundigenoordeel het UWV verzocht (ook) informatie in te winnen bij de artsen die [verweerster] behandelen, waaronder haar psychiater. Tegelijkertijd is Hago verzocht het toepassen van de loonsanctie te staken. Hago heeft dat verzoek afgewezen. Wel heeft Hago een second opinion aangeboden bij een bedrijfsarts van een andere arbodienst.

Uit de door de verzekeringsarts van het UWV opgestelde rapportage blijkt dat geen contact is gezocht met de huisarts en psychiater van [verweerster] .

Dit is ook niet gebeurd in het kader van een door CSU aangevraagd deskundigenoordeel.

De bedrijfsarts van CSU heeft nadat dit oordeel was gegeven een ongewijzigde medische situatie geconstateerd, maar heeft, gedwongen door het deskundigenoordeel van het UWV, aangegeven dat er wel arbeidsmogelijkheden zouden zijn. Hoe deze dan zouden moeten worden vormgegeven, kon deze bedrijfsarts niet zeggen.

[verweerster] kan onderbouwd duidelijk maken dat bij haar sprake is van zodanige beperkingen dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de door de bedrijfsarts van Hago en het UWV aangegeven re-integratieactiviteiten uitvoert.

[verweerster] heeft zowel bij Hago als CSU ingezet op hervatting van haar werkzaamheden, maar steeds bleek kort na aanvang van deze werkzaamheden dat dit niet lukte. Dit was de direct leidinggevenden van Hago en CSU ook duidelijk. Zij hebben [verweerster] weer weggestuurd.

[verweerster] mag uitgaan van de beoordeling van haar eigen huisarts en haar specialist. De verzekeringsartsen van het UWV hebben niet de moeite hebben genomen om bij de behandelende sector te informeren naar de stand van zaken en de behandeling van [verweerster] . De bedrijfsarts van Hago heeft dit evenmin gedaan.

Het is de vraag of het oordeel van de bedrijfsarts en het oordeel van de verzekeringsartsen voldoende zijn onderbouwd om te komen tot de conclusie dat van [verweerster] re-integratie-inspanningen kunnen worden verwacht. In ieder geval is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of rekening moet worden gehouden met een in acht te nemen opzegtermijn en of Hago aan [verweerster] een transitievergoeding is verschuldigd.

5.2.

De kantonrechter stelt vast dat het verzoek om ontbinding primair is gegrond op artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW, en berust op het zonder deugdelijke grond door [verweerster] niet nakomen van – kort gezegd – haar re-integratieverplichtingen. In geval van een verzoek op die grondslag gelden een paar formele vereisten. Zo moet de werkgever een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a BW overleggen. Ook moet de werkgever de werknemer schriftelijk hebben aangemaand om zijn verplichtingen na te komen en de betaling van het loon hebben gestaakt (Hof ’s-Hertogenbosch 24 augustus 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3683).

5.3.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat Hago aan de hiervoor genoemde formele vereisten heeft voldaan. De kantonrechter zal vervolgens inhoudelijk beoordelen of [verweerster] haar re-integratieverplichtingen heeft nageleefd, en zo niet, of daarvoor een deugdelijke grond aanwezig is. De kantonrechter stelt hierbij voorop dat het (stelselmatig) schenden van re-integratieverplichtingen een redelijke grond kan vormen voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 99).

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat – met uitzondering van enkele pogingen in de tweede helft van 2018 – [verweerster] geen passende werkzaamheden heeft verricht. Volgens de bedrijfsarts van Hago en volgens de verzekeringsgeneeskundige van het UWV is [verweerster] daartoe wel in staat, zij het in beperkte mate. [verweerster] acht zich feitelijk in het geheel niet in staat de aangeboden passende werkzaamheden te verrichten.

5.5.

Het standpunt van [verweerster] dat waar het gaat om haar re-integratiemogelijkheden zij mag uitgaan van het oordeel van haar eigen huisarts en behandeld psychiater kan niet als juist worden aanvaard, althans niet als zij daarmee bedoelt dat hun oordeel zwaarder weegt (als het gaat om vaststelling van benutbare mogelijkheden) dan het oordeel van de bedrijfsarts en/of de verzekeringsarts van het UWV. Anderzijds bindt het oordeel van het UWV de rechter niet. Het oordeel heeft de status van een advies.

5.6

De kantonrechter is geen (arbo- of verzekerings)arts. Het beoordelen van medische gronden voor het al dan niet bestaan van benutbare (re-integratie)mogelijkheden bij [verweerster] behoort niet tot haar deskundigheid en zij is dus aangewezen op haar aangereikte medische rapportages. De kantonrechter neemt bij haar beoordeling van het voorliggende ontbindingsverzoek tot uitgangspunt dat als sprake is van een deskundigenoordeel dat voldoet aan de daaraan te stellen motiverings- en zorgvuldigheidseisen, daaraan in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt. Het deskundigenoordeel is immers gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundige rapportage van een arts die gespecialiseerd is in het beoordelen van (bijvoorbeeld) de vraag of sprake is van benutbare (re-integratie- of arbeids)mogelijkheden.

5.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter is in deze zaak sprake van een deskundigenoordeel dat voldoet aan de daaraan te stellen motiverings- en zorgvuldigheidseisen. In de medische rapportage is op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie van de verzekeringsgeneeskundige steunt. De in die uiteenzetting vermelde gronden vinden aantoonbaar steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen die zijn vermeld in de rapportage en deze gronden kunnen de daaruit getrokken conclusie rechtvaardigen. De vermelde feiten en omstandigheden zijn ontleend aan onder meer gesprekken met partijen. Uit de beschrijving van de medische aspecten blijkt dat de verzekeringsgeneeskundige kennis heeft genomen van rapportages van de eigen behandelaars van [verweerster] . De conclusie van de verzekeringsgeneeskundige is dat [verweerster] , ondanks het voortbestaan van haar ernstige klachten, in staat moet worden geacht om vorm te geven aan haar re-integratie door drie keer één uur per week op boventallige basis weer deel te nemen aan het arbeidsproces in aangepaste werkzaamheden.

5.8.

Volgens de bedrijfsarts van Hago is in het geval van [verweerster] sprake van een situatie dat er benutbare mogelijkheden zijn, zij het dat deze mogelijkheden beperkt zijn. Verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] is ook tot deze conclusie gekomen.

Van een situatie van “geen benutbare mogelijkheden” is volgens artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten – samengevat – sprake als de betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of instelling, bedlegerig is, of lichamelijk en/of psychisch niet zelfredzaam is.

5.9.

Dat van een dergelijke situatie sprake is, blijkt niet uit de door [verweerster] overgelegde brief van haar destijds behandelend psychiater van 4 december 2018, noch uit de e-mail van haar psychiater van 27 augustus 2019 en evenmin uit de door haar overgelegde adviezen van de bedrijfsarts van CSU. Uit deze stukken blijkt evenmin dat het hervatten van de re-integratie, in de beperkte mate zoals door Hago voorgesteld, nadelig of zelfs schadelijk voor het herstel zal uitpakken.

Psychiater [naam psychiater] schrijft in haar e-mail van 4 december 2018 aan de huisarts van [verweerster] dat het van belang is dat [verweerster] actief blijft en uit het kringetje van haar gezin komt. Daarbij schrijft zij weliswaar ook dat werken haar niet haalbaar lijkt, maar die enkele opmerking vindt de kantonrechter onvoldoende om andersluidende conclusies te rechtvaardigen over de benutbare (re-integratie)mogelijkheden. In de eerste plaats is een psychiater niet de bij uitstek deskundige op het gebied van het beoordelen van arbeids- en re-integratiemogelijkheden en daarbij komt dat het (bijgestelde) advies van de bedrijfsarts voorzag in laagdrempelige activering, te beginnen met 3 keer per week een koffiemomentje. Dergelijke andersluidende conclusies kunnen ook geen steun vinden in het (door [verweerster] niet nader toegelichte) overzicht uit het systeem van de huisarts van [verweerster] (dat loopt tot 23 augustus 2019).

5.10.

De second opinion van dr. [naam] van 17 september 2019 lijkt negatiever over de huidige mogelijkheden van [verweerster] waar hij schrijft dat hij haar nog geen “zinnig regulier werk” ziet doen en adviseert haar nog niet in te zetten (maar wel om advies in te winnen van een ter zake kundig en onafhankelijk psychiater om gefundeerde adviezen te krijgen over de re-integratie(on)mogelijkheden). De rapportage van dr. [naam] is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet zodanig in tegenspraak met de adviezen van de bedrijfsarts van Hago en van de verzekeringsgeneeskundige, dat dit een ander licht op de vraag werpt of ervan uit mocht worden gegaan dat er (beperkte) benutbare (re-integratie)mogelijkheden zijn. De kantonrechter haalt hierbij nogmaals aan dat van [verweerster] als eerste stap niet meer werd verlangd dan dat zij op het werk zou verschijnen voor koffiemomentjes en om te komen praten over de stand van zaken. De werkzaamheden, die de bedrijfsarts van Hago en de verzekeringsarts tot uitgangspunt namen bij werkhervatting als tweede stap, bestonden uit het vouwen van doekjes gedurende 3 keer 1 uur per week op basis van boventalligheid. Dergelijke werkzaamheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet te kwalificeren als “zinnig regulier werk” en van “inzetten” is gelet op het boventallig karakter ook geen sprake. Inzetten veronderstelt een zekere mate van zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid, die bij boventallig werken in het kader van re-integratie niet aanwezig is. De geadviseerde activiteiten passen bij het (ook door de behandelend psychiater genoemde) streven naar activeren en uit het kringetje van het gezin treden. De kantonrechter ziet in de rapportage van dr. [naam] dan ook geen aanleiding om te concluderen dat Hago haar handelen niet had mogen baseren op het oordeel van haar bedrijfsarts dat van de verzekeringsarts van het UWV.

5.11.

[verweerster] is door haar voortdurende weigering om haar re-integratie op de door Hago voorgestelde wijze te hervatten zonder dat daarvoor een deugdelijke (objectieve) grond is komen vast te staan, tekort geschoten in de op haar ingevolge artikel 7:658a en 660a BW rustende verplichtingen. Daarmee vervalt op grond van artikel 7:670a lid 1 BW het opzegverbod ex artikel 7:670 BW. Het ontbindingsverbod van artikel 7:671b lid 2 BW is daarmee niet van toepassing.

5.12.

Deze weigering kan worden aangemerkt als verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW op grond waarvan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van Hago gevergd kan worden. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst dan ook ontbinden.

5.13.

In tegenstelling tot wat Hago stelt, vindt de kantonrechter de weigering van [verweerster] niet ernstig verwijtbaar. Niet in geschil is dat [verweerster] gebukt gaat onder forse psychische klachten en een belastende thuissituatie. Van regelrechte onwil van [verweerster] om haar re-integratie te hervatten is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Niet in geschil is dat [verweerster] ook wel heeft geprobeerd om te hervatten. Dat [verweerster] zich niet in staat acht tot re-integratie zoals voorgesteld door Hago en ervaart dat zij ‘klem’ zit, is op zichzelf wel begrijpelijk, gezien ook het beschreven klachtenbeeld. Voor dit gevoel van [verweerster] zijn echter onvoldoende objectiveerbare feiten voorhanden. [verweerster] heeft in het licht van het oordeel van het verzekeringsarts van het UWV onvoldoende onderbouwd dat zij niet in staat kan worden geacht de door Hago aangeboden aangepaste werkzaamheden (3 keer één uur per week boventallige inzet) te verrichten. Dat zij bij pogingen dat werk uit te voeren een aantal maal onwel is geworden, maakt het voorgaande niet anders. Er is de keren dat [verweerster] onwel werd medisch onderzoek verricht en hierbij zijn geen medische oorzaken gevonden voor het onwel worden.

5.14.

Nu is geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden en geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid, is voor het bepalen van de ontbindingsdatum artikel 7:671b lid 8 onder a BW van toepassing.

Het verzoekschrift is ontvangen op 1 juli 2019. De vraag of de datum van indiensttreding van [verweerster] moet worden gesteld op 22 augustus 2007 dan wel 1 november 2016 is niet relevant voor het vaststellen van de ontbindingsdatum. Toepassing van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 onder a BW leidt in beide gevallen tot de datum van 1 november 2019.

5.15.

Nu is overwogen dat van ernstige verwijtbaarheid geen sprake is en [verweerster] twee jaar of langer in dienst is van Hago betekent dit dat aan [verweerster] , zoals zij heeft verzocht, een transitievergoeding zal worden toegekend. Hago heeft in haar verzoekschrift verzocht haar verzoek te mogen intrekken als de kantonrechter tot dat oordeel zou komen. Hago zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld binnen de in het dictum genoemde termijn om het verzoek in te trekken.

5.16.

Als Hago het verzoek binnen de gegeven termijn intrekt, zal Hago worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

5.17.

Als Hago geen gebruik maakt van de mogelijkheid haar verzoek in te trekken dan moet worden geoordeeld over de hoogte van de transitievergoeding. [verweerster] stelt dat de transitievergoeding moet worden berekend uitgaande van 22 augustus 2007 als datum van indiensttreding. Zij heeft ter zitting toegelicht dat zij aanvankelijk werkzaam was in dienst van Asito en vervolgens via een contractswisseling is overgenomen door Hago.

Hago heeft gesteld dat de datum 22 augustus 2007 enkel relevant is voor bepaling van de jubileumdata, gelet op hetgeen over contractswisselingen in de cao is bepaald. [verweerster] heeft volgens Hago onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van overgang van onderneming (art. 7:662 e.v. BW) of opvolgend werkgeverschap (7:673 lid 4 onder b BW).

5.18.

De kantonrechter stelt vast dat partijen zich in deze procedure primair hebben geconcentreerd op de ontbindingsvraag. Pas ter zitting is duidelijk geworden dat [verweerster] haar (in het verweerschrift opgenomen) verzoek om een transitievergoeding, te berekenen met een ingangsdatum dienstverband van 22 augustus 2007, baseert op artikel 2 van haar arbeidsovereenkomst met Hago. De kantonrechter ziet aanleiding om [verweerster] in de gelegenheid te stellen de eerdere arbeidsovereenkomsten van [verweerster] met Asito in het geding te brengen. Desgewenst kan [verweerster] daarbij ook haar stelling toelichten dat bij de berekening van de transitievergoeding moet worden uitgegaan van de datum 22 augustus 2007. Hago zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren.

5.17.

Iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoogte van de transitievergoeding wordt aangehouden. Dit geldt ook voor de beslissing omtrent de proceskosten in het geval Hago haar verzoek niet intrekt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen Hago het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de gemachtigde van [verweerster] ), zal lopen tot en met 9 oktober 2019;

voor het geval Hago het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2019;

6.3.

stelt [verweerster] in de gelegenheid om uiterlijk 23 oktober 2019 de arbeidsovereenkomsten met Asito in het geding te brengen en desgewenst schriftelijk toe te lichten dat bij het vaststellen van de hoogte van transitievergoeding moet worden uitgegaan van een datum indiensttreding van 22 augustus 2007;

6.4.

bepaalt dat Hago vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te reageren;

6.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Voor het geval Hago het verzoek binnen de gestelde termijn intrekt:

6.6.

veroordeelt Hago tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerster] tot en met vandaag vaststelt op:

€ 720,-- salaris gemachtigde

Deze beschikking is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, kantonrechter en op 25 september 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter