Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5448

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
C/01/349157 / KG ZA 19-485
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:2192
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Nader feitenonderzoek in een bodemprocedure nodig over de aan de vorderingen ten grondslag liggende overeenstemming tussen partijen en van misbruik van de bevoegdheid te executeren is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/349157 / KG ZA 19-485

Vonnis in kort geding van 25 september 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.M.H. Vullings te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. C.C. van Veenendaal te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 augustus 2019 met productie 1 tot en 10;

  • -

    de brief van 9 september 2019 van mr. Van Veenendaal met producties 1 tot en met 8;

  • -

    de akte vermeerdering van eis van 10 september 2019 met productie 11;

  • -

    de mondelinge behandeling van 11 september 2019, aangevangen om 14.00 uur;

  • -

    de pleitnota van mr. Van Veenendaal namens de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 13 december 1984 te Eindhoven in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2.

Deze rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken bij beschikking van 7 oktober 2016 (met zaaknummer C/01/294547 / FA RK 15-295_2). De beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 13 februari 2017.

2.3.

Op 23 maart 2018 is in een geschil over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, onder zaaknummer C/01/294547 / FA RK 15-295_4, eindbeschikking gewezen door deze rechtbank.

2.4.

Vervolgens zijn partijen met elkaar in gesprek gegaan over de uiteindelijke afwikkeling van de verdeling en in dat verband heeft er op 4 juni 2018 een bespreking plaatsgevonden tussen de man, diens advocaat mr. Vullings, de vrouw en de zus van de vrouw.

2.5.

De man heeft daarna een bedrag van € 160.000,-- voldaan aan de vrouw.

2.6.

Vervolgens hebben de advocaten van partijen – mr. Vullings en de voormalige advocaat van de vrouw, mr. I.M.H. Bloemen – over de inhoud van voornoemde bespreking per e-mail gecorrespondeerd. Daarvan is relevant een e-mail van de zijde van mr. Vullings aan mr. Bloemen op 20 juni 2018 met – voor zover thans van belang – de volgende inhoud:

“Het is partijen gelukt om alsnog overeenstemming te bereiken over de definitieve verdeling en partneralimentatie ter voorkoming van een hoger beroep.

Partijen zijn het volgende overeengekomen, e.e.a. conform bijlage 180618 vs01 en samengevat op hoofdlijnen:

1. Uw cliënte ontvangt een totaalbedrag van € 375.000 (fixed bedrag) als totale verrekening en afrekening van de scheiding van partijen met finale kwijting over en weer (een bedrag van € 160.000,-- is reeds voldaan);

2. Uw cliënte ontvangt een aanvullend bedrag van € 5.000,- extra als ik vandaag van u een schriftelijke akkoord heb ontvangen.

3. De woning wordt aan mijn cliënt toegescheiden onder de voorwaarde van het ontslag uit de hoofdelijkheid van de hypotheek (waarde woning € 1.050.000);

(…)

8. Uw cliënte ziet af van:

a. haar aanspraken op partneralimentatie met ingang van 1 juli 2018, hieraan wordt een niet-wijzigingsbeding gekoppeld;

b. (…)

c. (…)

d. waarde van de aandelen van de onderneming van cliënt (de aandelen worden aan cliënt toegedeeld):

(…)

12. Partijen vrijwaren elkaar voor fiscale claims;

13. Partijen verlenen elkaar finale kwijting;

14. Cliënt zal geen hoger beroep instellen;

15. De afspraken zullen worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die door partijen zal worden getekend.

Ik hoor graag voor 14.00 uur uw akkoord waarna ik de vaststellingsovereenkomst zal opstellen.”

2.7.

Daarop heeft mr. Bloemen geantwoord bij e-mail van 20 juni 2019 dat zij eveneens heeft begrepen dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen. Zij heeft namens de vrouw opmerkingen geplaatst bij de weergave door mr. Vullings van (voor zover thans van belang) de punten 1, 8, 12 en15. Verder heeft zij opgemerkt dat “uitgangspunt is hetgeen wij in de onderhavige mailwisseling vastleggen e.e.a. op basis van de beschikking van de rechtbank”. De e-mail wordt afgesloten met de mededeling dat zij de concept vaststellingsovereenkomst graag ontvangt.

2.8.

Op 7 september 2018 heeft de vrouw de eerste concept vaststellingsovereenkomst ontvangen van de zijde van de man.

2.9.

Na al een reactie te hebben gegeven op 11 september en op 16 november 2018, heeft mr. Bloemen bij brief van 5 december 2018 uitgebreid gereageerd op de concept vaststellingsovereenkomst van 7 september 2018. In die brief is – voor zover thans van belang – het volgende opgemerkt:

“Op 7 september jl. zond u mij toe de conceptvaststellingsovereenkomst (als pdf-bestand), zulks naar aanleiding van de gewisselde mails van 20 juni 2018.

Ik ben mij ervan bewust dat onderhavige reactie wat langer op zich heeft laten wachten. Dit is enerzijds het gevolg van de omstandigheden op mijn kantoor, doch anderzijds ook het gevolg van het feit dat uw vaststellingsovereenkomst totaal niet in overeenstemming is met e-mailwisseling van 20 juni 2018.

Deze e-mailwisseling van 20 juni 2018 gaat er namelijk (onder andere) van uit dat cliënte een fixed bedrag van

€ 375.000 + € 5.000 ontvangt en dat zij anderzijds afziet van de aandelen. Bovendien staat in de mails dat partijen elkaar vrijwaren voor fiscale claims. Uw conceptovereenkomst geeft echter opeens aan dat cliënte de aandelen voor een zeker overdrachtsprijs van de hand zou doen. (…)

(…)

Tot slot

Met voorgaande wijzigingen en aanvullingen tracht cliënte, ondanks het feit dat uw cliënt zich zelf niet houdt aan de uitgangspunten in de e-mails van 20 juni 2018, toch tot een oplossing te komen.”

2.10.

Vervolgens zijn tot 26 april 2019 vele berichten over en weer gewisseld met daarbij aangepaste concept vaststellingsovereenkomsten. In het laatste e-mailbericht, van 26 april 2019, heeft mr. Bloemen gemeld dat de vrouw de concept vaststellingsovereenkomst niet zou ondertekenen.

2.11.

Op 6 september 2019 heeft de vrouw de beschikking van 7 oktober 2016 aan de man laten betekenen met het bevel om binnen twee dagen na die datum een bedrag te voldoen van € 11.798,39.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de vrouw te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, haar medewerking te verlenen aan de notariële levering van haar aandeel in de woning aan de [adres] aan de man, onder de opschortende voorwaarde van het hoofdelijke ontslag van de vrouw uit de hypotheken, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft;

  2. de vrouw te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de notariële levering van de aandelen in de besloten vennootschap [naam BV] B.V. aan de man, op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,-- per dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft;

3. indien en voor zover de vrouw haar medewerking als gevorderd onder 1. en 2. niet verleent, aan de man vervangende toestemming te verlenen, althans hem te machtigen om de notaris mede namens de vrouw, opdracht te geven om bij notariële akte de woning aan de [adres] goederenrechtelijk aan de man te leveren, alsmede de aandelen in de besloten vennootschap [naam BV] B.V. bij notariële akte aan de man te leveren, waarbij het onderhavige vonnis in de plaats treedt van de door de vrouw noodzakelijk te verrichten rechtshandelingen zijnde haar handtekening en verklaring, althans een vertegenwoordiger voor de vrouw aan te wijzen die de benodigde rechtshandelingen namens de vrouw zal verrichten;

4. de vrouw te veroordelen om met ingang van 1 april 2019 maandelijks aan de man te voldoen een bedrag van € 975,-- tot aan de dag der notariële levering van de woning aan de man;

5. de door de vrouw ingezette executie van de beschikking van 7 oktober 2016 van deze rechtbank met zaaknummer C/01/294547 / FA RK 15-295_2 met onmiddellijke ingang te schorsen;

6. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De man legt daaraan het volgende ten grondslag.

De man heeft een spoedeisend belang bij de vordering. Hij lijdt namelijk maandelijks een schade van € 975,-- netto, aangezien de vrouw haar aandeel in de gemeenschappelijke woning nog niet in eigendom aan de man heeft overgedragen en het op dit aandeel betrekking hebbende deel van de hypothecaire geldlening niet meer aftrekbaar is.

Partijen hebben inmiddels meer dan een jaar geleden overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De man heeft afgezien van het instellen van hoger beroep tegen de eindbeschikking en hij heeft zijn medewerking verleend aan de verevening van de pensioenen, lijfrentes etc. Verder heeft hij al een bedrag van € 160.000,- aan de vrouw betaald en heeft hij toegezegd om een slotbetaling te doen die € 12.500,- hoger ligt dan het restant dat hij volgens de gemaakte afspraken nog aan de vrouw verschuldigd is. De vrouw heeft de afwikkeling van de verdeling echter stelselmatig getraineerd, onder meer door telkens nieuwe punten aan te dragen die geen onderdeel uitmaken van de bereikte overeenstemming.

De vrouw maakt tot slot misbruik van bevoegdheid door de beschikking van 7 oktober 2016 te executeren op een punt dat is achterhaald door de op 20 juni 2018 gemaakte afspraken over stopzetting van de alimentatie.

3.3.

De vrouw voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voldoende gebleken is dat de man spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. De man heeft er recht op en belang bij dat duidelijkheid wordt gecreëerd omtrent de vraag of, en zo ja, in hoeverre partijen (nog) gebonden zijn aan de echtscheidingsbeschikkingen van 7 oktober 2016 en 23 maart 2018 en/of aan de daarna op 20 juni 2018 gemaakte afspraken. Partijen dienen immers nog tot afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te komen en naar het zich laat aanzien zal het ontbreken van bovenomschreven duidelijkheid de afwikkeling in de weg zal staan.

4.2.

De vorderingen onder 1, 2 en 3 strekken tot nakoming van de in de mailwisseling van 20 juni 2018 tot uiting gebrachte afspraken, betrekking hebbend op toescheiding van de woning aan de [adres] en de aandelen in de onderneming [naam BV] B.V. aan de man. Voor toewijzing van dergelijke vorderingen in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de inhoud van de daaraan ten grondslag gelegde overeenstemming voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van ongedaanmaking bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

4.3.

De man is van oordeel dat de vrouw de afspraken omtrent de woning en de aandelen, zoals uitgewerkt in de concept vaststellingsovereenkomsten, onverkort dient na te komen, hetgeen door de vrouw gemotiveerd is betwist. De vrouw heeft aangevoerd dat partijen noch op 20 juni 2018, noch op enig ander moment wilsovereenstemming hebben bereikt over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De afspraken die zijn opgenomen in de mailwisseling van 20 juni 2018, zijn door partijen nadien steeds weer aangepast en gewijzigd. De beschikkingen van 7 oktober 2016 en 23 maart 2018 zijn de leidraad voor de verdeling gebleven. De vrouw is tot executie van de echtscheidingsbeschikking van 7 oktober 2016 overgegaan omdat de man zijn daaruit voortvloeiende verplichting tot betaling van alimentatie niet (volledig) is nagekomen.

4.4.

De man heeft aangevoerd dat de echtscheidingsbeschikking van 7 oktober 2016 (en de daarop volgende beschikking van 23 maart 2018) op verschillende onderdelen is ingehaald door de nadien tussen partijen gemaakte afspraken. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat vooralsnog niet kan worden aangenomen dat partijen in juni 2018 (of nadien) een alomvattende wilsovereenstemming hebben bereikt over een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Uit de door partijen overgelegde e-mailwisseling tussen de advocaten van partijen kan weliswaar worden afgeleid dat er op een aantal onderdelen, genoemd in de mail van 20 juni 2018 van mr. Vullings, overeenstemming was bereikt. Het betreft dan met name de punten, waarop in de mail van mr. Bloemen is gereageerd met “akkoord”. Een aantal andere punten heeft mr. Bloemen van een aanvulling voorzien. Dit maakt dat wilsovereenstemming op die onderdelen om die reden al niet (zonder meer) kan worden aangenomen. Daarbij komt dat de (staccato weergegeven) punten, waarop door mr. Bloemen akkoord is gegeven, nadien zijn uitgewerkt in diverse (van elkaar verschillende) concept vaststellingsovereenkomsten. Vast staat dat geen van deze concepten door beide partijen akkoord is bevonden. In de eerste uitwerking van de afspraken, neergelegd in de concept vaststellingsovereenkomst van de man van september 2018, is met betrekking tot de echtelijke woning onder meer een andere waarde opgenomen dan in de mail van zijn advocaat van 20 juni 2018 is vermeld. Ook is er in die uitwerking een waarderingsgrondslag van de over te dragen aandelen opgenomen, die niet in de mail van 20 juni 2018 voorkomt en waarmee de vrouw zich niet kan verenigen, zo blijkt uit de reactie van 5 december 2018. Ter zitting is vervolgens gebleken dat partijen van mening verschillen over de vraag of het in de mailwisseling genoemde (en geaccordeerde) totaalbedrag van € 375.000,-- dat de man aan de vrouw zou voldoen tegen finale kwijting, een netto- of een brutobedrag zou zijn. Het antwoord op dit geschilpunt valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de mailwisseling niet op te maken. Weliswaar heeft de man in dit verband gewezen op de afspraak dat partijen elkaar vrijwaren voor fiscale claims maar die afspraak is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor verschillende uitleggen vatbaar. Zo meent de man dat hiermee is beoogd af te spreken dat een eventuele fiscale heffing die de vrouw zou treffen na uitvoering van de afspraken, voor haar rekening is. De vrouw is daarentegen van mening dat is afgesproken dat zij gevrijwaard blijft van zo’n heffing. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de staccato geformuleerde afspraak onder punt 12 van de mail van 20 juni 2018 van mr. Vullings aan beide lezingen grond biedt. De reactie van mr. Bloemen van 20 juni 2018 op dit punt, geeft geen uitsluitsel over wat er is bedoeld met deze afspraak. Wel is uit die reactie op te maken dat er een nadere uitwerking van die afspraak zal moeten plaatsvinden. Andere stukken, waaruit de bedoeling van partijen zou kunnen worden afgeleid, zijn niet overgelegd. Vast staat dus dat er op dit punt nog geen overeenstemming is bereikt.

Ook verschillen partijen van mening over de vraag of het afsprakenpakket een ondeelbaar geheel is of dat de afspraken ieder op zichzelf beschouwd moeten worden en nakoming van elk afzonderlijk punt, los van de overige punten, kan worden afgedwongen. De vrouw meent dat er sprake is van een ondeelbaar geheel van afspraken en heeft ter zitting benadrukt niet bereid te zijn op deelonderwerpen medewerking te verlenen zolang er nog geschilpunten bestaan. Om te kunnen beoordelen wie het gelijk aan zijn zijde heeft, is nader feitenonderzoek nodig. Een kort gedingprocedure leent zich niet voor dergelijk onderzoek. Dit betekent dat de vorderingen, die zijn gebaseerd op gestelde afspraken die niet stroken met de inhoud van de echtscheidingsbeschikkingen van 7 oktober 2016 en 23 maart 2018, in dit kort geding niet voor toewijzing vatbaar zijn.

4.5.

Ten aanzien van de gevorderde medewerking aan notariële levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de [adres] geldt dat de beschikking van 23 maart 2018 partijen ruimte laat om afspraken te maken over een toedeling van de woning aan de man tegen een door makelaar [naam makelaar] vast te stellen prijs. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de mailwisseling van 20 juni 2018 volgt dat partijen op dat moment akkoord waren met een lagere waarde van de woning dan de door makelaar [naam makelaar] op 26 april 2018 bepaalde minimale verkoopprijs. In het eerste concept vaststellingsovereenkomst is echter een waarde opgenomen, die niet strookt met de waarde die is genoemd in de mail van 20 juni 2018 en die evenmin overeenkomt met de prijsbepaling van makelaar [naam makelaar] . Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij zich niet gebonden acht aan de waarde waarmee zij in juni 2018 akkoord is gegaan, zolang er op andere onderdelen van die mail nog verschil van mening bestaat. Zij beroept zich dus op het ondeelbare karakter van de afspraken. Zoals hiervoor is vermeld, zal over dit aspect in een bodemprocedure moeten worden uitgemaakt wie daarin het gelijk aan zijn zijde heeft. De vordering onder 1. zal om die reden worden afgewezen. Met betrekking tot de vordering onder 2., die ziet op overdracht van de aandelen, stelt de voorzieningenrechter vast dat in de beschikking van 23 maart 2018 is geoordeeld dat de aandelen aan de man moeten worden toegedeeld. De rechtbank heeft de (liquidatie)waarde van de aandelen bepaald op

€ 183.117,00 en de aanspraak van de vrouw op de helft daarvan. De afspraken die op het punt van de aandelenoverdracht zijn vastgelegd in de mail van mr. Vullings van 20 juni 2018, zijn in de concept vaststellingsovereenkomsten uitgewerkt. Uit de reactie op het eerste concept, waarin overigens een andere waarde is vermeld dan de in de eindbeschikking vastgestelde (liquidatie)waarde, volgt dat de vrouw op het punt van de fiscale afwikkeling het niet eens is met de uitwerking van de afspraken. Weliswaar is de waarde in latere concepten in overeenstemming gebracht met de eindbeschikking maar dat er over de fiscale afwikkeling overeenstemming is bereikt, blijkt nergens uit. De reactie van 5 december 2018 en die op het laatste concept, wijst op het tegendeel. Gelet hierop en gezien het feit dat ook hier geldt dat in geschil is of de afspraken beschouwd moeten worden als ondeelbaar of als afzonderlijk afdwingbaar, kan ook de vordering ten aanzien van de aandelenoverdracht in kort geding niet worden toegewezen.

4.6.

De vordering onder 4. strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat. Aan deze vereisten wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldaan. In de eerste plaats is niet in hoge mate aannemelijk dat de man door toedoen van de vrouw maandelijks schade lijdt. Dat er inmiddels al meer dan een jaar is verstreken na de meergenoemde mailwisseling van 20 juni 2018 zonder dat er een vaststellingsovereenkomst is getekend, is niet alleen aan de vrouw te wijten. Zoals hiervoor is overwogen, is al in de eerste uitwerking door de man op onderdelen afgeweken van de afspraken die (in staccato vorm) zijn opgenomen in de mailwisseling. Verder is niet in te zien dat er uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Dat de hypotheekrente voor de helft niet meer aftrekbaar is voor de man, is een situatie die zich al voordoet vanaf begin 2017. De man heeft niets gesteld waaruit geconcludeerd zou moeten worden dat het nu opeens noodzakelijk is om een onmiddellijke voorziening te treffen. Deze vordering is dus ook niet toewijsbaar.

4.7.

Tot slot ziet de vordering onder 5. op het staken van de executie van de beschikking van 7 oktober 2016. In beginsel heeft de vrouw het recht de echtscheidingsbeschikking te executeren, tenzij zou moeten worden geoordeeld dat zij misbruik van haar executiebevoegdheid maakt. Ingevolge artikel 3:13 BW is er sprake van misbruik van bevoegdheid, indien deze bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel een ander te schaden. De man heeft gesteld dat hiervan sprake is. De voorzieningenrechter volgt de man niet in dit standpunt. Zij tekent hierbij het volgende aan.

De vrouw ontleent aanspraak op partneralimentatie aan de hiervoor aangehaalde echtscheidingsbeschikking. Vast staat dat partijen, nadat die echtscheidingsbeschikking was gewezen, met elkaar in overleg zijn getreden en dat zij nadere afspraken hebben gemaakt die de echtscheidingsbeschikking (en de in aansluiting daarop gewezen beschikking van maart 2018) op onderdelen hebben ingehaald. Verder staat vast dat de vrouw in het kader van die afspraken, afstand heeft gedaan van haar aanspraak op partneralimentatie vanaf 1 juli 2018 (later gewijzigd in 1 augustus 2018). Partijen zijn er echter tot op heden nog niet in geslaagd om het geheel aan afspraken uit te werken op een wijze waarin zij zich beiden herkennen en dus is er over de uitwerking geen wilsovereenstemming bereikt. Niet onaannemelijk is de stelling van de vrouw dat het prijsgeven van partneralimentatie onderdeel is van een meeromvattende deal. Vast staat dat partijen over onderdelen van die deal een geschil hebben dat, naar het zich nu laat aanzien, beslecht zal moeten worden via een bodemprocedure. Die (nog te starten) bodemprocedure zal naar verwachting geruime tijd vergen. De vrouw kan in die periode (nog) niet beschikken over enige afkoopsom, terwijl de man al wel is gestopt met betaling van partneralimentatie. Weliswaar is de vrouw mede debet aan de omstandigheid dat er nog geen afkoopsom tot uitkering is gekomen, maar dit geldt evenzeer voor de man. In het licht van het voorgaande bezien, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet staande worden gehouden dat de vrouw de executie met geen ander doel in gang heeft gezet dan om de man te schaden. Van misbruik van de bevoegdheid te executeren, is onder die omstandigheden geen sprake. De voorzieningenrechter tekent hierbij nog aan dat indien er alsnog wordt afgewikkeld volgens het geheel van afspraken dat is neergelegd in de mailwisseling van 20 juni 2018 (al dan niet op basis van een gerechtelijke procedure), er een verrekening van de alsdan in strijd met die afspraken betaalde partneralimentatie zal (moeten) plaatsvinden. Voor een restitutierisico valt naar verwachting alsdan niet te vrezen aangezien de vrouw in dat geval een afkoopsom toekomt, waarmee verrekend kan worden. De voorzieningenrechter zal de vordering tot schorsing van de executie van de beschikking van 7 oktober 2016 dus afwijzen.

4.8.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.