Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:5388

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
C/01/349346 / KG ZA 19-496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Onderwerp opheffing beslag. Vordering summierlijk ondeugdelijk. Beslag wordt gehandhaafd op grond van een belangen afweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/349346 / KG ZA 19-496

Vonnis in kort geding van 23 september 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LOGIS.P B.V.,

gevestigd te Zwolle,

eiseres,

advocaat mr. J.A.J. Werner te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RICOH NEDERLAND B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. M. Franke te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Logis.P en Ricoh genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 augustus 2019 met producties, genummerd 1 tot en met 13;

  • -

    de brief van mr. Franke van 4 september 2019 met producties, genummerd 1 tot en met 10;

  • -

    de brief van mr. Werner van 5 september 2019 met producties, genummerd 14 en 15;

  • -

    de brief van mr. Werner van 5 september 2019 met producties, genummerd 16 en 17;

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 6 september 2019;

  • -

    de pleitnota van mr. Werner;

  • -

    de pleitnota van mr. Franke;

  • -

    de brief van mr. Werner van 6 september 2019, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 9 september 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op uiterlijk 23 september 2019.

2 De feiten

2.1.

Logis.P is fabrikant van computerapparatuur en licentiehouder van computerprogrammatuur op het gebied van patiëntenlogistiek. Ricoh levert diensten aan bedrijven op het gebied van document management, consultancy, software en hardware. Ricoh beschikt over commerciële mogelijkheden om de Logis.P patiëntenlogistiek te vermarkten.

2.2.

Partijen hebben op 17 december 2012 een “Wederverkoop overeenkomst inzake Logis.P Patiëntenlogistiek” gesloten voor de duur van vijf jaar (hierna: de wederverkoopovereenkomst, productie 3 bij de dagvaarding).

2.3.

Bij brief van 31 augustus 2017 heeft Logis.P de wederverkoopovereenkomst opgezegd tegen de einddatum van die overeenkomst (productie 4 bij de dagvaarding).

2.4.

Op 26 oktober 2017 hebben partijen een Partnerovereenkomst gesloten ten behoeve van een project met betrekking tot het Leids Universitair medisch Centrum (hierna: LUMC) met een looptijd van vijf jaar (productie 5 bij de dagvaarding). In artikel 1 van die overeenkomst hebben partijen opgenomen dat de bepalingen van de wederverkoopovereenkomst ook na het eindigen daarvan in stand blijven op de aanbesteding met betrekking tot het Leids Universitair Centrum, tenzij in deze Partnerovereenkomst afwijkende bepalingen zijn opgenomen.

2.5.

Tussen partijen zijn diverse disputen ontstaan over de facturatie van Logis.P aan Ricoh. Partijen hebben deze disputen vastgelegd in de zogenaamde disputenlijst (productie 1 van mr. Franke). De laatste versie van de disputenlijst bevat 55 punten (disputen). Partijen hebben de disputenlijst laatstelijk aangepast tijdens een bespreking op 29 november 2018.

2.6.

Bij vonnis van 16 mei 2019 met zaaknummer / rolnummer C/08/231085 / KG ZA 19-88 (productie 6 bij de dagvaarding) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, de volgende veroordeling uitgesproken:

in conventie

7.1.

veroordeelt Ricoh veroordeeld om Logis P. binnen vijf (5) werkdagen na betekening van dit vonnis inzage te geven in:

  • -

    de door Ricoh met eindgebruikers van door Ricoh aangeboden en/of geleverde producten en diensten van Logis.P (de “eindgebruikers”) gesloten EULA’s en BSS-en;

  • -

    alle overige fysieke en digitale bescheiden, waaruit blijkt van:

  1. de namen en/of contactgegevens van alle eindgebruikers en hun contactpersonen;

  2. de aan de eindgebruikers verleende gebruiksrechten;

  3. de ten behoeve van eindgebruikers betrokken centrale verwerkingseenheden, waarbij onder “eindgebruikers” dient te worden verstaan alle (rechts)personen waarmee Ricoh één of meerdere overeenkomsten heeft gesloten tot levering van (mede) goederen en/of diensten van Logis.P, waaronder in ieder geval maar niet uitsluitend de rechtspersonen genoemd in productie 17 bij de dagvaarding,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 ineens en van € 5.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat Ricoh niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum tot € 250.000,00;

7.2.

veroordeelt Ricoh tot betaling van een bedrag van € 137.618,23, (…)

(…)

in reconventie

7.4

gebiedt Logis.P om onmiddellijk na betekening van dit vonnis:

- de rechtstreekse benadering van eindgebruikers, teneinde de eindgebruikers te bewegen de lopende overeenkomst met Ricoh op te zeggen, te staken;

- het rechtstreeks aanbieden van leveringen en diensten aan eindgebruikers, voor zover dit aanbod ziet op leveringen en diensten die de eindgebruikers thans via Ricoh afnemen, in strijd met de tussen Ricoh en Logis P. bestaande afspraken, te staken;

- de van toepassing zijnde afspraken tussen Ricoh en Logis P. te respecteren en na te komen:

zulks op straffe van verbeurte van een door Logis.P te betalen dwangsom van € 5.000,00 per overtreding dat Logis.P niet aan dit gebod voldoet, met een maximum van € 250.000,00;

2.7.

Op 28 mei 2019 heeft Logis.P Ricoh in kort geding gedagvaard en opheffing gevorderd van de bij vonnis van 16 mei 2019 in reconventie opgelegde dwangsommen.

2.8.

Bij vonnis van 12 juni 2019 (productie 7 bij de dagvaarding) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, de vordering van Logis.P afgewezen, overwegende:

“(…)

4.3.

Met (…) het vonnis van 16 mei 2019 heeft de voorzieningenrechter beoogd dat Ricoh Logis.P (ook) inzage zou geven in de hiervoor in rechtsoverweging 4.2 sub (1) en (2) bedoelde bescheiden. (…) Logis.P heeft daarbij ook belang om te weten waarvan zij zich op basis van de veroordeling in reconventie dient te onthouden en voor hoe lang. Vast staat dat Ricoh deze inzage niet (volledig) heeft verschaft. Zo is ter zitting bijvoorbeeld gebleken dat Logis.P geen inzage heeft gekregen in de looptijd van de overeenkomst die Ricoh met Stichting Bronovo Bronovo Ziekenhuis te Den Haag als eindgebruiker heeft gesloten. Ditzelfde geldt voor (…) de producten en diensten van Logis.P die de eindgebruikers op dit moment via Ricoh afnemen. Ricoh heeft om bedrijfseconomische redenen gemelde ordners selectief samengesteld en delen van de overeenkomsten weggelaten. (…)

4.4.

Het voorgaande betekent echter niet dat het gevorderde moet worden toegewezen, (…). Wanneer Ricoh concreet aanspraak maakt op het vermeend verbeurd zijn van dwangsommen, dient te worden beoordeeld op welke handeling dat betrekking heeft en of Logis.P op basis van haar ter beschikking staande informatie wist of moest begrijpen dat zij zich daarvan had dienen te weerhouden.

(…)”

2.9.

Bij exploot van 8 juli 2019 heeft Logis.P Ricoh bevolen een bedrag van € 225.000,00 aan verbeurde dwangsommen te voldoen, stellende dat Ricoh niet had voldaan aan de haar bij vonnis van 16 mei 2019 opgelegde verplichting om Logis.P inzage te verschaffen, waarna Logis.P op 9 juli 2019 ten laste van Ricoh executoriaal derdenbeslag heeft laten leggen onder HSBC Bank Plc te Amsterdam. De bank heeft een verklaring afgegeven, waaruit blijkt dat het beslag ruimschoots doel heeft getroffen.

2.10.

Ricoh heeft op haar beurt voor een bedrag van € 50.000,00 beslag gelegd onder de ABN AMRO Bank ten laste van Logis.P. Bij brief van 17 juli 2019 heeft de bank echter laten weten dat dit beslag geen doel heeft getroffen.

2.11.

Op 26 juli 2019 heeft Ricoh Logis.P in kort geding gedagvaard en opheffing gevorderd van de dwangsom uit punt 7.1 van het vonnis van 16 mei 2019, alsmede opheffing van de reeds door Logis.P gelegde executoriale beslagen en staking van de executie van het vonnis van 16 mei 2019 op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.12.

Bij vonnis van 26 juli 2019 met zaaknummer / rolnummer C/08/235009 / KG ZA 19-193 (productie 8 bij de dagvaarding) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, de vorderingen van Ricoh afgewezen, onder andere overwegende dat Ricoh na het vonnis van 12 juni 2019 Logis.P niet alsnog inzage in de bescheiden heeft gegeven.

2.13.

Bij exploot van 2 augustus 2019 heeft Ricoh conservatoir eigen beslag gelegd op de in derdenbeslag genomen vordering van Logis.P op Ricoh uit hoofde van door Ricoh verbeurde dwangsommen waarbij de vordering van Ricoh is begroot op € 395.000,00 inclusief rente en kosten (productie 9 bij de dagvaarding). Ricoh stelt een vordering te hebben op Logis.P uit hoofde van onverschuldigde betaling.

2.14.

Op 27 augustus 2019 heeft Ricoh conservatoir eigenbeslag gelegd voor een bedrag ad € 50.000,00 terzake door Logis.P uit hoofde van het vonnis van 16 mei 2019 verbeurde dwangsommen (productie 5 van mr. Franke).

2.15.

Op 26, 27 en 28 augustus 2019 heeft Ricoh inzage verstrekt in de gegevens zoals bedoeld in het vonnis van 16 mei 2019.

3 Het geschil

3.1.

Logis.P vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: opheffing van het door Ricoh op 2 augustus 2019 ten laste van Logis.P gelegde eigen beslag, en van eventueel daarna door Ricoh gelegde eigen beslagen.

3.2.

Logis.P legt hieraan –kort weergegeven- het volgende ten grondslag.

De door Ricoh gestelde vordering is klaarblijkelijk ondeugdelijk.

Het door Ricoh op 2 augustus 2019 gelegde eigen beslag is vexatoir, nu dit geen ander doel dient dan executie van door haar verbeurde dwangsommen op grond van het vonnis van 16 mei 2019 te frustreren. Tegelijkertijd heeft Logis.P recht en belang om het dwangsomvonnis van 16 mei 2019 te executeren en op grond daarvan door Ricoh verbeurde dwangsommen te innen, nu inzage eerst eind augustus 2019 en daarmee veel te laat heeft plaatsgevonden en Ricoh betalingen vaak niet verricht of alleen onder grote juridische druk.

3.3.

Ricoh heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.2.

Met Logis.P is de voorzieningenrechter van oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door Ricoh ingeroepen recht. Zoals hiervoor onder de feiten reeds is weergegeven stelt Ricoh een vordering te hebben op Logis.P uit hoofde van onverschuldigde betaling. Ter adstructie van haar standpunt dienaangaande verwijst Ricoh naar de door haar in het geding gebrachte disputenlijst (productie 1 van mr. Franke). Partijen hebben tijdens hun bespreking op 29 november 2018 de eerste 29 punten van de disputenlijst besproken. Ricoh stelt zich op het standpunt dat de teksten die op de disputenlijst in het rood zijn weergegeven, de gezamenlijke conclusies van partijen zijn naar aanleiding van die bespreking. Veronderstellenderwijs aannemende dat de op de disputenlijst in het rood weergegeven tekst inderdaad de visie van beide partijen is, dan blijkt daaruit geenszins dat Ricoh een vordering heeft van in hoofdsom € 301.994,30, zoals Ricoh stelt in het beslagrekest dat als productie 10 aan de dagvaarding is gehecht. Nagenoeg alle in het rood weergegeven teksten op de disputenlijst melden immers een nadere actie van een der partijen teneinde de betreffende claim nader te onderzoeken en/ of te onderbouwen. Vast staat dat partijen het oneens zijn over de overige punten van de disputenlijst. Daarbij komt dat, hoewel het eigen beslag reeds op 2 augustus 2019 is gelegd, er nog altijd geen conceptdagvaarding ligt waarmee de vordering van Ricoh nader wordt onderbouwd.

4.3.

Met het voorgaande is voorshands summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van Ricoh gebleken.

4.4.

In het kader van een afweging van de betrokken belangen wordt nog het volgende overwogen.

4.5.

Dat voorshands summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van Ricoh is gebleken, maakt nog niet dat moet worden uitgesloten dat Ricoh een vordering heeft op Logis.P. Voorstelbaar is dat Ricoh een vordering heeft op Logis.P uit hoofde van de posten zoals opgenomen in de disputenlijst. Om een en ander te kunnen vaststellen, zal een nader onderzoek moeten plaatsvinden, waarvoor dit kort geding zich niet leent.

4.6.

Ook kan voorshands niet worden uitgesloten dat Logis.P in financiële problemen verkeert. Bij e-mailbericht van 7 oktober 2018 heeft Logis.P immers zelf aangegeven: “Als aandeelhouder en lid van de statutaire directie van Logis.P heb ik ernstige twijfels omtrent de continuïteit van Logis.P” Bovendien behelsde, blijkens de op 19 september 2018 vastgestelde jaarrekening over 2017, het eigen vermogen van Logis.P per 31 december 2017 - € 658.365,00 en had Logis.P een schuldenlast van bijna € 2.900.000,00. Vast staat bovendien dat de bank het krediet aan Logis.P dreigde op te zeggen, hetgeen Logis.P uiteindelijk heeft weten te voorkomen.

4.7.

Gelet op het voorgaande behoort het belang van Ricoh bij handhaving van het beslag zwaarder te wegen dan het belang van Logis.P bij opheffing ervan. De voorzieningenrechter neemt hierbij tevens in aanmerking dat het eerder door Ricoh ten laste van Logis.P gelegde beslag onder ABN AMRO Bank geen doel heeft getroffen en het eigen beslag van Ricoh voorkomt dat dwangsommen waarop Logis.P recht meent te hebben door haar worden geïncasseerd. .

4.8.

Logis.P heeft nog aangevoerd dat Ricoh ter verhaal van haar vordering, haar toekomstige betalingsverplichtingen aan Logis.P zou kunnen opschorten of verrekenen. Logis.P heeft echter niet nader feitelijk onderbouwd welke betalingsverplichtingen dit betreft. Zo heeft zij geen facturen overgelegd waaruit een en ander zou kunnen blijken. Overigens heeft Ricoh ter zitting desgevraagd verklaard te betwisten dat zij een bedrag ad

€ 250.000 aan dwangsommen verschuldigd is aan Logis.P.

4.9.

De slotsom is dat het gevorderde wordt afgewezen.

4.10.

Logis.P zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ricoh worden begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.619,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Logis.P in de proceskosten, aan de zijde van Ricoh tot op heden begroot op € 1.619,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2019.