Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4968

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-08-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
18/2835
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/2835

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 augustus 2019 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: P.J.M. van Leest)

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder,

(gemachtigden: ing. P. Veraart en J.J.A.M. Bertens).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf] B.V., te [vestigingsplaats] , vergunninghoudster,

(gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een varkenshouderij op het adres [adres] .

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Zowel eisers als verweerder hebben aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2019. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [naam 1] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Het bestreden besluit heeft betrekking op een varkenshouderij waarvoor op 27 oktober 2009 een bouwvergunning eerste fase is verleend en op 30 januari 2013 een bouwvergunning tweede fase.

Op 5 maart 2012 is voor de varkenshouderij een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu verleend.

Op 27 september 2016 is voor de varkenshouderij een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet verleend.

Al deze vergunningen zijn onherroepelijk geworden.

1.2

Op 11 september 2016 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend die zag op de uitbreiding/wijziging van de varkenshouderij (activiteit milieu) en op het bouwen en handelen in strijd met ruimtelijke regels, ten behoeve van de vormverandering van een bouwvlak.

Op 19 september 2017 heeft vergunninghoudster de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met ruimtelijke regels ingetrokken, voor zover deze aanvraag verband hield met de vormverandering van het bouwvlak, omdat daarop niet langer behoefde te worden beslist vanwege de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan" (het bestemmingsplan). Stal 2 is daardoor niet langer gedeeltelijk buiten het bouwvlak gelegen.

Op 19 september 2017 is ook de omgevingsvergunning voor het gewijzigd bouwen van stal 1 ingetrokken, in verband met het voornemen om deze stal alsnog overeenkomstig de daarvoor verleende bouwvergunning op te richten.

1.3

De bij het bestreden besluit verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op het als volgt te omschrijven project.

Voor zover het de activiteit bouwen betreft, gaat het om de volgende wijzigingen:

- Stal 2 wordt, ten opzichte van de vergunningen voor de activiteit bouwen, gewijzigd uitgevoerd. De vergunning strekt in zoverre tot legalisering van de afwijkende uitvoering van de stal en van de gewijzigde indeling van de stal.

Voor zover het de activiteit milieu betreft, gaat het om de volgende wijzigingen:

- In stal 1 (de vleesvarkensstal) wordt een andere chemische luchtwasser aangebracht, die valt binnen dezelfde Rav-categorie, met hetzelfde ammoniak- en geurverwijderingsrendement als eerder was vergund. Het aantal te houden vleesvarkens wijzigt niet.

- Stal 2 (de zeugenstal) wordt voorzien van een gecombineerde luchtwasser met een ammoniakverwijderingsrendement van 85% en een geurverwijderingsrendement van 85%, ter vervanging van een chemische luchtwasser met een ammoniakverwijderingsrendement van 95% en een geurverwijderingsrendement van 30%. Het aantal beren neemt af van 4 naar 2, het aantal opfokzeugen neemt toe van 310 naar 390 zeugen, het aantal guste en dragende zeugen van 884 naar 930 zeugen, het aantal kraamzeugen neemt toe van 240 naar 264 en het aantal gespeende biggen van 4.608 naar 5.040.

- Voor zover het de activiteit gebruik in strijd met ruimtelijke regels betreft, ziet het project op het voor stal 2 afwijken van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan", ten behoeve van het in gebruik nemen van nieuwe bebouwing binnen het bouwvlak.

- De omgevingsvergunning voor het uitbreiden/wijzigen van een veehouderij gelegen nabij een Natura 2000-gebied ziet op alle wijzigingen van het project met een mogelijk effect op Natura 2000-gebieden.

1.4

Bij besluit van 18 januari 2019 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen. De vergunning betreft het wijzigen van de luchtwasser en van de draagconstructie daarvan en de aanpassing van de brandcompartimentering van de vleesvarkensstal.

1.5

Bij besluit van 4 februari 2019 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en milieuneutraal veranderen, ten behoeve van de, ten opzichte van de eerdere vergunningen voor het bouwen, gespiegelde plaatsing van silo's en een laaddock. Verweerder heeft het bezwaar van eisers tegen dit besluit op 3 mei 2019 niet-ontvankelijk verklaard.

De omvang van het geschil

2.1

Verweerder heeft de rechtbank op 24 april 2019 verzocht om het besluit van 4 februari 2019 te beschouwen als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dit besluit als zodanig te betrekken bij de behandeling van het ingestelde beroep.

2.2

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat het besluit een besluit op een afzonderlijke aanvraag betreft en geen besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit betreft. Zou hiervan wel sprake zijn geweest, dan zou verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 4 februari 2019 ook niet niet-ontvankelijk hebben mogen verklaren.

Het beroep kan dan ook niet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 februari 2019.

2.3

Ter zitting is ook de toezending door eisers van het besluit van 18 januari 2019 tot verlening van een omgevingsvergunning voor bouwwerkzaamheden aan de vleesvarkensstal, in verband met de plaatsing van een andere luchtwasser, aan de orde gesteld. Omdat ook dit een besluit op een afzonderlijke aanvraag is, kan het beroep evenmin worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Duidelijkheid en volledigheid aanvraag

3.1

Eisers hebben aangevoerd dat er, vanwege de vele wijzigingen die zich hebben voorgedaan in de aanvraag en het feit dat de laatste versie van de aanvraag vergezeld is gegaan van veel bijlagen, waaronder de oude, sprake is van een onduidelijke aanvraag. Dat via het omgevingsloket online (OLO) reeds ingediende stukken niet kunnen worden gewijzigd of verwijderd, achten eisers geen adequate reactie. De betrokken stukken staan allemaal wel in het overzicht van delen waaruit de aanvraag bestaat, maar een deel staat niet in de opsomming van de documenten die deel uitmaken van de vergunning.

Ook is duidelijk geworden dat de vleesvarkensstal niet overeenkomstig de onherroepelijke bouwvergunningen kan worden opgericht. Eisers zijn van mening dat, vanwege de vele noodzakelijk gebleken wijzigingen, een aanvraag voor de gehele inrichting had moeten worden ingediend. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen.

Verweerder is niet inhoudelijk ingegaan op wat eisers hebben aangevoerd.

3.2

Volgens verweerder is de oorspronkelijke aanvraag om diverse redenen enkele malen gewijzigd of aangevuld. Naar aanleiding van de vaststelling van het bestemmingsplan, waardoor de vorm van het bouwvlak wijzigde, is de aanvraag zodanig aangepast dat alle activiteiten hierbinnen pasten en kon de aanvraag voor de activiteit bouwen ten behoeve van de vleesvarkensstal worden ingetrokken. Het aanvraagformulier kan in OLO niet worden gewijzigd, maar voor de overzichtelijkheid heeft verweerder bewerkstelligd dat vergunninghoudster op 22 september 2017 een complete set nieuwe stukken heeft ingediend, in plaats van voor elke wijziging afzonderlijk. Deze set stukken is met de aanvulling van 13 november 2017 slechts zeer beperkt gewijzigd. Volgens verweerder heeft hij in het ontwerpbesluit nauwgezet omschreven welke van de ingediende stukken deel uitmaken van de aanvraag en welke van het ontwerpbesluit. Volgens verweerder is er daardoor geen discussie mogelijk op basis van welke stukken het besluit is genomen. Verweerder heeft in het verweerschrift ten aanzien van het bestreden besluit hetzelfde standpunt ingenomen.

Wat de bouw van de vleesvarkensstal betreft, heeft verweerder aangegeven dat vergunninghoudster daarvoor beschikt over onherroepelijke vergunningen. Eisers hebben tegen de van rechtswege verleende vergunning voor de aanpassing van de dakconstructie bezwaar gemaakt, maar het verzoek van vergunninghoudster tot opheffing van de schorsende werking van dit bezwaar is door de voorzieningenrechter toegewezen. Voor de overige afwijkingen zijn vergunningsaanvragen ingediend.

Er bestaat geen onduidelijkheid over wat wordt gebouwd. Er bestond daarom geen aanleiding om voor de vleesvarkensstal een geheel nieuwe aanvraag te verlangen.

3.3

Verweerder heeft voldoende aandacht besteed aan wat eisers hebben aangevoerd over de onduidelijkheid en onvolledigheid van de aanvraag. De rechtbank deelt niet eisers' opvatting dat verweerder niet inhoudelijk is ingegaan op wat eisers hierover in hun zienswijzen hebben aangevoerd.

Blijkens die zienswijzen zijn eisers, ondanks de volgens hen bestaande onduidelijkheid, uitstekend in staat gebleken om aan te duiden op welke punten de aanvraag is gewijzigd en welke verschillen er bestaan tussen de documenten bij de aanvraag en de documenten die deel uitmaken van de verleende vergunning. Verweerder heeft ook een adequate uitleg gegeven over welke gegevens in het OLO kunnen worden gewijzigd en over de wijze waarop hij heeft bevorderd dat (vrijwel) alle wijzigingen in één keer zijn aangevraagd.

De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.

Dit betoog faalt.

De ligging van de zeugenstal (stal 2)

4.1

Volgens eisers is de zeugenstal 0,5 meter in zuidelijke richting opgeschoven ten opzichte van de situering waarvoor vergunning is verleend. Daardoor ligt deze stal 0,5 meter buiten het bouwvlak.

Eisers wijzen er in dit verband op dat verweerder en de Omgevingsdienst in diverse documenten hebben aangegeven dat de stal 0,5 meter in zuidelijke richting is opgeschoven. Volgens eisers doen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1338) over het bestemmingsplan en de meting die verweerder heeft laten uitvoeren door Geodesie niet af aan deze conclusie. Het is de raad van de gemeente Hilvarenbeek die bepaalt wat het bouwvlak is en niet het college van burgemeester en wethouders van die gemeente, of Geodesie. Het college heeft zowel de raad als de Afdeling (tijdens de zitting over het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan) misleid met een tekening waarop is aangegeven dat het bestemmingsplan voorziet in een bouwvlak dat overeenkomst met de "footprint" van het gedeeltelijke gerealiseerde bouwplan waarvoor onherroepelijke bouwvergunningen zijn verleend.

4.2

Volgens verweerder staat de begrenzing van het bouwvlak door de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2018 onherroepelijk vast. Het bureau Geodesie heeft in opdracht van verweerder de exacte locatie van de zeugenstal vastgesteld. Hieruit blijkt dat de stal is gelegen binnen het bouwvlak, zoals dat na de vaststelling van het bouwvlak digitaal is vastgelegd. Hiermee staat vast dat de zeugenstal binnen het bouwvlak is gelegen.

4.3

De rechtbank heeft, door raadpleging van het bestemmingsplan, op de website https://www.ruimtelijkeplannen.nl, vastgesteld dat de zeugenstal geheel binnen het bouwvlak is gelegen. Wat eisers hebben aangevoerd, kan alleen al hierom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Dit betoog faalt.

Toetsing van de activiteit bouwen

5.1

Volgens eisers is het bestreden besluit gebaseerd op een advies van de brandweer. Dit advies bevindt zich echter niet onder de bij het betreden besluit behorende documenten.

5.2

Verweerder heeft aangegeven dat het advies geen wettelijk verplicht advies betreft, maar hij dit advies heeft gevraagd in het kader van de toetsing aan het Bouwbesluit. Het betreft een intern advies dat bij het ontwerpbesluit ter inzage was gelegd en in het bestreden besluit is overgenomen in voorschrift 1.1.1.

5.3

Verweerder heeft voldoende duidelijkheid gegeven over de wijze waarop de advisering door de brandweer in de besluitvorming is betrokken. Het advies heeft geleid tot het opnemen van een voorschrift in de omgevingsvergunning en eisers hebben kennis kunnen nemen van het advies. Dat het brandweeradvies niet als een van de vergunning deel uitmakend document is aangemerkt, kan niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

Ook dit betoog faalt.

6.1

Volgens eisers is de welstandsadvisering niet zorgvuldig geweest. De welstandsadviezen van 3 oktober 2017 en 23 mei 2018 hebben betrekking op de zeugenstal. Eisers hebben de indruk dat de verschuiving van deze stal met 6 meter in westelijke richting, waardoor deze dichter bij de vleesvarkensstal is komen te liggen, niet in de advisering is betrokken.

6.2

Volgens verweerder heeft de welstandscommissie geadviseerd over het bouwplan voor de zeugenstal en geconcludeerd dat deze stal, gezien de ligging, voldoet aan redelijke eisen van welstand op grond van de criteria voor het betrokken gebied en het hiervoor vastgestelde welstandsniveau. De verschuiving van de stal is volgens verweerder dus wel degelijk getoetst.

6.3

De rechtbank ziet geen reden om eraan te twijfelen dat de welstandscommissie de situering van de zeugenstal ten opzichte van de vleesvarkensstal in de advisering heeft betrokken. Op alle zich onder de gedingstukken bevindende tekeningen is de vleesvarkensstal, ook al zijn het soms alleen de contouren van deze stal, ingetekend.

Dit betoog kan niet slagen.

7.1

Volgens eisers vallen de bouwperceelgrens en het bouwvlak samen. Op grond van artikel 3.2.4, onder a, sub 1, van de planregels moet de afstand van gebouwen tot de bouwperceelgrens (lees: bouwvlak) minimaal 3 meter bedragen. In dit geval wordt hieraan niet voldaan, maar wordt over of tot op de grens van het bouwvlak gebouwd.

7.2

Volgens verweerder wordt aan deze afstandseis voldaan. Het bouwperceel is groter dan het bouwvlak. Voor zover de bouwperceelgrens samenvalt met de begrenzing van het bouwvlak, is de afstand steeds groter dan 3 meter.

7.3

In artikel 1 van de planregels van het bestemmingsplan zijn de volgende begripsbepalingen opgenomen:

1.41

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.42

bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.43

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

7.4

Eisers ontkennen, naar hun zeggen, niet dat het perceel in eigendom van vergunninghoudster veel groter is dan het bouwvlak. Niettemin onderkennen zij niet dat de grens van het bouwperceel, gelet op de definities in artikel 1 van de planregels, niet de grens van het bouwvlak is. De omstandigheid dat een bouwwerk op de grens van het bouwvlak wordt gebouwd, betekent in dit geval dus niet dat dat bouwwerk op de bouwperceelgrens wordt gebouwd.

De rechtbank is niet gebleken dat de zeugenstal op enige plaats waar dit bouwwerk wordt gebouwd op minder dan 3 meter van de bouwperceelgrens wordt gebouwd.

Ook dit betoog faalt.

8.1

Volgens eisers klopt het niet dat de silo's vergunningsvrij kunnen worden opgericht. Eisers ontkennen niet dat de silo's vergund kunnen worden, maar stellen dat de silo’s geen onderdeel uitmaken van de aanvraag. Mede om deze reden hebben eisers betoogd dat er sprake is van een nieuw plan en voor de hele inrichting een aanvraag omgevingsvergunning had moeten worden ingediend.

8.2

Verweerder heeft aangegeven dat hij aanvankelijk van mening was dat alle silo's vergunningsvrij konden worden gerealiseerd. Naar aanleiding van de door eisers ingediende zienswijzen heeft hij geconcludeerd dat niet alle silo's in het achtererfgebied lagen, zodat daarvoor wel een omgevingsvergunning nodig was. Deze vergunning is bij het bestreden besluit verleend.

8.3

De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat de aanvraag wel degelijk mede ziet op de oprichting van silo's. Verweerder heeft, in het kader van de beoordeling van de aanvraag, de welstandscommissie ook gevraagd om over de silo's te adviseren. Over de vraag of voor de gehele inrichting een aanvraag had moeten worden ingediend, heeft de rechtbank hiervoor al haar oordeel gegeven.

Dit betoog slaagt niet.

9.1

Eisers geven vervolgens, met betrekking tot het al dan niet voldoen aan de criteria van artikel 3.3.4 van de planregels van het bestemmingsplan, betrekking hebbende op de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderij, ten aanzien van verweerders reactie op hun zienswijzen op diverse punten als reactie dat zij in hun standpunt persisteren of hun zienswijze handhaven.

9.2

Uit deze reactie kan niet worden opgemaakt in hoeverre eisers zich niet kunnen verenigen met verweerders standpunt over hun aangedragen zienswijze. Van een gemotiveerde weerspreking van het bestreden besluit is op die punten dan ook geen sprake. Voor zover wel van enige weerspreking sprake is, zal de rechtbank daarop hierna ingaan.

Het betoog faalt in zoverre.

10.1

In artikel 3.3.4, aanhef en onder g, van de planregels van het bestemmingsplan is bepaald dat het bevoegd gezag, door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, kan afwijken van het bepaalde in sublid 3.2.2, sub a.2 en b, ten behoeve van het in gebruik nemen en bouwen van bebouwing binnen het bouwvlak ten behoeve van een veehouderij ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - overige veehouderijen' en 'intensieve veehouderij', mits er sprake is van een goede verkeersafwikkeling.

10.2

Eisers hebben in hun zienswijze betoogd dat het evident is dat, gelet op de toename van 25% zeugen, het aantal vleesvarkens op jaarbasis drastisch zal toenemen en daarmee ook de verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Vergunninghoudster zal de afspraken met de gemeente over de reconstructie van de Van de Veldenweg na moeten komen, alvorens de inrichting volledig in bedrijf komt.

10.3

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de gemaakte afspraken door de aanvraag niet worden gewijzigd. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting is volgens verweerder niet zodanig groot, dat deze niet op een goede manier op de Beerseweg kunnen worden afgewikkeld.

10.4

Eisers hebben hiertegen aangevoerd dat verweerder niet blijkt te weten wat de afspraken inhouden, omdat de afspraken betrekking hebben op de [adres] en niet op de [adres] .

10.5

De rechtbank ziet niet in waarom het bestreden besluit op grond van dit betoog niet in stand zou kunnen blijven. Uit dit betoog kan niet worden afgeleid waarom het project niet voldoet aan het genoemde artikelonderdeel van de planregels en dus ook niet waarom volgens eisers sprake is van strijdigheid met deze planregel. Er is geen toename van het aantal zeugen met 25% vergund. Eisers hebben niet aannemelijk weten te maken dat het aantal verkeersbewegingen, door het nemen van het bestreden besluit, zodanig zal toenemen dat verweerder om die reden geen omgevingsvergunning mocht verlenen.

Ook dit betoog faalt.

11.1

Eisers hebben, met betrekking tot de toetsing door verweerder aan artikel 3.3.4, aanhef en onder h, van de planregels van het bestemmingsplan aangevoerd, dat verweerder niet is ingegaan op hun stelling dat het aantal dieren en de oppervlakte aan dierenverblijven feitelijk zijn toegenomen. Er had daarom moeten worden gestaldeerd.

Volgens eisers was in de verleende vergunningen sprake van twee separate stallen met daartussen een doorgang van 6 meter breed. De stallen zijn in de nu verleende vergunning gekoppeld en de tussenruimte wordt nu gebruikt voor het houden van dieren.

Eisers hebben verder aangevoerd dat zij de opmerking van verweerder, dat de eerder verleende Natuurbeschermingswetvergunning onherroepelijk is geworden, niet kunnen plaatsen. Deze vergunning is namelijk verleend voor een andere inrichting en vertoonde vele gebreken. Eisers hebben de Afdeling hierop gewezen, maar hun beroep is simpelweg afgewezen, omdat zij geen belanghebbenden zouden zijn.

11.2

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de zeugenstal kleiner is uitgevoerd dan eerder vergund. Met de effecten voor het milieu en de gezondheid is volgens verweerder voldoende rekening gehouden.

In het verweerschrift heeft verweerder betoogd dat het juist is dat het aantal dieren in de zeugenstal toeneemt. Voor de vraag of moet worden gestaldeerd, is bepalend of sprake is van een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten van een gebouw of het in gebruik nemen van een gebouw voor het houden van hokdieren. Hierbij is niet het aantal dieren, maar de oppervlakte aan dierenverblijf bepalend. Op grond van artikel 1.28 van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014 (VrNB) is een dierenverblijf: een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen. De gehele zeugenstal moet daarom volgens verweerder als een dierenverblijf worden beschouwd. De oppervlakte daarvan neemt niet toe, maar af. Verweerder heeft hierbij betrokken dat de zeugenstal en de biggenstal met de tussenliggende ruimte een geheel vormt, omdat vloerplaat en geveldelen niet zijn gescheiden. Ook gangpaden en andere ruimten waar geen dieren worden gehouden behoren tot een dierenverblijf.

11.3

Niet kan worden gezegd dat verweerder niet is ingegaan op de stelling van eisers in hun zienswijze over de toename van het aantal dieren en de oppervlakte aan dierenverblijven. Deze reactie was weliswaar niet uitvoerig, maar verweerder heeft zijn standpunt dienaangaande naar aanleiding van het beroep aanvullend gemotiveerd.

Verweerder heeft op toereikende wijze gemotiveerd dat de gehele zeugenstal als een dierenverblijf moet worden beschouwd. Van afzonderlijke stallen, die zijn opgenomen in een gewijzigde zeugenstal, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank volgt verweerder daarom in zijn opvatting dat de stalderingseis (van artikel 35 van de VrNB) niet van toepassing is.

Ter zitting hebben eisers erkend dat de eerder verleende vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet inmiddels onherroepelijk is geworden. De rechtbank zal op dit gedeelte van het betoog dan ook niet meer ingaan.

Het betoog slaagt niet.

12.1

Eisers hebben, met betrekking tot de toetsing door verweerder aan artikel 3.3.4, aanhef en onder i, van de planregels van het bestemmingsplan, aangevoerd, dat verweerder naar aanleiding van hun zienswijze heeft gesteld dat er, als gevolg van de op 20 juli 2018 gewijzigde geurfactoren voor combiwassers, een herberekening is gemaakt van de voor- en achtergrondbelasting en dat deze herberekening niet heeft geleid tot andere conclusies. Eisers stellen zich op het standpunt dat deze herberekening onvolledig is en onjuist tot stand is gekomen.

12.2

Volgens verweerder kan deze beroepsgrond niet slagen, alleen al omdat eisers niet hebben aangegeven waarom de herberekening niet voldoet. Overigens blijkt uit de uitgevoerde berekeningen dat sprake is van een overbelaste situatie op de daarin betrokken woningen, maar dat het bedrijf van vergunninghoudster geen proportionele bijdrage levert aan de cumulatieve achtergrondbelasting ter plaatse van deze woningen.

12.3

De rechtbank volgt verweerder in zijn opvatting dat eisers niet hebben aangegeven waarom de uitgevoerde berekening niet voldoet.

Alleen al hierom faalt het betoog.

13.1

Volgens eisers is de zeugenstal gebouwd zonder dat de daarvoor noodzakelijke vergunningen waren verleend. Daarom is de uitzondering in artikel 22.3.2, onder d, onderdelen 1 en 2, van de planregels van het bestemmingsplan niet van toepassing. Als gevolg hiervan moet er een archeologisch rapport worden overgelegd.

13.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de bouw van de stal op 5 maart 2012 al een omgevingsvergunning is verleend. De stal is afwijkend en in beperkte mate kleiner gebouwd (de stal is iets langer en smaller). De vergunning strekt tot legalisering van deze afwijking. Gelet op het feit dat de verandering qua bebouwing minder bedraagt dan 2.500 m2 is het niet noodzakelijk dat een archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.

13.3

Op grond van artikel 22.3.1, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan is het verboden om op of in de voor "Waarde-Archeologie 2" aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden op te hogen, af te graven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), te woelen, te mengen, diep te ploegen, heipalen aan te brengen, te egaliseren en te ontginnen, met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 2.500 m2.

Op grond van artikel 22.3.2, onder d, van de planregels van het bestemmingsplan is dit verbod niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning.

13.4

De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog, voor zover zij menen dat bij de toetsing aan artikel 22.3.2 van de planregels van het bestemmingsplan, vanwege het ontbreken van een vergunning, de volledige oppervlakte van de zeugenstal moet worden betrokken. Vergunninghoudster beschikte immers over een onherroepelijke vergunning voor het bouwen van deze stal. De werkzaamheden die nodig zijn voor de aan deze stal aangebrachte wijzigingen hebben betrekking op een aanzienlijk kleinere oppervlakte dan 2.500 m2. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat een omgevingsvergunning daarvoor niet nodig is.

Ook dit betoog kan niet slagen.

Toetsing van de activiteit milieu

14.1

Volgens eisers had verweerder vooraf moeten beoordelen of kon worden volstaan met de verlening van een vergunning voor de verandering van een inrichting. Verweerder had de aanvraag sowieso moeten weigeren en vergunninghoudster erop moeten wijzen dat zij een zogenoemde revisievergunning moest aanvragen.

14.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een geheel andere inrichting, maar van een verandering van een inrichting waarvoor al in 2012 een oprichtingsvergunning is verleend.

14.3

Eisers hebben niet aangegeven op grond waarvan zij van mening zijn dat een revisievergunning (een omgevingsvergunning met betrekking tot de verandering en het in werking hebben van de betrokken inrichting na die verandering, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) had moeten worden verlangd. Alleen al hierom kan dit betoog niet leiden tot de conclusie van eisers dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Dit betoog faalt.

15.1

Volgens eisers stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat er geen toename is van het maximaal aantal verkeersbewegingen per dag. Feit is dat er 25% meer zeugen worden gehouden, waardoor er meer varkens worden afgevoerd. Ook ten aanzien van de ammoniakemissie hanteert verweerder onjuiste gegevens. Feitelijk is er een ammoniakemissie van 1.838,1 kg/jaar vergund, maar verweerder gaat uit van 1.984,4 kg/jaar. Ook als een milieuvergunning is verleend voor het houden van dieren met een bepaald stalsysteem, mag het niet zo zijn dat, als een luchtwasser minder rendement oplevert, de vergunde rechten worden verhoogd.

15.2

Volgens verweerder is onjuist dat er 25% meer zeugen worden gehouden. Op grond van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu bedraagt de toename van het aantal dieren 3,4% en de toename van het aantal zeugen 9,5%. Volgens verweerder heeft een toename van verkeersbewegingen geen effect op de indirecte hinder als gevolg van verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Er is overigens geen sprake van een toename van het maximaal aantal aangevraagde vervoersbewegingen per dag.

Wat de ammoniakemissie betreft, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de berekening daarvan is gebaseerd op de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav), zoals deze gold op het moment van de vergunningverlening, uitgaande van het aantal vergunde dieraantallen met bijbehorend stalsysteem.

15.3

Hoe verweerder precies aan het percentage van 9,5% is gekomen, is de rechtbank niet duidelijk. Het percentage ligt op net iets meer dan 10%: (1.584 - 1.434)/1.434. In elk geval is geen sprake van een toename van het aantal zeugen met 25%. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder bij de beoordeling van de vervoersbewegingen is uitgegaan van een te klein aantal zeugen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de ammoniakemissie op correcte basis heeft berekend aan de hand van de Rav die gold op het moment van het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank ziet niet in dat eisers door de uitkomst van die berekening worden benadeeld, in aanmerking nemende dat in deze procedure niet de aanvaardbaarheid van de ammoniakemissie op basis van de eerder verleende vergunning ter discussie staat, maar die op basis van de aangevraagde vergunning. Over de hoogte hiervan bestaat geen onduidelijkheid bij eisers. Van een verhoging van rechten op basis van de eerder verleende vergunning, die van invloed is op de uitkomst van deze beoordeling, is geen sprake.

Dit betoog faalt eveneens.

16.1

Verweerder komt volgens eisers met betrekking tot de ammoniakemissie met allerlei aannames die feitelijk niet worden onderbouwd. Dat de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet inmiddels onherroepelijk is geworden, is volgens eisers in dit verband niet relevant, omdat deze ziet op een andere inrichting.

Eerdere aannames over vermindering van de ammoniakemissie en de ammoniakdepositie, gebaseerd op de IPPC-richtlijn, de toepassing van de beste beschikbare technieken conform de Wet milieubeheer en het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, zijn volgens eisers niet juist gebleken. Zij wijzen in dit verband op de omstandigheid dat uit onderzoek is gebleken dat het rendement van met name combi-luchtwassers aanzienlijk slechter is dan waarvan men bij vergunningverlening is uitgegaan.

Volgens eisers schuift verweerder de adviezen van de GGD zonder onderbouwing terzijde, omdat sprake zou zijn van een advies en er geen grondslag te vinden is in de regelgeving.

16.2

Volgens verweerder is de ammoniakemissie beoordeeld overeenkomstig het Besluit emissiearme huisvesting, de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Rav. Op grond hiervan heeft verweerder geoordeeld dat aan die regelgeving wordt voldaan.

De onherroepelijke vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet uit 2016 voorziet in een ammoniakemissie van 3.899,86 kg/jaar. Het klopt dat deze vergunning betrekking heeft op een andere inrichting dan nu vergund, maar voor de wijzigingen heeft verweerder een verklaring van geen bedenkingen verleend als bedoeld in de Wet natuurbescherming, op grond waarvoor bij het bestreden besluit een omgevingsvergunning is verleend voor een activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving. De toestemming als bedoeld in de Wet natuurbescherming "haakt daardoor aan" bij het bestreden besluit. Voor de wijziging is daardoor wel toestemming op grond van de Wet natuurbescherming verleend. Er behoefde, naar aanleiding van de wijziging van de Rav, geen nieuwe verklaring van geen bedenkingen te worden verstrekt, omdat die wijziging niet ziet op de ammoniakreductie van combi-luchtwassers.

Over het advies van de GGD heeft verweerder in dit verband opgemerkt dat de GGD een toename van de ammoniakemissie niet wenselijk acht, als gevolg van de productie van secundair fijnstof, maar dat hiervoor geen norm is bepaald. Omdat er aan de geldende norm voor primair fijnstof ruimschoots wordt voldaan en er ten opzichte van de eerder verleende vergunningen sprake is van een afname, zullen er als gevolg van fijnstof in zijn totaliteit geen ontoelaatbare effecten op de gezondheid optreden.

16.3

De ammoniakemissie die door een inrichting wordt veroorzaakt, moet worden beoordeeld op grond van de Wav en de daarop gebaseerde regelingen. Deze wet en de uitvoeringsregelingen vormen een dwingendrechtelijk kader. Als hieraan wordt voldaan, kan de vergunning niet vanwege de toename van de ammoniakemissie geweigerd worden.

Uit wat eisers aanvoeren, kan worden opgemaakt dat zij niet betwisten dat alle huisvestingssystemen voldoen aan de emissiefactoren van bijlage 1 bij de Rav en aan de maximale emissiewaarde op grond van bijlage 1 bij het Besluit emissiearme huisvesting. De dierverblijven liggen niet binnen een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied, zodat er op grond van de Wav geen beperking geldt voor het ammoniakplafond.

De rechtbank volgt verweerder in zijn opvatting dat voor de wijziging van de inrichting een toestemming op grond van de Wet natuurbescherming is verleend, in de vorm van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Overigens heeft deze vergunning betrekking op een lagere ammoniakemissie dan op grond van de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet uit 2016 was toegestaan.

Het betoog faalt in zoverre.

16.4

De rechtbank deelt niet eisers' opvatting dat het advies van de GGD zonder onderbouwing ter zijde wordt geschoven. Verweerder heeft het advies in de motivering van het bestreden besluit verwerkt.

Uit het advies van de GGD van 6 september 2017 kan worden afgeleid dat de GGD een reductie van onder meer de ammoniakemissie gewenst acht, omdat de emissie van ammoniak kan leiden tot de vorming van secundair fijnstof door een reactie van ammoniak met stoffen in de buitenlucht. Op basis van de beoordeling van de aanvraag komt de GGD niettemin tot de conclusie dat de fijnstofconcentratie bij alle doorgerekende woningen gelijk blijft. De GGD concludeert verder de daling van de emissie van fijnstof als positief en acht het wenselijk dat de ondernemer vanuit het belang van volksgezondheidskundig oogpunt een verder verlaging van de ammoniakemissie nastreeft.

Op basis van dit advies kan niet worden gezegd dat de GGD vergunningverlening uit het oogpunt van bescherming van de volksgezondheid niet aanvaardbaar vindt.

Ook in zoverre faalt dit betoog.

17.1

Eisers hebben naar hun zeggen bij herhaling melding gedaan van de geluidsoverlast die zij ondervinden van de reeds gerealiseerde zeugenstal. Zij verwachten dat de geluidsoverlast alleen maar toe zal nemen, zodra de vleesvarkensstal in gebruik zal worden genomen.

De geluidsoverlast is op basis van theoretische modellen berekend op basis van ervaringsgegevens over het bronvermogen van luchtwassers, maar niet op basis van gegevens van de aangevraagde luchtwassers. Eisers begrijpen niet dat de geluidsbelasting op basis van theoretische gegevens wordt berekend, terwijl de zeugenstal als sinds 2015 operationeel is en men gewoon kan meten.

17.2

De berekende geluidsbelasting in de dag-, avond- en nachtperiode van 30, 32 en 27 dB(A) ligt volgens verweerder aanzienlijk lager dan wat in landelijk gebied gebruikelijk is. Er kan dan ook geen sprake zijn van geluidsoverlast van enige betekenis. De naleving hiervan betreft een handhavingskwestie.

17.3

In de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening worden voor een landelijk gebied waarden voor de dag-, avond- en nachtperiode gehanteerd van 40, 35 en 30 dB(A). De vergunde waarden liggen daar aanzienlijk onder. Het is gebruikelijk om, bij de beoordeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen de akoestische situatie te berekenen. Dat in bestaande situaties ook kan worden gemeten, doet geen afbreuk aan de juistheid van de berekening van het geluidsniveau. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat, als geluidsoverlast wordt ervaren, dat een kwestie van handhaving betreft.

Ook dit betoog faalt.

Oordeel

18. Het beroep is, gelet op het voorafgaande, ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. W. Heijninck, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 26 augustus 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.