Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4905

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-08-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
16/2918
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/2918

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boekel, verweerder

(gemachtigden: mr. M.A. van der Vleuten en ir. J.J.A. Jentjes).

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van een woonruimte in het bedrijfspand op het adres [adres] te [plaats] .

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar zoon en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting in overleg met partijen aangehouden voor de duur van een jaar, in verband met de besluitvorming naar aanleiding van de plannen voor een zonneweide op het perceel [adres] waarmee de renovatie van de oude bedrijfswoning zou worden bekostigd. De aanhoudingstermijn is meerdere malen op verzoek van eiseres en met instemming door verweerder verlengd in verband met mediation tussen partijen. Eiseres heeft uiteindelijk verzocht om een tweede zitting.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op de zitting van 14 juni 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. van Vleuten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is eigenaresse en bewoonster van het perceel [naam perceel] te [plaats] . Op dit perceel bevindt zich de bedrijfsbebouwing van een champignonkwekerij. In deze bedrijfsbebouwing is een inpandige woning gerealiseerd. Deze inpandige woning heeft als adres [adres] en wordt bewoond door eiseres. Op dit perceel staat verder nog de oude bedrijfswoning van de champignonkwekerij. Deze is niet meer voor bewoning geschikt. De inpandige woning [adres] is gerealiseerd in afwijking van de op 5 februari 1985 verleende bouwvergunning voor het oprichten van de champignonkwekerij. Op 14 december 2015 heeft eiseres de aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Eiseres beoogt daarmee de oude bedrijfswoning met als adres [adres 1] te vervangen door de inpandige woonruimte [adres] .

2. In het bestreden besluit is de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Verweerder acht het niet aannemelijk dat voldaan wordt aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Daarnaast is de omgevingsvergunning geweigerd omdat de aanvraag volgens verweerder in strijd is met het op het perceel van toepassing gebleven bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 1987” (het bestemmingsplan). Verweerder ziet geen mogelijkheid om met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden voor de bouw van bedrijfswoningen of de buitenplanse afwijkingsbevoegdheden van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 2° en 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) medewerking te verlenen aan de aanvraag van eiseres.

3.1

Eiseres voert aan dat de aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan. Dit plan staat één bedrijfswoning toe op het perceel. De aanvraag heeft betrekking heeft op het vervangen van de vergunde bedrijfswoning door de inpandige woning. De bedrijfswoning zal daarna gebruikt gaan worden voor opslagdoeleinden.
3.2 Aan het perceel [naam perceel] is in het bestemmingplan de bestemming “Agrarische doeleinden A” toegekend. De tot “Agrarische doeleinden A” bestemde grond is volgens artikel 9 van de planregels aangewezen voor agrarische bedrijfsdoeleinden, waaronder wordt verstaan de bedrijfsmatige agrarische bodemexploitatie, de vestiging van nieuwe volwaardige agrarische bedrijven en de uitbreiding van bebouwing voor bestaande reële agrarische bedrijven. Voor bebouwing geldt volgens artikel 9, onder A lid I van de planregels dat de tot “agrarische doeleinden A” bestemde grond uitsluitend mag worden bebouwd met bouwwerken, geen woningen zijnde, ten dienste van een reëel agrarisch bedrijf of een volwaardig agrarisch bedrijf. Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 9, onder A, lid III van de planregels bevoegd, gehoord de adviescommissie agrarische bouwaanvrage te Tilburg, vrijstelling te verlenen van het bepaalde onder I voor de bouw van een woning, indien wordt voldaan aan de in dit lid opgenomen eisen.
Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 9, onder A, lid IV onder d sub a, van de planregels van de planregels bevoegd, mits vooraf van gedeputeerde staten een verklaring is ontvangen dat zij hiertegen geen bezwaar hebben, vrijstelling te verlenen van het bepaalde onder A lid I van artikel 9 voor de bouw van een tweede agrarische bedrijfswoning mits deze woning in het kader van de agrarische bedrijfsexploitatie noodzakelijk is. Op grond van artikel 33 (overgangsbepalingen), lid II, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid I voor het geheel vernieuwen van bouwwerken op een meer geschikte plaats op het bouwperceel, indien gedeeltelijke vernieuwing ter plaatse minder gewenst is dan algehele vernieuwing elders en mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben.

3.3

De rechtbank is van oordeel dat artikel 9, onder A, van de planregels de bouw van een bedrijfswoning niet rechtstreeks toelaat. Het standpunt van eiseres op de zitting van 13 december 2016 dat zij in het verleden op grond van artikel 9, onder A, lid III van de planregels vrijstelling heeft verkregen voor de bouw van de oude bedrijfswoning en deze nu mag vervangen door de inpandige woning wordt niet onderschreven, omdat van die vrijstelling al gebruik is gemaakt en niet op basis van diezelfde vrijstelling omgevingsvergunning kan worden verleend.

3.4

De bouw van een bedrijfswoning is dus in beginsel strijd met het bestemmingsplan. Wel kan hiervoor een vrijstelling worden verleend. Eiseres voert aan dat sprake is van een vergunde champignonkwekerij met een onderliggend positief advies van de agrarische adviescommissie en stelt dat zij vergunde rechten heeft. Deze stelling kan eiseres echter niet baten. Op het moment van de aanvraag was op het perceel al een bedrijfswoning aanwezig. Uit de aanvraag blijkt niet dat deze bedrijfswoning wordt gesloopt. De enkele opmerking dat de oude bedrijfswoning zal worden gebruikt als opslagruimte, acht de rechtbank onvoldoende. Dit betekent dat de aanvraag beoordeeld moet worden aan de hand van de criteria voor de bouw van een tweede bedrijfswoning. Belangrijkste criterium is dat deze woning noodzakelijk is in het kader van de agrarische bedrijfsexploitatie ter plaatse. Dit heeft eiseres onvoldoende onderbouwd.

3.5

Zelfs al zou eiseres de oude bedrijfswoning wel slopen en zou de aanvraag kunnen worden aangemerkt als een aanvraag voor een eerste bedrijfswoning, dan nog zal op het moment van aanvraag sprake moeten zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf op basis van een advies van de agrarische adviescommissie . Eiseres heeft niets aan de in het verleden verleende vrijstelling die was gebaseerd op een advies over de noodzakelijkheid op het moment dat de oude vrijstelling was aangevraagd. Eiseres heeft niet onderbouwd dat op het moment van de aanvraag nog een volwaardig agrarisch bedrijf aanwezig is. Dit betekent dat ook aan de toepassingsvoorwaarden voor artikel 9, lid A, onder III van de planregels voor het verlenen van vrijstelling voor een eerste bedrijfswoning niet wordt voldaan.

4.1

Eiseres stelt verder nog dat haar aanvraag ten onrechte wel is getoetst aan het overgangsrecht van het bestemmingsplan.

4.2

Verweerder heeft onderzocht of medewerking kan worden verleend aan de aanvraag met toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen van bouwwerken of een meer geschikte plaats op het bouwperceel in artikel 33 van de planregels. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van deze vrijstellingsbevoegdheid omdat de woonruimte dan dichter bij de nabijgelegen nertsenhouderij komt te liggen en hierdoor geen verantwoord woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

4.3

De rechtbank begrijpt dat verweerder zorgvuldigheidshalve alle mogelijkheden heeft onderzocht. Verweerder kan niet worden verweten dat hij teveel heeft gedaan, het is juist zorgvuldig. Het bestemmingsplan staat de bouw van een bedrijfswoning niet rechtstreeks toe. Dit betekent dat een vernieuwing van de oude bedrijfswoning ook kan worden beoordeeld op basis van artikel 33 van de planregels. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen weigeren gebruik te maken van de vrijstellingsbevoegdheid gelet op de ligging van de nertsenhouderij. Deze beroepsgrond kan niet slagen.

5. De rechtbank concludeert dat alleen een omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a sub 3, van de Wabo. Verweerder is daartoe niet bereid, aangezien er geen agrarisch bedrijf op het perceel aanwezig en geen verantwoord woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot dit standpunt heeft kunnen komen. Eiseres heeft daartegen ook geen beroepsgronden aangevoerd.
6.1 Eiseres voert verder nog aan dat het bouwplan niet in strijd is met het Bouwbesluit. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst zij naar het brandveiligheidsrapport van 19 oktober 2016 Bureau Veldweg, dat in opdracht van W.J. Peters Bouwconsultancy & Architectuur is opgesteld.

6.2

Uit het nieuwe rapport van 19 oktober 2016 van Bureau Veldweg blijkt dat een detail is aangepast naar aanleiding van het schrijven van verweerder waarmee dit detail nu wel voldoet aan de eis van 60 minuten brandwerendheid. Dit rapport dateert van na het bestreden besluit. Los van de vraag of deze aanpassing aannemelijk maakt dat de aanvraag inmiddels wel voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit, kan dit niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep gelet op rechtsoverwegingen 3 tot en met 5 van deze uitspraak.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 28 augustus 2019.

griffier rechter

De griffier is niet in staat

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.