Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4885

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
04-12-2019
Zaaknummer
18/2513
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/2513

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiseres

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Lagerwaard).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder besloten niet terug te komen van zijn beslissing van 21 augustus 2014.

Bij besluit van 21 december 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder besloten niet terug te komen van het primaire besluit I.

Bij besluit van 8 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Na het indienen van het beroepschrift heeft eiseres aanvullende stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden

  1. Eiseres is op 3 april 1999 uitgevallen voor haar werk als verkoopster in een kinderkledingwinkel vanwege diverse lichamelijke en psychische klachten. Aan haar is met ingang van 5 april 2000 een uitkering op grond van Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling is bij besluit van 16 februari 2005 deze uitkering met ingang van 8 april 2005 ingetrokken, omdat eiseres minder dan 15% arbeidsongeschikt werd bevonden.

  2. Op 1 maart 2010 heeft eiseres zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld per 1 augustus 2007 wegens vergelijkbare klachten. Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft verweerder besloten niet terug te komen van zijn beslissing van 16 februari 2005. Wat betreft de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid vanaf 1 augustus 2007, is vastgesteld dat er geen toename is van de arbeidsongeschiktheid vanuit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor eiseres tot 8 april 2005 een WAO-uitkering ontving. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor een WAO-uitkering.

3. Op 2 juni 2014 heeft eiseres een WIA-aanvraag gedaan. Bij de daarop volgende medische beoordeling is gekeken of er redenen zijn om aan te nemen dat de WAO-uitkering in 2005 ten onrechte is beëindigd én is beoordeeld of er sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na die beëindiging. Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft verweerder vastgesteld dat de bij deze aanvraag nieuw aangedragen gegevens niet leiden tot een wijziging van de eerdere beoordelingen, zodat eiseres geen WIA-uitkering kan krijgen (de rechtbank begrijpt: WAO-uitkering). Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 22 januari 2015.

4. Bij brief van 5 december 2017 heeft eiseres verweerder verzocht haar oude WAO-uitkering te herzien, omdat haar gezondheid sinds de intrekking van die uitkering is verslechterd vanwege dezelfde ziekteoorzaak. Verweerder heeft daarop het primaire besluit I genomen. Daarbij heeft verweerder, onder verwijzing naar zijn besluit (op bezwaar) van 22 januari 2015, het verzoek van eiseres afgewezen, omdat zij bij haar verzoek van 5 december 2017, net als bij die eerdere beoordeling geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen die er toe leiden dat beslissing van 21 augustus 2014 onjuist zou zijn. Om die reden gaat verweerder niet over tot een herbeoordeling van het recht op WAO van eiseres.

5. Eiseres heeft bij brief van 18 december 2017 gereageerd op het primaire besluit I. Daarbij heeft eiseres – kort gezegd – aangegeven dat haar situatie sinds 22 januari 2015 nog verder is verslechterd. Eiseres heeft ter onderbouwing daarvan medische informatie bijgevoegd. Verweerder heeft daarop het primaire besluit II genomen, waarbij verweerder heeft besloten om niet terug te komen van het primaire besluit I. Ook heeft verweerder aangegeven dat eiseres niet opnieuw een WAO-uitkering kan krijgen omdat de gestelde toename van de arbeidsongeschiktheid niet binnen 5 jaar na intrekking van de WAO-uitkering ligt. Om die reden zal geen herbeoordeling plaatsvinden.

Geschil

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen nieuwe medische feiten en/of omstandigheden bekend zijn geworden waaruit zou moeten worden geconcludeerd dat de beëindiging van de WAO-uitkering in 2005 onjuist was. Daarnaast is in de periode van 5 jaar na beëindiging van de WAO-uitkering (dus tot 8 april 2010) geen toename van de arbeidsongeschiktheid ontstaan ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak. Aan het bestreden besluit heeft verweerder de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) van 3 oktober 2018 ten grondslag gelegd.

7. Eiseres voert - kort samengevat - aan dat de heroverweging in bezwaar onzorgvuldig is geweest, omdat er geen arts aanwezig was op de hoorzitting. Hierdoor konden de röntgenfoto’s (originele hersenscans) die zij had meegenomen naar de hoorzitting, niet worden beoordeeld. Die hersenscans zijn volgens eiseres van belang. Daarnaast stelt eiseres dat de verzekeringsartsen van verweerder haar neuroloog tegenspreken.
Een verhoogde hersendruk is niet te zien op een hersenscan, maar alleen te meten met een punctie. Het medisch onderzoek van verweerder is volgens eiseres niet objectief. Eiseres wijst, behalve op de genoemde hersenscans, verder op de door haar overlegde brief van chiropractor A. LeGate van 16 januari 2007 en twee brieven van neuroloog T. IJsewijn van 25 mei 2017 en 3 juni 2018. Verder heeft zij klachten over het verloop van de bezwaarprocedure.

Beoordeling

8. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Dit onderscheid is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door verweerder en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van verweerder daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen.

9. In voormelde uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door verweerder moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van verweerder op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.

10. Gelet op het aanvullend bezwaarschrift is de strekking van de verzoeken van eiseres tweeledig. Enerzijds verzoekt eiseres verweerder om terug te komen van zijn beslissingen van 16 februari 2005, 19 augustus 2010 en 21 augustus 2014, omdat zij vindt dat zij op en na 8 april 2005 arbeidsongeschikt is gebleven. Anderzijds doet eiseres een beroep op de Amber-regeling, omdat zij vindt dat er sprake is van toegenomen klachten uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor zij eerder een WAO-uitkering ontving. Uit de stukken blijkt niet dat eiseres heeft beoogd een herzieningsverzoek voor de toekomst te doen.

11. De rechtbank acht verweerders medisch onderzoek in bezwaar voldoende zorgvuldig. Daarbij acht zij van belang dat de verzekeringsarts B&B de gegevens uit het arbeidsongeschiktheidsdossier van eiseres heeft bestudeerd. Daarnaast zijn de door eiseres aangevoerde bezwaren en de daarbij overgelegde medische informatie in de heroverweging betrokken. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de verzekeringsarts B&B aanvullend onderzoek had moeten verrichten. Het is vaste rechtspraak dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet per definitie onzorgvuldig wordt geacht als medisch onderzoek door de verzekeringsartsen achterwege wordt gelaten (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:1180). De rechtbank heeft geen aanknopingspunten dat die aanleiding er wel was. Het gaat hier immers om een beoordeling van een situatie in het verleden. Daar komt nog bij dat de aanwezigheid van een verzekeringsarts B&B tijdens een hoorzitting ook niet verplicht is (zie bijvoorbeeld CRvB, 13 maart 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE1875). De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat de verzekeringsarts B&B wel aanwezig had moeten zijn op de hoorzitting om de overgelegde hersenscans te beoordelen, te meer nu de verzekeringsarts B&B die hersenscans heeft meegewogen in zijn heroverweging. Verder is de rechtbank niet gebleken dat het rapport van 3 oktober 2018 inconsistenties bevat of dat dit onvoldoende is gemotiveerd.

Verzoek terug te komen van eerder besluit

12. Voor zover de verzoeken van eiseres ertoe strekken dat verweerder terugkomt van het oorspronkelijke besluit van 26 februari 2005 voor het verleden, overweegt de rechtbank als volgt.

13. Volgens vaste rechtspraak is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. In artikel 4:6, eerste en tweede lid, van de Awb is bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager is gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

14. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden begrepen feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde (inhoudelijke) beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

15. De vraag ligt dus voor of eiseres nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangedragen, als gevolg waarvan verweerder terug zou moeten komen van de beëindiging van de WAO-uitkering. In dit geval dient de informatie derhalve van belang te zijn voor de vraag of eiseres op 8 april 2005 meer of minder dan 15% arbeidsongeschikt was in het kader van de WAO.

16. Het nieuwe feit is volgens eiseres met name gelegen in de diagnose verhoogde hersendruk, zoals blijkt uit de brief van 30 juni 2014 van neuroloog IJsewijn, in combinatie met haar stelling dat die verhoogde hersendruk er in 2005 ook al was, hetgeen volgens haar blijkt uit de door haar in bezwaar overgelegde hersenscans uit 1998 en 2008. Nog daargelaten dat dit argument de rechtbank bevreemdt omdat eiseres zelf (ook) heeft gesteld dat verhoogde hersendruk niet is te zien op de scans, wijst de rechtbank eiseres erop dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB een (nieuwe) diagnose weliswaar als een nieuw gegeven is te beschouwen, maar dat het niet als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb kan worden aangemerkt, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2045). De diagnose is immers niet gebaseerd op wezenlijk andere gegevens met betrekking tot de gezondheidssituatie van betrokkene dan waarmee de verzekeringsarts bekend was ten tijde van de intrekking van de WAO-uitkering in 2005. Deze omstandigheden heeft de verzekeringsarts betrokken bij het vaststellen van de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst destijds. De verzekeringsarts B&B heeft in de rapportage van 3 oktober 2018 - net als de verzekeringsarts B&B voorafgaand aan de beslissing op bezwaar van 22 januari 2015 - vastgesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat de in 2014 bij eiseres geconstateerde verhoogde hersendruk ook al in 2005 aanwezig was. Daaraan is, gezien voormelde vaste rechtspraak, terecht toegevoegd dat als dit wel het geval was, dat niets verandert aan de klachten en het klinisch beeld zoals in 2005 is vastgesteld en is vertaald naar de functionele mogelijkheden van eiseres.

16. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat in zoverre geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Voorts is terecht geconcludeerd dat in zoverre ten opzichte van 2014/2015 evenmin sprake is van gegevens - de hersenscans - die niet al toen overgelegd hadden kunnen worden. Hetzelfde geldt voor de brief van de chiropractor van 16 januari 2007. Die stukken dateren immers van ruim vóór 2015.

18. Ten aanzien van de bij eiseres vastgestelde hernia’s (op diverse niveaus in nek en bovenrug), zoals blijkt uit de brief van IJsewijn van 25 mei 2017, geeft de verzekeringsarts B&B aan dat dit op zich wel een nieuw feit betreft ten opzichte van 2014/2015, maar dat dit een nieuwe oorzaak van beperkingen is, die niet aanwezig was bij de WAO-beoordeling in 2005. Bovendien is die ook niet ontstaan binnen 5 jaar na beëindiging van de WAO-uitkering, zodat deze informatie in dit kader niet relevant is. Volgens de verzekeringsarts B&B werden de klachten aan nek- en bovenrug in de afgelopen jaren nooit genoemd door eiseres. Dit laatste kan door de rechtbank niet helemaal worden gevolgd, omdat bij verschillende beoordelingen in het verleden eiseres wel degelijk melding heeft gemaakt van nekklachten. Echter, de verzekeringsarts B&B stelt wel terecht vast dat tijdens eerdere beoordelingen geen afwijkingen zijn geconstateerd aan de nek of rug. Bovendien geldt ook hier dat het eerder beoordeelde klachtenbeeld niet anders wordt, zodat terecht is geconcludeerd dat de overgelegde informatie niet kan afdoen aan de eerdere beoordeling(en). De overige door eiseres in beroep overgelegde informatie was reeds bekend bij verweerder tijdens eerdere beoordelingen, zodat wat dat betreft ook geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

19. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag om een herbeoordeling terecht mogen afwijzen onder verwijzing naar de eerder verrichte beoordelingen.

Wet Amber

20. Voor zover de verzoeken van eiseres ertoe strekken dat verweerder dient te beoordelen of haar arbeidsongeschiktheid sinds 2005 is toegenomen, overweegt de rechtbank als volgt.

21. In artikel 43a van de WAO is bepaald, voor zover hier van belang, dat indien degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is ingetrokken binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Dit is de zogeheten ‘Amber-bepaling’.

22. Gelet hierop ligt dus de vraag voor of er sprake is geweest van een toename van de arbeidsongeschiktheid van eiseres in de periode van 8 april 2005 tot 8 april 2010.

23. De rechtbank stelt net als verweerder vast dat van de in de overgelegde informatie genoemde hernia’s eerst in 2017 melding wordt gemaakt. In 2005 werd de nekpijn tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek toegeschreven aan verhoogde spierspanning. In zoverre volgt de rechtbank de verzekeringsarts B&B dat er sprake is van een andere ziekteoorzaak, die bovendien dateert buiten de termijn van vijf jaar ná 2005. De rechtbank volgt verweerder daarom in zijn standpunt dat uit die informatie niet kan worden geconcludeerd dat de beperkingen van eiseres in verband met dezelfde ziekteoorzaak zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WAO-uitkering.

24. Voorgaande overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit stand kan houden.

25. Voor zover eiseres klachten heeft geuit die zien op de bejegening tijdens de bezwaarprocedure, kan zij zich te wenden tot verweerder met die klachten. Dergelijke klachten kunnen niet door de rechtbank worden beoordeeld.

26. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van ‘t Klooster, rechter, in aanwezigheid van

Z. Selkan, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 21 augustus 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.