Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4872

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2019
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
346955/FAS RKL 19-2579
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

vervangende toestemming verhuizing en inschrijving school

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/42.16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/346955 / FA RK 19-2579

Uitspraak : 19 augustus 2019

Beschikking in de zaak van

[vader] ,

wonende te [plaats] , [buitenland] ,

advocaat mr. D.J.P.H. Stoelhorst,

tegen

[moeder] ,

wonende te [plaats] ,

advocaat mr. M.C. Appünn,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vader en de moeder.

over

de minderjarige,

[minderjarige] [naam]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

hierna te noemen [minderjarige] ,

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift van de vader, ontvangen ter griffie op 23 mei 2019;

  • -

    het verweerschrift van de moeder, tevens inhoudende zelfstandige verzoeken;

- de correspondentie, waaronder met name:

  • -

    een F9-formulier met bijlagen van mr. Stoelhorst, gedateerd op 8 juli 2019;

  • -

    een F9-formulier met bijlagen van mr. Stoelhorst, gedateerd op 10 juli 2019;

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 augustus 2019. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) is mevrouw [naam] verschenen.

1.3.

De griffier heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening omtrent de verzoeken aan de rechter kenbaar te maken. [minderjarige] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft op 7 augustus 2019 met de kinderrechter gesproken.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen partijen is op [geboortedatum] [minderjarige] geboren.

2.3.

De vader heeft [minderjarige] erkend. De vader en de moeder hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] en hij heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder.

2.4.

In de beschikking van deze rechtbank van 4 augustus 2009 zijn de door partijen getroffen regelingen inzake het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) opgenomen, zulks onder verwijzing naar een aangehechte kopie van het kinderconvenant.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 14 november 2018 is het verzoek van de vader om hem vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van [minderjarige] naar zijn woonplaats [plaats] in [buitenland] afgewezen en is de zorgregeling gewijzigd.

2.6.

De vader woont vanaf eind 2017 in [plaats] samen met zijn huidige echtgenote. Zij zijn al twaalf jaar samen en hebben samen ook een zoontje, het zevenjarig halfbroertje van [minderjarige] dat ook met hen in [buitenland] woont. De vader runt in [buitenland] een horecabedrijf.

2.7.

De moeder heeft sinds anderhalf jaar een relatie met haar nieuwe partner. Hij woont in [Nederland] en heeft een dochter van dertien jaar uit een eerdere relatie.

3 Het verzoek

3.1.

De vader verzoekt op de gronden en op de wijze als in het verzoekschrift omschreven het hoofdverblijf van de [minderjarige] bij hem te bepalen met ingang van de datum van de beschikking en hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] naar [buitenland] ( [plaats] ) te mogen laten verhuizen.

3.2.

De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader. Tevens verzoekt zij om haar vervangende toestemming te verlenen om te verhuizen naar [Nederland] en [minderjarige] in te schrijven bij de [school] te [Nederland] .

4 De beoordeling

4.1.

De vader wil graag dat het hoofdverblijf van [minderjarige] wijzigt en bij hem in [buitenland] wordt bepaald. Hij voert daartoe het volgende aan.

Vader heeft in 2014 chemotherapie gehad, wat leidde tot gewrichtspijn. In het warme klimaat van [buitenland] heeft hij minder pijnstilling nodig. Daarom is hij naar [buitenland] verhuisd.

Over het hoofdverblijf van [minderjarige] voeren partijen al jaren strijd. Tijdens het tussen partijen gevoerde kort geding in 2018 is afgesproken dat [minderjarige] in ieder geval het schooljaar 2018/2019 op zijn huidige school zou afmaken. Gelet op die afspraak is het eerdere verzoek van de vader voor de verhuizing van [minderjarige] naar [buitenland] , bij beschikking van 14 november 2018, afgewezen. De rechtbank achtte het toen niet opportuun te oordelen over een situatie die zich pas maanden later zou voordoen.

[minderjarige] is nu 12 jaar oud en hij wil nog altijd graag verhuizen naar [buitenland] . De basisschool heeft hij afgerond en hij zal nu naar de middelbare school gaan. Het is belangrijk dat de verhuizing in deze overgangsfase zal plaatsvinden.

In [buitenland] kan hij instromen op een middelbare school, gericht op kinderen van expats. Hij zal dan onderwijs in het [buitenlandse taal] volgen. Omdat hij nog onvoldoende [buitenlandse taal] spreekt, zal hij in het Engels begeleiding krijgen. Vader verwacht dat [minderjarige] binnen drie tot zes maanden het [buitenlandse taal] onderwijs zal kunnen volgen. Deze schatting is gebaseerd op de ervaringen van de school en de ervaringen van de vader met [minderjarige] halfbroertje, hij was al na drie maanden in staat om onderwijs in het [buitenlandse taal] te volgen.

Van belang is tevens dat moeder een nieuwe partner heeft en in [Nederland] wil gaan samenwonen. [minderjarige] zal dus in ieder geval naar een andere omgeving verhuizen. De echtgenote van vader en zijn halfbroertje kent hij beter dan de partner van moeder. In tegenstelling tot de situatie in [Nederland] , kent [minderjarige] de situatie in [buitenland] al en is dit voor hem vertrouwder.

De vader is verder van mening dat hij en zijn partner [minderjarige] een stabieler en een meer gestructureerde omgeving kunnen bieden dan moeder dat kan. Vader is meer beschikbaar voor [minderjarige] , omdat hij overdag niet werkt. Bij moeder is [minderjarige] daarentegen vaak alleen en ongelukkig. Op basis van deze omstandigheden is vader van mening dat zijn verzoek moet worden toegewezen en het verzoek van moeder moet worden afgewezen.

4.2.

De moeder voert verweer. Een verhuizing naar [buitenland] betekent dat zij [minderjarige] nog maar vijf weken per jaar zal kunnen zien. De door vader aangeboden contactregeling is in verband met haar werk niet uitvoerbaar. Daar staat tegenover dat [minderjarige] nu alle schoolvakanties naar vader gaat en daar ook vaak tijdens feestdagen verblijft.

Hoewel vader dat stelt, heeft hij nooit met gegevens aangetoond dat het medisch noodzakelijk was om te verhuizen. Voor zijn vertrek hadden partijen een co-ouderschap en na zijn vertrek heeft moeder de volledige zorg voor [minderjarige] op zich genomen. Dat is goed gegaan. [minderjarige] heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt.

De verhuizing naar [buitenland] is niet goed voorbereid. De moeder heeft pas laat te horen gekregen welke school vader voor [minderjarige] in gedachten heeft. Informatie over die school heeft moeder niet van vader gekregen. Moeder spreekt geen [buitenlandse taal] en Engelstalige informatie over de school heeft zij niet kunnen vinden. Ze weet ook niet op welk niveau er onderwijs wordt gegeven.

Het feit dat [minderjarige] geen [buitenlandse taal] en Engels spreekt of schrijft, althans onvoldoende om onderwijs te kunnen volgen, vormt een groot probleem. Hij zal daardoor studievertraging oplopen, waardoor hij bij jongere kinderen in een klas zal komen. Dat moet in samenhang worden bezien met het feit dat hij op de basisschool een leerachterstand had, die hij net heeft ingelopen. Daar werd hij gepest en had hij geen vriendjes. [minderjarige] is dus kwetsbaar en loopt in [buitenland] het risico dat de geschiedenis zich herhaalt.

In 2017 had [minderjarige] woede uitbarstingen en is hij onderzocht. Toen is geconcludeerd dat er sprake is van een ongespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis met kenmerken van een stoornis in het autistisch spectrum en kenmerken van AD(H)D. Een verhuizing naar [buitenland] is te ingrijpend. Hij kent [buitenland] nu van de vakanties, maar als hij verhuist moet hij een nieuwe taal leren en aan een andere cultuur wennen. Vader geeft niet aan hoe hij [minderjarige] daarin gaat helpen en hoe dit past binnen zijn ontwikkelingsstoornis, de kenmerken van autisme en AD(H)D.

Van belang is verder dat de vakanties in [buitenland] lang duren. Vader en zijn echtgenote zijn dan druk met hun werk en dus niet altijd beschikbaar om [minderjarige] de zorg te geven die hij nodig heeft.

Het voorstel dat vader heeft gedaan ten aanzien van de reiskosten, voor het geval [minderjarige] zou verhuizen naar [buitenland] , acht moeder redelijk. Van belang is ook dat er weinig overleg is tussen ouders en het overleg dat plaatsvindt, dat verloopt niet goed. Moeder is van mening dat het verzoek van vader moet worden afgewezen.

4.3.

Voorts verzoekt moeder zelf om met [minderjarige] naar haar nieuwe partner in [Nederland] te mogen verhuizen. Hij heeft eengezinswoning en [minderjarige] zal daar een grotere kamer hebben dan nu. [minderjarige] kan dan naar de [school] , een kleinschalige school met extra aandacht voor de leerlingen. De leraar van [minderjarige] ’s basisschool vindt dit een geschikte school voor hem en de school is in de buurt van de woning in [Nederland] . Op deze school is ook voldoende aandacht voor de verdere ontwikkeling van de creatieve kant van [minderjarige] en hij is daar ook al geweest voor een kennismaking.

De verhuizing heeft geen gevolgen voor het contact met of de reistijd naar vader. Omdat [minderjarige] zijn vader en halfbroertje vaker wil zien, is moeder in overleg met school om te bezien wat de mogelijkheden zijn om het verblijf van [minderjarige] in [buitenland] nog uit te breiden.

4.4.

De raad heeft ter zitting aangegeven dat door partijen niet naar voren is gebracht in hoeverre [minderjarige] de verandering aan zou kunnen, los van of het gaat om een verhuizing naar [buitenland] of [Nederland] . Daarom lijkt het de raad eigenlijk het beste als [minderjarige] blijft wonen waar hij nu woont, in zijn vertrouwde omgeving waar hij sociale contacten heeft. Het is voor de raad namelijk niet goed mogelijk om een advies te geven over een verblijf van [minderjarige] in of [buitenland] of [Nederland] , omdat er onvoldoende zicht is op de vraag hoe [minderjarige] zich in beide situaties zou ontwikkelen. Voor [minderjarige] zou op alle gebieden een grote verandering plaatsvinden, want alleen al de overstap naar middelbaar onderwijs en de pubertijd is op deze leeftijd ingrijpend. Daarnaast is [Nederland] , een grote stad in het Westen, ook weer heel anders dan het vertrouwde [plaats] in [plaats] In dat kader is ook van belang dat de raad ermee bekend is dat [minderjarige] in 2017 psychologisch is onderzocht en daaruit grote zorgen naar voren kwamen. [minderjarige] zocht naar veiligheid en emotionele binding en er was mogelijk sprake van traumatische ervaring en verstoorde hechting. Een jongen die onzeker was over zichzelf en moeite had met het aangaan van sociale contacten. De omgeving moest op hem worden afgestemd en hij had ondersteuning nodig. [minderjarige] lijkt wel een positieve ontwikkeling te hebben doorgemaakt in de afgelopen jaren. Die groei wordt door de raad mede verklaard door de stabiliteit die de moeder hem heeft geboden en mogelijk ook door de rust die er is gekomen nadat het co-ouderschap eindigde in verband met de verhuizing van de vader naar [buitenland] . Zijn problemen van twee jaren geleden lijken nu naar de achtergrond te zijn verdwenen, maar onduidelijk is wat daarop de invloed van de veranderingen zal zijn. Deze geven in ieder geval instabiliteit.

4.5.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

4.6.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient de rechtbank in een geschil als dit een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

4.7.

Volgens vaste jurisprudentie dient de rechtbank alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en moeten alle betrokken belangen worden gewogen. Het gaat dan onder meer om:

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    de mate van voorbereiding van de verhuizing;

  • -

    de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

  • -

    de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • -

    de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

  • -

    de leeftijd van de minderjarige en zijn mening;

  • -

    de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving;

  • -

    de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

[buitenland]

4.8.

Ten aanzien van het verzoek van vader overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank volgt vader niet in zijn standpunt dat de noodzaak voor de verhuizing erin is gelegen dat hij [minderjarige] een stabielere leefomgeving kan bieden dan moeder. Hoewel vader door zijn werk in zijn horecabedrijf wellicht overdag meer fysiek beschikbaar kan zijn voor [minderjarige] , heeft [minderjarige] in de afgelopen twee jaar dat hij hoofdzakelijk bij zijn moeder is verbleven een zeer positieve ontwikkeling doorgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit dat de moeder voldoende in staat is om [minderjarige] in opvoedkundige zin een stabiele omgeving te bieden. Bovendien heeft moeder aangegeven voornemens te zijn in de toekomst minder te zullen gaan werken, waardoor zij ook in fysieke zin meer beschikbaar zal kunnen zijn voor [minderjarige] .

De rechtbank kan vader evenmin volgen in zijn stelling dat de noodzaak voor de verhuizing naar [buitenland] erin is gelegen dat [minderjarige] ongelukkig is bij moeder en hij daarom graag wil verhuizen naar [buitenland] . Nog los van de vraag of de wens van een minderjarige een noodzaak kan vormen voor verhuizing, merkt de kinderrechter deze bevinding van de vader aan als een subjectieve beleving van de vader. Niet is gebleken uit objectieve feiten of omstandigheden dat [minderjarige] ongelukkig is bij zijn moeder en dat daarom sprake is van een intrinsieke wens om naar [buitenland] te verhuizen. [minderjarige] geeft weliswaar aan dat hij graag wil verhuizen naar [buitenland] , maar de reden daarvoor is dat hij zijn vader en broertje mist en hen meer wil zien. Tegelijkertijd geeft hij aan dat, wanneer hij in [buitenland] woont, hij zijn moeder zal missen. Voorts heeft hij aangegeven dat hij het een moeilijke situatie vindt en dat hij van beide ouders evenveel houdt. Hoewel [minderjarige] zijn vader en halfbroertje meer wil zien, is de rechtbank niet gebleken van een andere intrinsieke reden voor [minderjarige] om naar [buitenland] te verhuizen. Het spreekt voor zich dat [minderjarige] houdt van beide ouders, maar dat hij ook met degenen die hij liefheeft simpelweg zoveel als mogelijk tijd wil doorbrengen. Dat maakt een verhuizing evenwel niet noodzakelijk. In dat kader is ook van belang dat moeder heeft aangegeven dat zij al in overleg is met de voor [minderjarige] beoogde school om de mogelijkheden te bezien hoe [minderjarige] nog vaker en/of langer naar zijn vader en halfbroertje kan gaan.

4.9.

Daarnaast speelt de mate waarin de verhuizing is voorbereid in de belangenafweging voor de rechtbank een belangrijke rol.

Vader heeft de rechtbank aanvankelijk niet van informatie voorzien over de voor [minderjarige] beoogde school. Die informatie is via moeder verkregen, omdat zij reageert op wat vader in een andere procedure heeft aangevoerd. Zoals ook reeds ter zitting door de rechter is geuit, wekt deze gang van zaken verbazing. Het is immers niet aan de moeder maar aan de vader om zijn verzoek te onderbouwen, alles in deze procedure naar voren te brengen wat hij van belang vindt en aan te tonen dat hij de verhuizing in voldoende mate heeft voorbereid. De verhuizing is -overigens los daarvan- naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voorbereid en de rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Niet is duidelijk geworden op welk niveau [minderjarige] in [buitenland] onderwijs kan gaan volgen. Ook is niet gebleken dat [minderjarige] al voor een kennismaking bij de beoogde school is geweest. Van belang is ook dat de basisschool van [minderjarige] een kleinschalige school voor hem adviseert, maar het is niet duidelijk of de school in [buitenland] daaraan voldoet en daarmee aan de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] tegemoet komt.

[minderjarige] is immers in het vrij recente verleden (2017) gediagnostiseerd met een ongespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis met kenmerken van een stoornis in het autistisch spectrum en kenmerken van AD(H)D en door de raad is op zitting aangegeven waar [minderjarige] toen mee kampte. Hij heeft weliswaar een positieve ontwikkeling doorgemaakt bij zijn moeder, maar het is in het geheel niet duidelijk wat de effecten van een verhuizing naar [buitenland] en het daar gaan volgen van onderwijs voor hem kunnen zijn. Inherent aan een verhuizing naar [buitenland] zijn voor [minderjarige] overigens het wennen aan een andere cultuur, een andere taal en het moeten missen van zijn moeder. Weliswaar verblijft hij nu al regelmatig in [buitenland] , maar dat is voor vakantie en dat is een wezenlijk verschil met een permanent verblijf aldaar. Naar het oordeel van de rechtbank had (beter) moeten worden onderzocht wat de te verwachten effecten daarvan op [minderjarige] zijn, gelet op zijn verleden. Ook verschillen partijen van mening in hoeverre [minderjarige] in staat is om met behulp van Engelstalige begeleiding de [buitenlandse taal] taal te leren en op die manier onderwijs in [buitenland] te gaan volgen, zonder studievertraging op te lopen. Ook dit had op zijn minst behoren te worden onderzocht, althans het had op de weg van vader gelegen om zijn stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Bij een goede voorbereiding van een dergelijke ingrijpende verhuizing, hoort dat vader ervoor zou hebben gezorgd dat [minderjarige] inmiddels voldoende basiskennis van de (Engelse en) [buitenlandse taal] taal zou hebben om te kunnen instromen op het middelbaar onderwijs in [buitenland] . Dit geldt te meer nu vader daar al twee jaar woont en [minderjarige] veelvuldig, langere periodes, bij hem verblijft en ook de wens van vader om [minderjarige] bij hem te laten wonen niet nieuw is.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de verhuizing door vader onvoldoende is voorbereid.

4.10.

In de belangenafweging betrekt de rechtbank verder dat vader een ruime contactregeling heeft aangeboden, dat hij bereid is een groot deel van de reiskosten op zich te nemen en dat de communicatie tussen partijen slecht is. Deze omstandigheden wegen naar het oordeel echter minder zwaar dan hetgeen hiervoor is weergegeven, nu vader al in [buitenland] woonachtig is en er ook nu een ruime contactregeling loopt die door partijen naar behoren wordt nagekomen.

4.11.

Voor de rechtbank weegt ten aanzien van het verzoek van vader het zwaarst dat er niet is gebleken van een noodzaak voor de verhuizing, dat [minderjarige] zich bij moeder in positieve zin heeft ontwikkeld en dat de verhuizing door vader in onvoldoende mate is voorbereid. Gelet daarop en al hetgeen hiervoor verder is overwogen, in onderlinge samenhang bezien en daarbij de besproken belangen afwegend, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van vader betreffende de verhuizing van [minderjarige] naar [buitenland] dient te worden afgewezen.

[Nederland]

4.12.

Ten aanzien van het verzoek van moeder om met [minderjarige] naar [Nederland] te mogen verhuizen en hem daar op school in te schrijven, overweegt de rechtbank als volgt.

Voor deze verhuizing bestaat naar het oordeel van de rechtbank wel een noodzaak. Moeder heeft er namelijk recht op en belang bij een nieuw leven op te bouwen met haar partner. Door vader is ook niet weersproken dat de partner van moeder is gebonden aan [Nederland] , vanwege een soort van co-ouderschapsregeling die hij heeft ten aanzien van zijn dertienjarige dochter. Moeder heeft al anderhalf jaar een relatie met haar partner, zodat de rechtbank vader niet kan volgen in zijn stelling dat de relatie mogelijk niet voldoende bestendig zou zijn. Van belang is verder dat de verhuizing naar het oordeel van de rechtbank goed is voorbereid. Er is namelijk gezocht naar een school die voldoet aan het advies van de basisschool van [minderjarige] en die school is ook gevonden. Bovendien is [minderjarige] al voor een kennismaking bij die school geweest en daarover was hij positief gestemd. Hoewel een verhuizing naar [Nederland] zal betekenen dat [minderjarige] uit zijn vertrouwde omgeving moet vertrekken naar de grote stad, lijkt hij daar wel op te zijn voorbereid. [minderjarige] heeft namelijk zelf aangegeven dat hij ervan uit gaat dat hij óf naar [buitenland] óf naar [Nederland] zal verhuizen. De overgang van [plaats] naar [Nederland] is weliswaar ook groot, maar minder groot dan een verhuizing naar [buitenland] met een andere cultuur en taal. De rechtbank gaat ervan uit dat moeder alles in het werk zal stellen om dit goed te laten verlopen, [minderjarige] zal voorbereiden op en begeleiden bij wat er komen gaat en dat zij, waar nodig, hulp voor [minderjarige] zal inschakelen.

Voor de belangenafweging is verder belangrijk dat deze verhuizing niets verandert aan de contactregeling tussen [minderjarige] en zijn vader en dit ook niet leidt tot extra reiskosten. De rechtbank gaat er ook vanuit dat moeder zich zal blijven inspannen om waar mogelijk de contactregeling nog verder te verruimen.

Hoewel de communicatie tussen ouders niet goed is en moet verbeteren, weegt ook dit aspect bij de beoordeling in mindere mate mee. Dit nu vader al in [buitenland] woont en moeder ‘slechts’ binnen Nederland zal verhuizen.

Gelet op het voorgaande, zal het verzoek van moeder met betrekking tot de verhuizing en om die reden ook het verzoek betreffende de inschrijving op school worden toegewezen.

4.13.

De rechtbank spreekt nog de hoop uit dat ouders door deze beslissing rust vinden en [minderjarige] de rust gunnen zich verder te ontwikkelen naar volwassenheid. [minderjarige] mag daarbij van hen verwachten dat zij zich in zijn belang zullen inzetten om het onderlinge contact op een voor [minderjarige] zo prettig mogelijke wijze vorm te gaan geven. In het bijzonder hoopt de rechtbank dat ouders een weg vinden de deur naar elkaar weer op een kier te zetten en met elkaar als volwaardige ouders uitvoering geven aan het ouderschap. Het kan niet langer zo zijn dat zij de deur voor elkaar dichtgooien, zowel letterlijk als figuurlijk en dat het contact direct wordt verbroken, wanneer de een iets zegt waar de ander het niet mee eens is. Dit moet veranderen.

4.14.

De rechtbank zal de proceskosten compenseren als hierna te melden.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verleent, ter vervanging van de toestemming van de vader, aan de moeder toestemming om met [minderjarige] te verhuizen naar [Nederland] ;

5.2.

verleent, ter vervanging van de toestemming van de vader, aan de moeder toestemming om [minderjarige] in te schrijven bij de [school]

5.3.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af

5.5.

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.I.B.M. Buljevic, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 19 augustus 2019.

Conc: DvdV

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.