Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4831

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2019
Datum publicatie
19-08-2019
Zaaknummer
SHE 19/504, 19/505, 18/481
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking onherroepelijke bouw- en milieuvergunning voor inrichting nabij Kampina.

B&W van Oirschot hadden de omgevingsvergunningen milieu en bouwen voor een grote stal nabij de Campina ingetrokken omdat er geen gebruik was gemaakt van de vergunningen. De veehouder is het hier niet mee eens en heeft beroep aangetekend. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBOBR:2018:5237) heeft B&W de verzoeken om intrekking afgewezen.

In deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat B&W onvoldoende heeft gemotiveerd wat de gevolgen zijn van de wijzigingen in het geldende planologische regime en op milieukundig gebied. Het financiële belang van vergunninghoudster, op zich zelf bezien, vormt geen reden is om af te zien van intrekking van de vergunningen. Vergunninghoudster kan niet worden verweten dat zij heeft gewacht op de uitkomst van een overleg over verplaatsing. Vergunninghoudster kan wel worden verweten dat zij realisatie van de projectlocatie af heeft laten hangen van de uitkomst van de vergunningprocedures rond haar andere bedrijven. B&W moet een nieuw besluit gaan nemen over de intrekking. Dat mag B&W pas doen als GS een besluit heeft genomen over de intrekking van de natuurvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 19/504 en SHE 19/505 en SHE 18/481

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 augustus 2019 in de zaak tussen

[bedrijf] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres 1,

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, te Oisterwijk,

Stichting Brabantse Milieufederatie, te Tilburg,

eisers 2,

(gemachtigde: mr. J.E. Dijk)

[naam] , te [vestigingsplaats] ,

[naam] en [naam], te [vestigingsplaats] ,

[naam] , te [vestigingsplaats] ,

New Value Development B.V. i.o. te Oirschot,

eisers 3,

(gemachtigde: mr. I.M.C. van Leeuwen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot, verweerder

(gemachtigden: mr. A.H.G. Knops, ing. Y.A.W. Hommel-Sprengers, J. van den Borne, ing. F.T. Büchel-van Steenbergen en W. van Hout).

Eiseres 1 en eisers 2 en 3 hebben over en weer als derde-belanghebbende deelgenomen aan de procedure.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder, op verzoek van eisers 2 en 3, de op 13 juli 2010 en 13 november 2012 aan eiseres 1 verleende bouwvergunning eerste en tweede fase en de op 3 juli 2012 aan eiseres 1 verleende milieuvergunning voor de varkenshouderij aan de [adres] (de projectlocatie) ingetrokken.

Eiseres 1 heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 5 april 2018 (zaaknummer SHE 18/571) heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit geschorst tot de uitspraak op beroep.

De zaak is behandeld op 13 september 2018, gelijktijdig met de zaken SHE 19/899 SHE 18/1693, SHE 18/1695 en SHE 18/1712. Namens eiseres 1 zijn [naam] en de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Eisers 2 en 3 zijn verschenen samen met hun gemachtigden.

Bij tussenuitspraak van 26 oktober 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:5237), verder: de tussenuitspraak, heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak.

Bij besluit van 11 december 2018 (verder: het herstelbesluit) heeft verweerder een nieuw besluit genomen op het verzoek tot intrekking van de aan [bedrijf] B.V. verleende omgevingsvergunningen. Verweerder heeft het bestreden besluit ingetrokken en besloten de verzoeken om intrekking van eisers 2 en 3 af te wijzen

Eisers 2 en 3 hebben tegen het herstelbesluit beroep ingesteld. De beroepen zijn geregistreerd onder zaaknummers SHE 19/504 en SHE 19/505.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van de zaken is voortgezet op 14 juni 2019, gelijktijdig met de behandeling van de procedures SHE 19/899, SHE 18/1693, SHE 18/1695 en SHE 18/1712. Eisers zijn verschenen alsmede hun gemachtigden. [naam] en [naam] zijn mede namens de maatschap verschenen, [naam] is mede namens New Value Development B.V. i.o verschenen en [naam] is verschenen namens eiseres 1). [naam] is verschenen namens BMF. [naam] en [naam] zijn verschenen namens Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. De rechtbank verwijst ook naar het feitenoverzicht in die uitspraak. De rechtbank vult dit overzicht nog aan met de volgende feiten:

- Op 19 december 2013 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (GS) aan eiseres 1 een vergunning verleend op grond van artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingwet 1998 (natuurvergunning). Deze natuurvergunning is onherroepelijk. In de natuurvergunning heeft verweerder een stikstofdepositie vergund van 5,62 mol/N/ha/jr op het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’.

- Eisers 3 hebben GS verzocht deze natuurvergunning in te trekken. Op 27 juli 2018 heeft GS dit verzoek geweigerd. Op 14 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar van eisers 3 tegen deze weigering ongegrond verklaard. Eisers 3 hebben hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 19/899. Heden heeft de rechtbank uitspraak gedaan op dit beroep.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder bevoegd was om de omgevingsvergunningen in te trekken, omdat de termijn in artikel 2:33 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is verstreken. Verweerder heeft bij het gebruik van deze bevoegdheid niet kunnen volstaan met een verwijzing naar zijn beleid. De rechtbank heeft de volgende aanwijzingen voor het herstel van het gebrek gegeven:

- verweerder moest een opsomming geven van de veranderingen en /of gewijzigde inzichten na de verlening van de omgevingsvergunningen voor het bedrijf, de bedrijfslocatie en de omgeving op ruimtelijk, milieurechtelijk en natuurrechtelijk gebied. Hierbij moest verweerder de wijzigingsvergunning van 30 mei 2018 betrekken. Verweerder is verzocht precies aan te geven of (en zo ja, welke) planologische wijzigingen hadden plaatsgevonden.

- Verweerder moest een nieuwe belangenafweging maken en hierbij ook de belangen van eiseres betrekken. Verweerder moest hierbij ook aandacht schenken aan de financiële belangen van eiseres.

3. Op verzoek van de rechtbank heeft eiseres 1 een volledig overzicht gegeven van de geschiedenis van haar bedrijven, hoe deze met elkaar verweven zijn of op elkaar zijn afgestemd en hoe de bedrijfsstructuur zich heeft ontwikkeld in de afgelopen jaren. Ook heeft eiseres haar overige financiële belangen geschetst.

4. Vervolgens heeft verweerder het herstelbesluit genomen. Hierbij heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken.

5. De rechtbank is van oordeel dat het herstelbesluit een besluit is in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het herstelbesluit wordt geheel tegemoet gekomen aan het beroep van eiseres 1. Eisers 3 hebben destijds zienswijzen ingediend met betrekking tot het ontwerp van het bestreden besluit. Eisers 2, met uitzondering van New Value Development, hebben dit ook gedaan. Het herstelbesluit is nadelig voor hen omdat nu hun verzoek is afgewezen. Van rechtswege (automatisch) is het beroep van eisers 2 (met uitzondering van New Value Development B.V. i.o.) en 3 daarom ook gericht tegen het herstelbesluit. Zij hebben overigens ook apart beroep ingesteld. Deze beroepen worden hieronder behandeld.

6. Verweerder is van mening dat New Value Development B.V. i.o. geen rechtstreeks betrokken belang heeft bij het bestreden besluit. De betreffende rechtspersoon is nog steeds niet opgericht. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5686) is de hoedanigheid van belanghebbende in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb niet voorbehouden aan natuurlijke personen en rechtspersonen, maar kunnen ook andere entiteiten als belanghebbende worden aangemerkt. Gelet op de woorden 'degene wiens', opgenomen in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt aan deze andere entiteiten de eis gesteld dat zij herkenbaar zijn in het rechtsverkeer. Gesteld dat de rechtshandeling van het instellen van het beroep wordt bekrachtigd door de besloten vennootschap, heeft deze vennootschap een rechtstreeks betrokken belang, omdat de plek waar deze vennootschap is gevestigd en (kennelijk) kantoor houdt, ligt in de nabijheid van de projectlocatie. Dit is zo dichtbij dat niet kan worden uitgesloten dat de mensen die werkzaam zijn op het kantoor gevolgen van enige betekenis ondervinden als de vergunningen worden gebruikt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding het beroep van eisers 2, voor zover dit is ingesteld namens New Value Development B.V. i.o. niet‑ontvankelijk te verklaren.

7.1

In het herstelbesluit heeft verweerder (kort samengevat) overwogen dat er in het ruimtelijke spoor, het milieukundig spoor en het natuurkundig spoor in de afgelopen jaren niet zodanig wijzigingen hebben plaatsgevonden dat deze noodzaken tot intrekking van de verleende bouw- en milieuvergunningen voor de projectlocatie. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat de financiële positie van eiseres 1 een aanvullende reden is om de betrokken vergunningen niet in te trekken.

7.2

Eisers 2 en 3 zijn het niet eens met de motivering van verweerder in de afzonderlijke afwegingskaders. In deze uitspraak worden hun stellingen per afwegingskader behandeld, gevolgd door een beoordeling daarvan door de rechtbank. Eerst wordt ingegaan op enkele algemene beroepsgronden van eisers 2 en 3, daarna komen de andere beroepsgronden aan de orde. De relevante regelgeving staat in een bijlage bij deze uitspraak.

Algemene beroepsgrond

8.1

Eisers 2 en 3 wijzen op het beleid van verweerder om niet gebruikte omgevingsvergunningen in te trekken. Zij stellen dat ook toepassing wordt gegeven aan dit beleid, omdat er al 9 omgevingsvergunningen zijn ingetrokken, ondanks bezwaren van vergunninghouders.

8.2

De rechtbank verwijst in reactie op deze beroepsgrond naar de rechtsoverweging 5.2 van de tussenuitspraak. Verweerder kon ter motivering van het bestreden besluit niet volstaan met een verwijzing naar zijn eigen beleid. Dat beleid is een algemeen beleid waarin de omstandigheden van het geval onvoldoende naar voren komen. De rechtbank ziet in hetgeen eisers naar voren hebben gebracht geen aanleiding om terug te komen op dit oordeel.

Ruimtelijk spoor

9.1

Verweerder heeft zich in het herstelbesluit beperkt tot de opmerking dat er overleg is over de ontwikkeling van het gebied waar de projectlocatie ligt. Er loopt een gebiedsontwikkelingstraject, maar er is nog geen ontwikkelingsvisie. Er is nog geen aanleiding voor een voorbereidingsbesluit of voor terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan. In het verweerschrift merkt verweerder wel op dat hij de ontwikkeling van het bedrijf op de projectlocatie ongewenst acht. De stalderingseis houdt de ontwikkeling van het bedrijf op de projectlocatie niet tegen. Overigens noemt verweerder onder het kopje ‘milieukundig spoor’ de nieuwe regels van de Verordening Ruimte Noord-Brabant (VrNB) en de daarin opgenomen stalderingseis.

9.2

Eisers 2 en 3 merken op dat verweerder ondanks het ontbreken van een ontwikkelingsvisie liever niet wil dat van de verleende bouw- en milieuvergunningen gebruik wordt gemaakt. Zij wijzen op enkele planologisch relevante wijzigingen na de verlening van de bouwvergunningen. Zo heeft verweerder op 21 april 2015 het urgentiegebied Nieuwedijk aangewezen waarbinnen de projectlocatie ligt. In dit urgentiegebied zijn reeds verschillende omgevingsvergunningen ingetrokken om de belasting voor natuur en omgeving te verminderen. Verder is er een correctieve herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" dat op 21 november 2017 is vastgesteld. Als gevolg daarvan is de ontwikkeling op de locatie niet meer mogelijk wanneer de stikstofdepositie toeneemt (planregels artikel 4, lid 4.4.1, onder o). Ook wijzen eisers 2 en 3 op de verplichting in de VrNB ten aanzien van staldering binnen zogenoemde stalderingsgebieden (artikel 26 en artikel 35 VrNB). Staldering leidt tot een afname van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied omdat depositie veroorzakende stallen moeten worden gesloopt.

9.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het herstelbesluit heeft verzuimd om de relevante planologische wijzigingen op te sommen. In zoverre heeft verweerder niet voldaan aan de tussenuitspraak.

9.4

De rechtbank is van oordeel dat de aanwijzing als urgentiegebied verweerder niet noodzakelijkerwijs verplicht om de verleende bouwvergunning in te trekken. Deze aanwijzing als urgentiegebied vormt geen onderdeel van het toetsingskader voor bouwvergunningen (het huidige artikel 2.10, eerste lid van de Wabo). Dit is pas anders als daadwerkelijk een nieuwe planologisch regime wordt voorbereid en een voorbereidingsbesluit wordt genomen om te voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van bestaande ongewenste planologische mogelijkheden. Omdat verweerder nog niet klaar is met het traject van gebiedsontwikkeling en, zo begrijpt de rechtbank, nog niet zo ver is met de voorbereiding van een nieuw planologisch regime, heeft verweerder in de enkele aanwijzing als urgentiegebied nog geen aanleiding hoeven zien om de bouwvergunning in te trekken.

9.5

In het bestemmingsplan "Buitengebied correctieve herziening heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Buitengebied Fase II 2013” gewijzigd. Hierbij lijkt de gemeenteraad gevolg te willen geven aan een aantal artikelen in de VrNB. De correctieve herziening beoogt te voorzien, kort samengevat, in een planologische vastlegging van artikel 6.3 en 7.3 van de VrNB (waarin onder andere regels worden gesteld over een zorgvuldige veehouderij, cumulatieve geurhinder en achtergrondconcentratie fijn stof) en artikel 26 van de VrNB (staldering). De rechtbank stelt vast dat verweerder weliswaar de VrNB terloops noemt, maar daarna volstrekt in het midden laat of onder het huidige planologische regime een omgevingsvergunning voor het bouwen van de inrichting zou worden verleend. Het bestemmingsplan “Buitengebied Fase II 2013” was niet eens het bestemmingsplan dat gold bij de verlening van de bouwvergunning eerste fase. Met andere woorden, er hebben twee forse planologische wijzigingen plaatsgevonden, maar verweerder heeft niet in kaart gebracht wat deze wijzigingen zijn en wat de gevolgen van deze wijzigingen zijn. Verweerder merkt slechts op dat hij de ontwikkeling van het bedrijf op de projectlocatie ongewenst acht, maar de rechtbank kan niet beoordelen of dit betekent dat verweerder de omgevingsvergunning voor het bouwen van het bedrijf onder het huidige planologische regime zou verlenen. Het herstelbesluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft volstaan met de opmerking dat eiseres 1 verworven rechten heeft. Dat mag zo zijn, maar dit laat onverlet dat eiseres 1 geen gebruik heeft gemaakt van die rechten. Door het verloop van de tijd is de bevoegdheid ontstaan om de bouwvergunning in te trekken. Het verlies van een verworven recht is, op zich zelf bezien, geen aanleiding om geen gebruik te maken van de intrekkingsbevoegdheid op grond van artikel 2:33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo, anders had de wetgever deze intrekkingsbevoegdheid niet op hoeven nemen in de Wabo. Verweerder heeft verzuimd de gewijzigde planologische inzichten op een rij te zetten, om deze vervolgens te betrekken bij de belangenafweging omtrent gebruik van de bouwvergunning.

9.6

Verweerder merkt volgens de rechtbank wel terecht op dat de stalderingseis de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van het bedrijf op de projectlocatie niet in de weg staat. Als eiseres 1 zou moeten stalderen, kan zij hiertoe verzoeken om afgifte van een stalderingsbewijs. Hiertoe dient het gebruik van een ander hokdierverblijf binnen het stalderingsgebied voor het houden van dieren juridisch en feitelijk te zijn beëindigd. Het stalderingsgebied waar Oirschot in ligt, omvat echter ook de andere Kempengemeenten en het zou eiseres 1 vrij staan om te stalderen met stallen op een veel grotere afstand van het Natura 2000-gebied. De rechtbank is in zoverre van oordeel dat verweerder in het opnemen van de stalderingseis in het geldende bestemmingsplan geen aanleiding heeft hoeven zien om de bouwvergunning in te trekken.

9.7

De rechtbank concludeert dat verweerder in het herstelbesluit onvoldoende heeft onderzocht of de geldende planologische inzichten, in het bijzonder het opnemen van artikelen 6.3 en 7.3 van de VrNB in de bouwvoorschriften voor toename van de oppervlakte van dierenverblijven (artikel 4.3.2 van de planregels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied correctieve herziening’ en het gebruiksverbod inhoudende een toename van stikstofdepositie in artikel 4.4.1, onder o, van de betrokken planregels) aanleiding zouden moeten zijn om gebruik te maken van zijn intrekkingsbevoegdheid. Deze beroepsgrond van eisers 2 en 3 slaagt.

Milieukundig spoor

10.1

Volgens verweerder zijn er weliswaar relevante wijzigingen op milieukundig gebied, zoals bijvoorbeeld de gewijzigde emissiefactoren voor het toepassen van combiluchtwassers, maar hebben deze geen doorslaggevende rol bij de belangenafweging gespeeld, omdat eiseres 1 volgens verweerder door enkele relatief eenvoudige en ondergeschikte aanpassingen alsnog aan de normen kan voldoen.

10.2

Eisers 2 en 3 klagen dat verweerder niet heeft onderbouwd met welke kleine aanpassingen zou kunnen worden voldaan aan het gemeentelijke geurbeleid. Eisers benadrukken dat de milieuvergunning voorziet in het gebruik van combiluchtwassers waarvoor lagere geuremissiefactoren in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) zijn vastgesteld.

10.3

De rechtbank mist in het herstelbesluit een overzicht van de relevante wijzigingen op milieugebied na de verlening van de milieuvergunning in 2012. Zo moet de rechtbank maar gissen of het gemeentelijke geurbeleid nadien is aangepast en of verweerder gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) om andere normen op te nemen dan de wettelijke normen in artikel 3 van de Wgv. Eisers wijzen terecht op de wijziging van de Rgv per 20 juli 2018 en voeren eveneens terecht aan dat verweerder heeft nagelaten om te onderzoeken of de gewijzigde emissiefactoren voor combiluchtwassers leiden tot een geurimmissie op een geurgevoelig object die hoger is dan op basis van artikel 3 of op basis van artikel 6 van de Wgv is toegelaten en of deze geurimmissie hoger is dan de immissie die is toegelaten op basis van de milieuvergunning die gold voor verlening van de milieuvergunning uit 2012 (een milieuvergunning van 8 mei 2001). Verweerder veronderstelt weliswaar dat met enkele kleine aanpassingen wel aan de normen in artikel 3 en op basis van 6 van de Wgv kan worden voldaan, maar maakt niet inzichtelijk welke aanpassingen dit zijn. Bovendien leidt de rechtbank uit verweerders veronderstelling af dat verweerder er zelf kennelijk ook niet van is overtuigd dat de milieuvergunning uit 2012 op dit moment voldoende bescherming voor het milieu biedt, gelet op de noodzaak voor aanpassingen van deze milieuvergunning. In het midden kan blijven of de omgevingsvergunning voor het wijzigen van de inrichting kan worden verleend met toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Wgv. Aanpassingen aan de installaties van de inrichting kunnen ook andere milieugevolgen hebben. Verweerder had dit in het bestreden besluit beter moeten motiveren. Deze beroepsgrond slaagt.

Natuurspoor

11.1

Verweerder heeft in het herstelbesluit aangegeven dat zij niet bevoegd is om de in 2013 verleende natuurvergunning in te trekken. Verweerder heeft de uitkomst van het verzoek om intrekking van eisers 3 naar eigen zeggen wel betrokken in de belangenafweging en op de zitting aangegeven dat intrekking van de natuurvergunning wel aanleiding zou kunnen zijn voor een andere uitkomst van die belangenafweging.

11.2

Eisers 3 benadrukken dat uitvoering van de natuurvergunning zal leiden tot een toename van de depositie van ammoniak en stikstof op het Natura 2000- gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Het belang van (het voorkomen van) schade op dit natuurgebied wordt volgens eisers onvoldoende meegenomen.

11.3

De rechtbank stelt voorop dat niet verweerder, maar GS, bevoegd is de natuurvergunning in te trekken. Verweerder kan niet zelf beoordelen of de natuurvergunning zou moeten worden ingetrokken. Het Natura 2000-gebied heeft geen rol gespeeld bij de verlening van de bouwvergunning en heeft slechts een indirecte rol gespeeld bij de verlening van de milieuvergunning. Bij deze milieuvergunning is ook beoordeeld of een milieueffectrapportage moest worden gemaakt. Dat wil niet zeggen dat verweerder de ogen helemaal kan sluiten voor de gevolgen van uitvoering van de natuurvergunning op nabijgelegen Natura 2000-gebieden door middel van het benutten van de bouw- en milieuvergunningen. De door eisers geschetste gevolgen kunnen zich slechts voordoen als van de bouw- en milieuvergunningen gebruik wordt gemaakt. En andersom geldt dat van de milieuvergunning slechts gebruik kan worden gemaakt als de natuurvergunning niet wordt ingetrokken. Verweerder heeft zijn beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied echter wel kunnen beperken tot een verwijzing naar de procedure omtrent intrekking van deze natuurvergunning. Omdat ten tijde van het herstelbesluit het verzoek om intrekking van de natuurvergunning was afgewezen, mocht verweerder hier van uitgaan ten tijde van het herstelbesluit.

Tussenconclusie

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het herstelbesluit onvoldoende heeft gemotiveerd wat de gevolgen zijn van de wijzigingen in het geldende planologische regime en op milieukundig gebied. Het herstelbesluit zal daarom worden vernietigd.

13. In het verweerschrift heeft verweerder aanvullende argumenten gegeven. Verweerder stelt zich pas in het verweerschrift op het standpunt dat het grote financiële belang aan de zijde van eiseres 1 ook een rol speelt. Verder vindt verweerder dat het niet tijdig gebruik maken van de vergunningen niet aan eiseres 1 kan worden toegerekend. Ook benadrukt verweerder nogmaals dat eiseres 1 wel rechten heeft verworven.

14. De vraag is of deze argumenten aanleiding vormen om de rechtsgevolgen van de vernietiging van het herstelbesluit in stand te laten. De rechtbank beoordeelt dit op basis van de nu geldende omstandigheden. Een van die omstandigheden is dat de rechtbank in de uitspraak van heden de beslissing van GS op het bezwaarschrift tegen de weigering om de natuurvergunning in te trekken (procedure SHE 19/899), vernietigt. In dezelfde uitspraak wordt ook de voorlopige voorziening getroffen dat het primaire besluit wordt geschorst en wordt het gebruik maken van deze vergunning verboden. Dat betekent in deze zaak dat verweerder er niet zonder meer van uit mag gaan dat de natuurvergunning uit 2013 in stand blijft en dat het project kan worden uitgevoerd. Deze onzekerheid moet verweerder dus nu wel betrekken in de belangenafweging, temeer omdat verweerder dit in het herstelbesluit al heeft onderkend en ter zitting heeft aangegeven dat intrekking van de natuurvergunning een argument kan zijn om ook de bouw- en de milieuvergunningen in te trekken. Deze onzekerheid heeft verweerder niet kunnen onderkennen, omdat zij de uitspraak van heden niet heeft kunnen voorspellen. Omdat verweerder het mogelijke intrekken van de natuurvergunning niet heeft betrokken in de belangenafweging in het verweerschrift, kan de rechtbank niet bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde herstelbesluit in stand blijven. Volledigheidshalve zal de rechtbank wel ingaan op de overige argumenten van verweerder.

15.1

Verweerder wijst in het verweerschrift op het grote financiële belang aan de zijde van eiseres 1. ABAB Agro Advies BV heeft op 18 december 2018 advies uitgebracht op verzoek van verweerder en het totale financiële belang van (het in werking hebben van) de projectlocatie berekend op een bedrag van € 545.300,- per jaar.

15.2

In opdracht van eiseres 1 heeft DLV Advies een deskundigenbericht opgesteld waarin de financiële belangen van eiseres 1 bij realisering van het project worden uiteengezet. Uit dit deskundigenbericht komt naar voren dat er sprake is van een verwevenheid tussen de drie verschillende locaties waar eiseres 1 haar bedrijven heeft. De onderneming op de locatie [adres] produceert ongeveer 100.000 biggen per jaar, die op de projectlocatie (jaarlijks) worden opgefokt. In dit advies komt naar voren dat met het kunnen opfokken van biggen op de projectlocatie een financieel resultaat van € 539.000,- per jaar kan worden behaald. Op dit moment kan eiseres 1 nog geen gebruik maken van de projectlocatie en huurt eiseres 1 stallen van derden voor de opfok van biggen. Na 2020 wordt dit lastiger, omdat dit bedrijven zijn die waarschijnlijk gebruik gaan maken van de zogenoemde stoppersregeling. Het gebruik van meerdere stallen betekent ook meer vervoersbewegingen en meer risico’s voor de gezondheid en het welzijn van de dieren.

15.3

Eisers 2 en 3 missen een afweging van het financiële belang in het herstelbesluit. Zij wijzen er wel op dat ook kosten moeten worden gemaakt om de projectlocatie te realiseren.

15.4

De adviezen van DLV en ABA Agro zijn inhoudelijk niet echt bestreden. De rechtbank gaat er vanuit dat, als de projectlocatie is gerealiseerd en in werking is, inderdaad het beschreven resultaat kan worden behaald. Hierbij zullen wel de kosten in mindering moeten worden gebracht om de stallen op de projectlocatie te bouwen. Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat dit resultaat slechts kan worden behaald door de manier waarop eiseres 1 haar bedrijfsvoering heeft ingericht over drie bedrijven. Het financiële belang moet daarom ook worden gerelativeerd. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat het financiële belang van eiseres 1, op zich zelf bezien, geen reden is om af te zien van intrekking van de vergunningen. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 6 van de tussenuitspraak. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat nog niet duidelijk in kaart is gebracht hoe de bedrijven van eiseres 1 op dit moment in werking zijn en of in de toekomst gebruik kan worden gemaakt van huurstallen om een soortgelijk resultaat te behalen.

16.1

Verweerder is verder van mening dat eiseres 1 niet kan worden toegerekend dat tot op heden geen gebruik is gemaakt van de bouw- en milieuvergunningen. Verweerder beseft dat de samenhang tussen de bedrijven op zichzelf niet een belang is waarop de intrekkingsbevoegdheid van de Wabo ziet, aangezien de Wabo ziet op inrichtingen die zijn gevestigd op één plaats. Toch is verweerder van mening dat deze samenhang, gelet op de financiële consequenties ervan, in de belangenafweging een rol speelt daar waar het gaat om de vraag of in redelijkheid van de intrekkingsbevoegdheid gebruik gemaakt mag worden. Verweerder neemt daarbij wel in aanmerking dat, zodra eiseres 1 een toereikende omgevingsvergunning had voor (de bedrijfsvoering op) de bedrijven in Boxtel, zij op 2 maart 2016 een aanmeldnotitie heeft ingediend voor een wijziging van de bedrijfsvoering op de projectlocatie. Op dat moment was nog geen drie jaar verstreken na het onherroepelijk worden van de milieuvergunning. Bovendien heeft eiseres 1 direct na het besluit van verweerder op de aanmeldnotitie een aanvraag ingediend voor wijziging van de werking van de inrichting.

16.2

Eiseres 1 heeft benadrukt dat de bedrijfsvoering van de drie bedrijven op elkaar moet worden afgestemd en nauw is verweven. Het is pas zinvol om de projectlocatie te realiseren als de vergunningen en de bedrijfsvoering van de overige bedrijven op de projectlocatie is afgestemd. Eiseres 1 heeft een beschrijving van dit proces van afstemming gegeven. Overigens is dit proces nagenoeg afgerond. Eiseres 1 heeft verder aangegeven dat zij heeft deelgenomen aan overleggen over verplaatsing van de projectlocatie. Deze overleggen hebben tot niets geleid, maar dat lag niet aan eiseres 1.

16.3

Eisers 2 en 3 zijn van mening dat het niet gebruiken van de verleende bouw- en milieuvergunningen eiseres 1 wel degelijk kan worden toegerekend. De verleende bouw- en milieuvergunningen waren in werking in 2013. Zij kunnen uit de beschrijving van eiseres 1 niet opmaken dat de procedures voor de andere bedrijven zoveel tijd in beslag hebben genomen.

16.4

De rechtbank is van oordeel dat eiseres 1 niet kan worden tegengeworpen dat zij heeft gewacht totdat de bouw- en milieuvergunningen onherroepelijk waren. Evenmin kan eiseres 1 worden tegengeworpen dat zij niet heeft gebouwd in een periode dat overleg gaande was over een eventuele verplaatsing van de projectlocatie. Dat neemt echter niet weg dat eiseres 1 wel kan worden verweten dat zij realisatie van de projectlocatie af heeft laten hangen van de uitkomst van de vergunningprocedures rond haar andere bedrijven. Eiseres 1 maakt zelf de keuze voor inrichting van haar bedrijfsvoering over meerdere bedrijven. De gevolgen van deze keuze komen voor haar risico. Tot deze gevolgen behoort ook het enkele verstrijken van de termijn van drie jaren en het ontstaan van de bevoegdheid van verweerder om een verleende onherroepelijke omgevingsvergunning in te trekken. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank al overwogen dat de door eiseres 1 gevoelde noodzaak voor afstemming van de omgevingsvergunningen op de diverse bedrijfslocaties geen reden hoeft te zijn om de omgevingsvergunningen voor het bedrijf aan de Logtsebaan niet in te trekken. De rechtbank is in het verlengde hiervan ook van oordeel dat verweerder een te zwaar belang heeft gehecht aan de in het verleden verkregen rechten van eiseres 1. Doordat eiseres 1 ervoor kiest om van deze rechten geen gebruik te maken, riskeert zij dat ze deze rechten kwijtraakt als verweerder gebruik maakt van zijn intrekkingsbevoegdheid. Het tijdsverloop als gevolg van de gevoelde noodzaak voor afstemming van de omgevingsvergunningen op de diverse locaties kan eiseres 1 worden toegerekend.

17.1De rechtbank concludeert dat de belangenafweging van verweerder in het verweerschrift geen aanleiding geeft om de rechtsgevolgen in stand te laten. Aan deze belangenafweging kleven meerdere gebreken.

Conclusie

18.1

Als gevolg van de vernietiging van het herstelbesluit, herleeft het bestreden besluit (ook de intrekking van het bestreden besluit komt te vervallen). Gelet op de tussenuitspraak vernietigt de rechtbank volledigheidshalve ook het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op een nieuwe belangenafweging te maken met inachtneming van deze uitspraak en, kort samengevat, een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eisers 2 en 3. De rechtbank geeft hierbij wel enkele aanwijzingen:

  • -

    Verweerder mag pas een nieuw besluit nemen als GS een nieuw besluit hebben genomen op het bezwaarschrift tegen de weigering om de natuurvergunning in te trekken en zal het besluit van GS bij de te maken belangenafweging moeten betrekken, temeer omdat verweerder zelf heeft aangegeven dat dit een omstandigheid is waar hij rekening mee houdt;

  • -

    Afdeling 3.4 van de Awb kan bij de voorbereiding van het nieuwe besluit buiten toepassing blijven.

18.2

De beroepen van alle eisers zijn gegrond. De rechtbank zal bepalen dat verweerder aan eiseres 1, het betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.536,00 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 512,00, wegingsfactor 1) voor alle eisers afzonderlijk en een bedrag van € 2.654,55 aan eiseres 2 voor de door haar ingeschakelde deskundige.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiseres 1 tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    verklaart het beroep van eisers 2 en 3 tegen het herstelbesluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en het herstelbesluit;

  • -

    draagt verweerder een nieuw besluit te nemen op het verzoek van eisers 2 en 3 met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder dit nieuwe besluit pas mag nemen nadat GS een nieuwe beslissing hebben genomen op het bezwaar tegen de weigering de natuurvergunning in te trekken;

  • -

    bepaalt dat afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing blijft;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,00 aan eiseres 1 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.536,00 afzonderlijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 19 augustus 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

Awb

Artikel 1:2

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2 Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

3 Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2 Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.

3 Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.

4 Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door.

5 De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.

6 Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Wabo

Artikel 2.10

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zij gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.

(…)

Artikel 2.33

Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in, voor zover:

a. de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat vereist;

b. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1. eerste lid, onder e, indien door toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast;

c. dat nodig is ter uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, tweede volzin, onder a, of een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid;

d. de inrichting of het mijnbouwwerk ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 2.31 daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt;

e. deze van rechtswege is verleend, indien deze betrekking heeft op een activiteit die ontoelaatbaar ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft of dreigt te hebben en toepassing van artikel 2.31, eerste lid aanhef en onder c, daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt;

f. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, indien de inrichting een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet milieubeheer of een afvalvoorziening als bedoeld in artikel 1.1. van die wet is: indien de stortplaats of afvalvoorziening krachtens paragraaf 8.2. van die wet voor gesloten is verklaard;

g. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.19, in gevallen die in het betrokken wettelijk voorschrift zijn aangegeven.

2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover,

a. gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

b. de vergunninghouder daarom heeft verzocht;

c. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, indien dit in het belang van de brandveiligheid nodig is met het oog op het voorziene gebruik van het bouwwerk, en het niet mogelijk blijkt door toepassing van artikel 2.31, tweede lid, onder a, dat belang voldoende te beschermen;

d. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, indien:

1. dit in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen nodig is;

2. de inrichting of het mijnbouwwerk geheel of gedeeltelijk is verwoest;

e. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, indien de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd dat het belang van de monumentenzorg zwaarder moet wegen;

f. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder i, op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken algemene maatregel van bestuur;

g. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening;

h. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.19 op de gronden die zijn aangegeven in het betrokken wettelijk voorschrift;

3. Voor zover een verzoek van een vergunninghouder tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, trekt het bevoegd gezag de omgevingsvergunning slecht geheel of gedeeltelijk in, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

Wet geurhinder en veehouderij

Artikel 3

1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;

d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij:

a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.

3. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid of de afstand, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geweigerd indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt.

4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van een of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voorzover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.

Artikel 6

Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 35,0 odour units per kubieke meter lucht;

c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour unit per kubieke meter lucht en niet meer dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht;

d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht en niet meer dan 20,0 odour units per kubieke meter lucht.

2. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat een bij die verordening vast te stellen andere waarde of afstand als bedoeld in artikel 3 of 4 van toepassing is voor geurgevoelige objecten die onderdeel hebben uitgemaakt van een veehouderij.

3. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze:

a. ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 25 meter bedraagt indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde komis gelegen.

4. Bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente voor pelsdieren een andere afstand van toepassing is met dien verstande dat deze ten minste de helft bedraagt van de afstand, bedoeld in artikel 4, tweede lid.

Verordening ruimte Noord- Brabant

6.3

Veehouderijen

  1. . Een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits:

  2. a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;

  3. b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

  4. c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;

  5. d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

  6. e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

  7. f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;

  8. g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

  9. 2. Een bestemmingplan gelegen in groenblauwe mantel bepaalt voor een veehouderij dat:

  10. a. een toename van de oppervlakte van dierenverblijven alleen is toegestaan indien:

I. I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

II. II. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving;

III. III. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

IV. IV. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

V. V. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

b. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

c. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a;

d. mestbewerking alleen is toegestaan ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest.

3. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het tweede lid, sub a, onder I;

4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid onder d kan een bestemmingsplan voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar mits:

a. de locatie goed is ontsloten;

b. de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;

c. in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;

d. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.

5. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan binnen het bouwperceel voorzien in een niet-agrarische functie overeenkomstig artikel 6.10 tot en met artikel 6.13.

7.3

Veehouderijen

  1. . Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits:

  2. a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;

  3. b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

  4. c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;

  5. d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

  6. e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

  7. f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;

  8. g. de toelichting een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

  9. 2. Een bestemmingplan gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt voor een veehouderij dat:

  10. a. een toename van de oppervlakte van de dierenverblijven alleen is toegestaan indien:

I. I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

II. II. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving;

III. III. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

IV. IV. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

V. V. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

b. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

c. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a;

d. mestbewerking alleen is toegestaan ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest.

3. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het tweede lid, sub a, onder I;

4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid onder d kan een bestemmingsplan voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar mits:

a. de locatie goed is ontsloten;

b. de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;

c. in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;

d. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.

5. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan binnen het bouwperceel voorzien in een niet-agrarische functie overeenkomstig artikel 7.10 tot en met artikel 7.15.

26.1

Stalderingsgebied

  1. . In aanvulling op artikel 6.3, eerste lid, en artikel 7.3, eerste lid, (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

  2. a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

  3. b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen;

  4. c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

  5. 2. In aanvulling op artikel 6.3, tweede lid, onder a en artikel 7.3, tweede lid, onder a (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

  6. a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

  7. b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

  8. c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

  9. 3. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.

  10. 4. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder een bestaand dierenverblijf in het eerste en tweede lid verstaan een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.

26.2

Wijziging van de grenzen

Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van de aanduiding 'Stalderingsgebied' wijzigen indien dat nodig is voor een doelmatige uitvoering van de regeling.

35. Veehouderij (rechtstreekse werking)

  1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, gelden de volgende bepalingen:

  2. a. een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij door het oprichten van gebouwen of door het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf is alleen toegestaan indien:

I. I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

II. II. de maatregelen als bedoeld onder I., in ieder geval voldoen aan de nader door Gedeputeerde Staten gestelde regels als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, en artikel 7.3, derde lid;

III. III. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;

IV. IV. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

V. V. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

VI. VI. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief.

2. 2. 2. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 4.10 en artikel 25.1 geldt voor veehouderijen de regel dat geen toename is toegestaan van de oppervlakte van bestaande gebouwen en de oppervlakte van bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behoudens indien er sprake is van een grondgebonden veehouderij als bedoeld in artikel 25.1, tweede lid.

2. 2. 3. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel26.1, tweede lid geldt binnen de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten van een gebouw of het in gebruik nemen van een gebouw voor het houden van hokdieren, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

2. 2. a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

2. 2. b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

2. 2. c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

2. 2. 4. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 4.10, onder c, artikel 6.3, tweede lid, onder b, en artikel 7.3, tweede lid, onder b, geldt voor veehouderijen de regel dat binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.

2. 2. 5. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder onder de bestaande oppervlakte van een dierenverblijf in het eerste lid verstaan de oppervlakte dierenverblijf die:

2. 2. a. op 17 maart 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of

2. 2. b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning.

2. 2. 6. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder de oppervlakte van bestaande gebouwen en bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde in het tweede lid, verstaan de oppervlakte die:

2. 2. a. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of

2. 2. b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning.

2. 2. 7. Voor de toepassing van het derde lid zijn artikel 26.1, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.

bestemmingsplan “Buitengebied correctieve herziening”

4.3.2 Toename oppervlakte dierenverblijven

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde sub 4.2.3 onder a voor het vergroten van de toegestane oppervlakte van dierenverblijven bij een veehouderij, met dien verstande dat:

a. het vergroten van de toegestane oppervlakte van dierenverblijven voor het houden van geiten niet is toegestaan;

b. maatregelen dienen te worden getroffen en in stand dienen te worden gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; er is sprake van een zorgvuldige veehouderij indien wordt voldaan aan de nadere regels die hieromtrent op basis van de Verordening ruimte door Gedeputeerde Staten zijn gesteld, zoals die regels gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag;

c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de omvang van de bebouwing, de effecten vanwege milieuaspecten, de effecten vanwege volksgezondheid en de afwikkeling van het verkeer inpasbaar dient te zijn in de omgeving;

d. aangetoond dient te zijn dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

e. aangetoond dient te zijn dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 μg/m3;

f. een zorgvuldige dialoog dient te zijn gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief;

g. indien sprake is van het vergroten van de toegestane oppervlakte van dierenverblijven bij een hokdierhouderij, deze vergroting uitsluitend is toegestaan indien:

1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming, waarbij geldt dat:

- de bestaande dierenverblijven die zijn gesaneerd dienen te voldoen aan de criteria die in de provinciale Verordening ruimte zijn gesteld aan 'bestaande dierenverblijven', zoals die criteria gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag;

- het gebruik van de bestaande dierenverblijven als dierenverblijf juridisch en feitelijk dient te zijn beëindigd;

2. de oppervlakte van de sanering als bedoeld onder 1 tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte aan dierenverblijf die extra wordt toegestaan;

3. de sanering als bedoeld onder 1 plaatsvindt in directe samenhang met de bouw of vergroting van een dierenverblijf en voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling;

4. door of namens Gedeputeerde Staten is getoetst of aan de voorwaarden onder 1 tot en met 3 is voldaan en het door of namens Gedeputeerde Staten afgegeven bewijs dat aan deze voorwaarden is voldaan wordt overgelegd.

Artikel 4.4.1.

(…)

o. het gebruik van gronden en/of bouwwerken behorende tot het agrarisch bedrijf waarbij een toename van de stikstofdepositie plaatsvindt.

(…)