Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4682

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
18/2597
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/2597

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.T.A. Duijs),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: G.M.M. Diebels).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres over de periode van 28 november 2016 tot en met 28 februari 2018 een bedrag van

€ 21.091,43 bruto te veel aan uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft ontvangen en dit bedrag van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 8 juni 2018 (het primaire besluit II) is verweerder overgegaan tot invordering van het teruggevorderde bedrag.

Bij besluit van 10 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard. Wat betreft het primaire besluit II heeft verweerder vastgesteld dat dat is ingehaald door een nieuw invorderingsbesluit (van 21 juni 2018), waarbij is vastgesteld dat eiseres geen aflossingscapaciteit heeft.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft na het verweerschrift haar beroepschrift aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2019. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich schriftelijk afgemeld voor de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan eiseres is per 9 februari 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Die loongerelateerde WGA-uitkering is vanaf 9 december 2012 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

2. Bij besluit van 17 februari 2016 heeft verweerder naar aanleiding van een herbeoordelingsverzoek van de werkgever vastgesteld dat de WGA-loonaanvullingsuitkering van eiseres ongewijzigd wordt voortgezet (tot 1 maart 2018). Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 27 september 2016 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres per 25 januari 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Om die reden is de WIA-uitkering van eiseres per 28 november 2016 (twee maanden na die beslissing op bezwaar) beëindigd. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank van 21 maart 2018 (zaaknummer 16/3327) is deze beslissing op bezwaar in stand gelaten. Ten tijde van de zitting in deze zaak was nog een hoger beroep lopende bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

3. Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich - kort gezegd - op het standpunt dat sprake is van onverschuldigde betaling. Eiseres heeft met ingang van 28 november 2016 geen recht meer op een WIA-uitkering, wat haar is meegedeeld bij beslissing op bezwaar van 27 september 2016. Na beëindiging van de uitkering heeft eiseres echter helaas nog betalingen ontvangen. Reeds vanwege het feit dat sprake is van onverschuldigde betaling stelt verweerder dat hij tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde totaalbedrag van € 21.091,43 bruto moet overgaan. Er is volgens verweerder geen sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

4. Eiseres voert aan dat verweerder zelf per abuis de WIA-uitkering aan haar heeft doorbetaald. Eiseres heeft zelfs op 1 maart 2018 nog van verweerder een besluit ontvangen dat zij vanaf die datum een WIA-vervolguitkering zou gaan ontvangen. Eiseres had dan ook geen enkele aanleiding om aan te nemen dat zij de WIA-uitkering niet had moeten ontvangen. Verder stelt eiseres dat verweerder in haar psychische klachten ten onrechte geen dringende reden heeft gezien om van terugvordering af te zien. Daarnaast voert eiseres, onder verwijzing naar een door haar overgelegd besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veldhoven van 29 maart 2019, aan dat zij door deze fout van verweerder ook geen IOAW-uitkering (met terugwerkende kracht) meer kan krijgen, zodat zij geen kans heeft gehad inkomen te genereren in de onderhavige periode.

5. In artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is, voor zover hier van belang, bepaald dat een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald of verstrekt door het UWV wordt teruggevorderd. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

6. Niet in geschil is dat verweerder aan eiseres over de periode 28 november 2016 tot en met 28 februari 2018 WIA-uitkering heeft uitbetaald tot een totaalbedrag van € 21.091,43 bruto. Gelet op het besluit van verweerder van 27 september 2016 en de uitspraak van deze rechtbank van 21 maart 2018 staat vooralsnog echter vast dat eiseres vanaf 28 november 2016 geen recht meer had op een WIA-uitkering en zodoende ook geen recht had op het vanaf dat moment betaalde bedrag. Hieruit volgt dat het aan eiseres vanaf die datum betaalde bedrag onverschuldigd aan eiseres is betaald. Dat die doorbetalingen hebben plaatsgevonden door een fout van verweerder, maakt dit niet anders. Gelet op voornoemde bepaling stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat ook niet relevant is of eiseres redelijkerwijs kon weten dat zij geen recht had op de onverschuldigd (door)betaalde uitkering. Omdat verweerder bij onverschuldigd betaalde uitkeringsgelden de wettelijke verplichting heeft om terug te vorderen, is het niet van belang of eiseres zich heeft gerealiseerd dat zij geen recht had op de uitkering. De aanname van eiseres dat zij recht had op de uitkering, is daarom een aanname die voor rekening van eiseres moet blijven.

7. De verwijzing van eiseres naar het besluit van 1 maart 2018 kan haar niet baten. Wat er verder ook zij van (de inhoud van) dit besluit, het dateert van ná de periode waarop de onderhavige terugvordering betrekking heeft en kan om die reden niet de grondslag van de door eiseres gestelde aanname vormen.

8. Gelet op het voorgaande is verweerder terecht over gegaan tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering. Van dringende redenen op grond waarvan verweerder had moeten afzien van terugvordering, is de rechtbank niet gebleken. In dit verband merkt de rechtbank op dat volgens jurisprudentie van de CRvB dringende redenen als bedoeld in artikel 77, zesde lid, van de Wet WIA slechts kunnen zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die de terugvordering heeft en dat het daarbij moet gaan om incidentele gevallen waarbij iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Van een dergelijke situatie is de rechtbank niet gebleken. Daarbij zij opgemerkt dat op zichzelf met de (moeilijke) financiële positie van eiseres rekening kan worden gehouden bij de invordering, wat verweerder overigens ook heeft gedaan. De rechtbank is ook niet gebleken van andere onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering voor eiseres. Dat een terugvordering met deze omvang een psychische impact heeft op eiseres, levert naar het oordeel van de rechtbank geen dringende reden op in vorenbedoelde zin.

9. De stelling van eiseres dat zij door de fout van verweerder geen andere inkomensvoorzieningen heeft kunnen treffen over de betreffende periode, wat daar verder ook van zij, maakt niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Evenmin levert het een dringende reden op, op grond waarvan verweerder van terugvordering had moeten afzien.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Boekhorst, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 13 augustus 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.