Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4567

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2019
Datum publicatie
08-08-2019
Zaaknummer
C/01/347446 / KG ZA 19-342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. geldigheid besluiten, nietigheid c.q. vernietigbaarheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/1038
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/347446 / KG ZA 19-342

Vonnis in kort geding van 6 augustus 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] (België),

2. de besloten vennootschap naar Belgisch recht

OSMANA BVBA,

gevestigd te Kasterlee (België),

eisers,

advocaat mr. S.J.B. Drijber te Velp Gld,

tegen

1. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIE KANTOOR BELLIVO,

gevestigd te Uden,

gedaagde,

vertegenwoordigd door bestuurders [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ,

en

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] (België),

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] (België),

gedaagden,

advocaat mr. M.W. Steenpoorte.

Partijen zullen hierna met hun eigen namen worden aangeduid; eisers respectievelijk gedaagden worden collectief aangeduid met [eisers] respectievelijk STAK c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 13 en 14 juni 2019;

  • -

    de brief van 15 juli 2019 van mr. Drijber met producties 1 tot en met 16;

  • -

    de brief van 19 juli 2019 van mr. Drijber met productie 17;

  • -

    de brief van 19 juli 2019 van mr. Steenpoorte met producties 1 tot en met 34;

  • -

    de mondelinge behandeling van 23 juli 2019 te 9.30 uur;

  • -

    de pleitnota van mr. Drijber namens [eisers]

  • -

    de pleitnota van mr. Steenpoorte namens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De relevante feiten

Voor een goed begrip van de zaak zijn de navolgende feiten van belang.

2.1.

Centraal in het onderhavige geschil staat het Belgische familiebedrijf Sopraco. Dit bedrijf is opgebouwd door [naam echtgenoot] , zijn echtgenote [gedaagde sub 2] en hun beider zonen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 3] .

2.2.

De bedrijven van de Sopraco-groep zijn actief in de vleesverwerking; deze bedrijven zijn hoofdzakelijk gevestigd in België, Nederland en Frankrijk. Binnen de totale Sopraco-groep zijn ongeveer 1000 personen werkzaam1. Tot de Sopracogroep horen onder meer een tweetal in België gevestigde werkmaatschappijen: NV Sopraco en NV Cobenifond.

2.3.

Het Sopraco-concern wordt sedert het overlijden van [naam echtgenoot] geleid door zijn weduwe [gedaagde sub 2] en haar beide zonen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 3] . Zij oefenen hun zeggenschap uit via de in Nederland gevestigde STAK Bellivo; zij zijn houders van door STAK uitgegeven certificaten van aandelen in - onder meer - SA Bellivo, een in Luxemburg gevestigde houdstermaatschappij die (direct en indirect) de aandelen houdt in - onder meer - NV Sopraco en NV Cobenifond. De STAK Bellivo is opgericht op 22 november 1993 door [naam echtgenoot] , [gedaagde sub 2] , [eiser sub 1] en [gedaagde sub 3] . Thans zijn [gedaagde sub 2] , [eiser sub 1] en [gedaagde sub 3] de overgebleven oprichters en bestuurders van de STAK Bellivo.

2.4.

De statuten van de STAK Bellivo zijn laatstelijk gewijzigd op 19 december 1996. In deze statuten is – voor zover thans van belang – het volgende bepaald:

Bestuur

Artikel 4

1. Het bestuur van de stichting bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zeven leden.

Ten minste vier leden van het bestuur dienen werkzaam te zijn binnen de vennootschap of haar dochtervennootschappen in een leidinggevende dan wel direktiefunktie, zulks ter beoordeling door de Raad van Advies.

(…)

4. De bestuursleden worden op voorstel van de bestuursleden tevens

certificaathouders benoemd door de Raad van Advies.

5. Ingeval van één of meer vacatures in het bestuur blijft het bestuur niettemin volledig bevoegd, behoudens het bepaalde in artikel 9 lid 1 van deze statuten en behoudens in de gevallen waarin blijkens het hierna te bepalene voltalligheid voor het nemen van een bestuursbesluit wordt vereist.

(…)

Bestuursvergaderingen, Plaats, Frequentie en Wijze van Bijeenroepen

Artikel 5

1. De bestuursvergaderingen worden gehouden in de gemeente waar de stichting haar statutaire zetel heeft dan wel in elke andere gemeente in Nederland of het buitenland, zulks op verzoek van twee bestuursleden.

2. Het bestuur vergadert tenminste eenmaal per jaar.

3. Bestuursvergaderingen zullen voorts telkenmale worden gehouden, wanneer de voorzitter dit wenselijk acht of indien één van de andere bestuursleden daartoe schriftelijk en onder nauwkeurige opgave van de te behandelen punten aan de voorzitter het verzoek richt. Indien de voorzitter aan een dergelijk verzoek geen gevolg geeft, in dier voege dat de bestuursvergadering kan worden gehouden binnen drie weken na het verzoek, is de verzoeker bevoegd zelf een vergadering bijeen te roepen met inachtneming van de vereiste formaliteiten. Gelijke bevoegdheid bezit een bestuurslid, indien geen voorzitter in funktie is.

4. De oproeping tot de bestuursvergadering - geschiedt behoudens het in lid 3 van dit artikel bepaalde - door de voorzitter, tenminste zeven dagen tevoren, de dag van de oproeping en die van de vergadering niet meegerekend, door middel van (aangetekende) oproepingsbrieven.

5. De oproepingsbrieven vermelden, behalve plaats en tijdstip van de vergadering, de te behandelen onderwerpen.

6. Zolang in een bestuursvergadering alle in funktie zijnde bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn, kunnen geldige besluiten worden genomen over alle aan de orde komende onderwerpen, mits met algemene stemmen, ook al zijn de door de statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en houden van bestuursvergaderingen niet in acht zijn genomen.

(…).

Bestuursvergaderingen, Aanwezigheidsvereiste

Artikel 6

1. Het bestuur kan ter vergadering alleen dan geldige besluiten nemen indien de meerderheid van zijn in funktie zijnde leden ter vergadering aanwezig of vertegenwoordigd is, met dien verstande dat blijkens het hierna bepaalde voltalligheid wordt vereist voor het nemen van bepaalde bestuursbesluiten.

2. (…)

3. Ieder bestuurslid heeft het recht tot het uitbrengen van één stem, met dien verstande dat bestuursleden die tevens certificaathouder en bloedverwant van de oprichters zijn tezamen ten minste vijfenzeventig procent (75%) van de stemmen kunnen uitbrengen.

4. Voor zover de statuten geen grotere meerderheid voorschrijven, worden alle bestuursbesluiten genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen. Indien drie of minder bloedverwanten van de oprichters een functie binnen het bestuur hebben dienen bestuursbesluiten te worden genomen met een meerderheid van tenminste drievierden van de aanwezige bestuursleden, waarbij indien er twee of drie bloedverwanten van de oprichters in het bestuur zitting hebben tenminste twee van hen en indien er één bloedverwant van de oprichter zitting heeft in het bestuur tenminste dit ene lid zich voor het voorstel moet(en) hebben uitgesproken wil het voorstel zijn aangenomen.

(…)

Artikel 9

1. De stichting wordt in en buiten rechte, behoudens door het bestuur, vertegenwoordigd door twee gezamenlijk handelende bestuursleden die tevens certificaathouder en bloedverwant van de oprichters zijn. Indien de laatsten ontbreken wordt de stichting tevens vertegenwoordigd door twee tezamen handelende bestuursleden.

Indien er slechts een lid van het bestuur is dat tevens certificaathouder en bloedverwant van de oprichters is, wordt de stichting tenslotte vertegenwoordigd door dat ene lid tezamen met een ander lid van het bestuur.

(…)”

2.5.

Na het overlijden van de heer [naam echtgenoot] is er een geschil ontstaan tussen de broers [eiser sub 1] en [gedaagde sub 3] , als gevolg waarvan samenwerking binnen het bedrijf niet meer mogelijk is gebleken. Zij hebben een externe partij, [naam bemiddelaar] , als bemiddelaar aangesteld om de onderhandelingen, gericht op het ontvlechten van de zakelijke belangen, te begeleiden. Deze onderhandelingen hebben uiteindelijk geleid tot een overeenkomst tussen [gedaagde sub 2] , [eiser sub 1] en [gedaagde sub 3] , door hen in de stukken verder aangeduid als “de familiale overeenkomst van 29 augustus 2018”. In deze overeenkomst hebben partijen afgesproken dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] hun belangen in de verschillende vennootschappen die deel uitmaken van de Sopracao-groep aan [eiser sub 1] overdragen respectievelijk daarvan afstand doen in ruil voor nader in de overeenkomst omschreven financiële tegenprestaties. Doel van de overeenkomst is om [eiser sub 1] in staat te stellen de groep alleen voort te zetten zonder verdere bemoeienis van zijn moeder of zijn broer.

2.6.

De familiale overeenkomst heeft uiteindelijk (nog) niet geleid tot overdracht c.q. afstandverklaring van de aandelen door [gedaagde sub 3] respectievelijk [gedaagde sub 2] aan [eiser sub 1] noch tot levering (betaling) van de in de overeenkomst voorziene financiële tegenprestaties. Over de geldigheid alsook de uitvoering van de familiale overeenkomst is inmiddels een arbitragegeschil aanhangig; in die arbitrageprocedure is een (eerste) zitting voorzien in november 2019.

2.7.

Op 15 januari 2019 zijn er namens NV Sopraco en NV Cobenifond uitnodigingen gezonden voor bestuursvergaderingen. Op de agenda waren de volgende punten vermeld:
“(…)

1. Ontslag en benoeming gedelegeerd bestuurder(s);

2. Vervanging en aanduiding vaste vertegenwoordiger voor het opnemen van bestuursmandaten in vennootschappen.

(…)”
2.8. De bestuursvergaderingen zijn op 22 januari 2019 gehouden. Tijdens de bestuursvergadering van NV Sopraco besloot de meerderheid van de aanwezige bestuursleden onder leiding en voorzitterschap van [eiser sub 1] om met onmiddellijke ingang aan Carino BVBA, de managementvennootschap van [gedaagde sub 3] , de dagelijkse leiding van de vennootschap te ontnemen en deze in handen te leggen van Osmana BVBA, de managementvennootschap van [eiser sub 1] .

Op de gelijktijdig gehouden bestuursvergadering van NV Cobenifond vond een vergelijkbare wijziging plaats in het dagelijks bestuur van de vennootschap: aan Carino BVBA werd de dagelijkse leiding over de vennootschap ontnomen, als gevolg waarvan Osmana BVBA overbleef als enige bestuurder, met de dagelijkse leiding belast.

2.9.

Omdat [gedaagde sub 3] als gevolg van zijn gewijzigde status binnen de vennootschappen vervolgens de toegang tot het bedrijf werd ontzegd en hij bovendien verstoken bleef van informatie als gevolg van de afsluiting van zijn emailaccount en van de toegang tot het bedrijfsnetwerk en het deel daarvan uitmakende boekhoudsysteem, heeft hij in Antwerpen bij exploot van 8 februari 2019 een kort geding aanhangig gemaakt bij de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen te Antwerpen (België).

2.10.

Op 19 februari 2019 zijn er opnieuw bestuursvergaderingen uitgeroepen binnen Sopraco NV en Cobenifond NV, waarin een “methodologie” is afgesproken voor informatieverstrekking aan de Raad van Bestuur. Deze methodologie voorzag in een protocol dat gevolgd diende te worden bij verzoeken om (bedrijfs-)informatie van niet-gedelegeerde bestuurders van de vennootschappen, zoals [gedaagde sub 3] respectievelijk Carino BVBA.

2.11.

Op 26 april 2019 heeft de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen een beschikking in kort geding gewezen. Uit de beschikking volgt – kort gezegd - dat [gedaagde sub 3] en zijn vennootschap Carino BVBA – uitvoerbaar bij voorraad en op straffe van een dwangsom - toegang moeten hebben tot de hoofdvestigingen van NV Sopraco en NV Cobenifond alsook alle nevenvestigingen van deze vennootschappen en hun dochtervennootschappen voor zover zich daar boekhoudkundige bescheiden bevinden. Verder dient aan [gedaagde sub 3] en Carino BVBA inzage te worden verleend in de boekhouding en alle met name in de beschikking omschreven documenten alsook dient hij toegang te hebben tot het (bedrijfs-) computernetwerk en zijn email-account. Verder heeft de voorzieningenrechter in zijn beschikking de besluiten van 19 februari 2019 met betrekking tot het vastgestelde informatieprotocol (“Methodologie”) geschorst.

2.12.

Op 17 mei 2019 zijn door [eiser sub 1] uitnodigingen gezonden aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] voor Bijzonder Algemene Vergaderingen van aandeelhouders van Sopraco NV, Cobenifond NV en een 11-tal van hun dochtervennootschappen op 5 juni 2019 met als enige agendapunt:

“Ontslag en benoeming bestuurders.”

2.13.

[gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] hebben vervolgens nog op diezelfde dag een bestuursvergadering bijeengeroepen binnen de STAK Bellivo voor 24 mei 2019.

2.14.

Op de bestuursvergadering van STAK Bellivo van 24 mei 2019 zijn onder voorzitterschap van [gedaagde sub 2] de navolgende besluiten genomen, telkens met twee stemmen vóór ( [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ) en één stem tegen ( [eiser sub 1] ):

 om voor de STAK Bellivo een raadsman aan te stellen teneinde haar belangen in en buiten rechte te behartigen en de STAK Bellivo bij te staan in hoedanigheid van bestuurder/aandeelhouder binnen de diverse vennootschappen van de Bellivogroep;

 om op 27 mei 2019 een Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Bellivo SA te houden waarbij onder meer zal worden besproken het beleid binnen SA Bellivo en haar dochtervennootschappen alsmede over benoeming en ontslag van bestuurders;

 om op de bijeen te roepen AVA van SA Bellivo te stemmen vóór een voorstel tot ontslag van de huidige (externe) bestuurders van SA Bellivo, de heren [naam externe bestuurder 1] en [naam externe bestuurder 2] en in hun plaats te benoemen [gedaagde sub 2] alsmede (de managementvennootschappen van de) kinderen van [gedaagde sub 3] ( [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] ) en een zoon van [eiser sub 1] ( [naam kind 4] );

 om [gedaagde sub 2] aan te wijzen als vertegenwoordiger van STAK Bellivo tijdens de AVA van SA Bellivo

2.15.

Op de AVA van SA Bellivo van 27 mei 2019 zijn vervolgens besluiten genomen ter uitvoering van de besluiten die op de bestuursvergadering van STAK Bellivo op 24 mei 2019 waren genomen. Tevens werd besloten om bijzondere algemene vergaderingen van aandeelhouders te houden van NV Sopraco en NV Cobenifond op 4 juni 2019 teneinde aldaar te stemmen voor het ontslag van de externe middellijke bestuurders [naam externe bestuurder 1] , [naam externe bestuurder 3] en [naam externe bestuurder 4] en hun vervanging door [gedaagde sub 2] .

2.16.

Op eenzijdig verzoek van [eisers] heeft de rechtbank te Luxemburg op 4 juni 2019 ex parte de op 27 mei 2019 genomen besluiten van de Algemene Vergadering van SA Bellivo geschorst.

2.17

Tevens werd ex parte, op verzoek van [eisers] , door de waarnemend voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen op 3 juni 2019 beslist dat de voor 4 juni 2019 geplande bijzondere algemene vergaderingen van NV Sopraco en NV Cobenifond voorlopig niet door mochten gaan, hangende de uitkomst van een door [eisers] aanhangig te maken kort geding. Dit kort geding is aanhangig gemaakt op 4 juni 2019; na een mislukte bemiddelingspoging werd in die zaak een beschikking op tegenspraak gegeven op 5 juli 2019.

2.18

In de beschikking van de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen van 5 juli is – geparafraseerd weergegeven, onder meer – het navolgende overwogen en beslist:

 aangezien de voorzitter voorshands van oordeel is dat de door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tegen de familiale overeenkomst ingebrachte bedenkingen ten aanzien van het bestaan en de geldigheid ervan een redelijke kans op erkenning in rechte maken wordt de vordering van [eiser sub 1] tot schorsing van hun aandeelhoudersrechten die voorwerp zijn van de familiale overeenkomst afgewezen;

 aan NV Sopraco en NV Cobenifond wordt een bevel opgelegd om hun stemrecht verbonden aan de aandelen in hun dochtervennootschappen niet te gebruiken voor ontslag van [gedaagde sub 3] (of zijn managementvennootschap) als bestuurder van deze dochtervennootschappen totdat in de arbitragezaak over de lotgevallen van de familiale overeenkomst zal zijn beslist. De voorzitter beoogt daarmee de bestuurlijke status quo binnen de ondernemingen zoveel als mogelijk te handhaven;

 de beslissing van de waarnemend voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen van 3 juni 2019 tot opschorting van de voor 4 juni 2019 voorziene algemene vergaderingen van NV Sopraco en NV Cobenifond wordt ingetrokken, mede gelet op de beslissing van de rechtbank te Luxemburg van 5 juni 2019. Laatstbedoelde beslissing wordt door de voorzitter op vordering van [eiser sub 1] erkend onder voorbehoud van het instellen van een rechtsmiddel daartegen door betrokken partijen;

 op vordering van [eiser sub 1] stelt de voorzitter een mandataris aan binnen NV Sopraco en NV Cobenifond tot 24 september 2019 wiens taak het onder meer is om er op toe te zien dat [gedaagde sub 3] c.q. Carino BVBA toegang heeft tot dezelfde informatie als de andere bestuurders, dat vergaderingen van NV Sopraco en NV Cobenifond en hun dochtervennootschappen tijdig bijeen worden geroepen en ordentelijk verlopen zodat de bestuurders zich ongestoord van hun bestuurstaken kunnen kwijten, uitgezonderd het ontslag en de benoeming van bestuurders.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. STAK c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per dag met een maximum van € 2.000.000,-- te verbieden uitvoering te geven aan de besluiten genomen op 24 mei 2019 tot het moment dat de bodemrechter heeft geoordeeld over de rechtsgeldigheid van de betreffende besluiten mits de dagvaarding in de bodemzaak binnen twee weken, na de datum van dit vonnis, wordt uitgebracht tegen STAK c.s. en hen te gebieden om zich deze periode te onthouden van iedere handeling die er op is gericht invloed uit te oefenen in SA Bellivo en haar groepsvennootschappen,

II. STAK c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eisers] leggen daaraan onder meer het volgende ten grondslag.

De besluiten die genomen zijn op de bestuursvergadering van STAK Bellivo zijn niet rechtsgeldig tot stand gekomen. Niet alleen is bij de oproeping voor de vergadering de daarbij in acht te nemen termijn te kort geweest, maar bovendien is de vergadering gehouden in Antwerpen in plaats van in de gemeente alwaar de stichting haar statutaire zetel heeft (Uden). [eiser sub 1] is niet bekend met een verzoek van zijn medebestuursleden om de vergadering in afwijking van de statuten in Antwerpen te houden. Voorts is de met de oproep meegezonden agenda dermate vaag dat [eiser sub 1] zich niet op een behoorlijke wijze op die vergadering heeft kunnen voorbereiden. Ondanks al deze tekortkomingen had de vergadering toch nog rechtsgeldige besluiten kunnen nemen mits alle bestuurders ter vergadering aanwezig waren geweest en de besluiten met algemene stemmen zouden zijn genomen. Ondanks het feit dat het voltallige bestuur ter vergadering aanwezig was zijn de besluiten niet met algemene stemmen aangenomen maar slechts bij gewone meerderheid. Dat betekent dat de genomen besluiten nietig zijn.

De besluiten zijn ook nietig omdat niet voldaan is aan de bijzondere in artikel 6 lid 4, 2e zin van de statuten voorgeschreven (gekwalificeerde) meerderheid, die, gezien de huidige samenstelling van het bestuur, neerkomt op unanimiteit. Ter zake verwijzen [eisers] tevens naar de brief van (oud)notaris mr. [naam notaris] van 10 juni 2019.

De genomen besluiten zijn tevens vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid, gelet op het bepaalde in artikel 2:8 BW. De besluiten zijn namelijk in strijd met doel en strekking van de familiale overeenkomst die nog onverkort tussen partijen van kracht is. Door de bestreden besluiten hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gehandeld in strijd met hun verplichtingen uit die overeenkomst.

Verder moet STAK c.s. een verbod worden opgelegd om voor de duur van de nog op te starten bodemprocedure handelingen te verichten die er op zijn gericht om invloed uit te oefenen in SA Bellivo en haar groepsvennootschappen.

3.3.

Namens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] wordt het volgende als verweer aangevoerd.

Om te beginnen wordt de ontvankelijkheid van Osmana BVBA in dit geding bestreden, nu niet blijkt uit hoofde van welk recht deze vennootschap ageert. Het gaat om de schorsing van besluiten waar Osmana BVBA geen partij bij is.

Voor zover de vorderingen gericht zijn tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] moet [eiser sub 1] eveneens niet ontvankelijk worden verklaard nu zijn vorderingen er op zijn gericht om te voorkomen dat STAK Bellivo besluiten ten uitvoer legt binnen SA Bellivo.

Verder acht de raadsman van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de zaak te complex voor beoordeling in kort geding en bestrijden zij het spoedeisend belang, gegeven de ex parte beslissing van de rechtbank te Luxemburg, op grond waarvan uitvoering van de binnen STAK Bellivo genomen besluiten al is opgeschort.

Ten aanzien van de vergaderplaats wijst de raadsman er op dat twee bestuursleden hebben verzocht de vergadering in Antwerpen te houden, blijkend uit het feit dat de uitnodiging is uitgegaan van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Met betrekking tot de in acht genomen termijn voor oproeping stelt de raadsman dat [eiser sub 1] voldoende tijd heeft gehad om zich voor te bereiden, hetgeen onder meer blijkt uit de nota die hij ter vergadering heeft ingebracht. Bovendien is ter vergadering de advocaat toegelaten die [eiser sub 1] vergezelde. Aldus is [eiser sub 1] alle ruimte geboden om zijn standpunten naar voren te brengen. Kijkend naar de beschermingsgedachte achter de statutair voorgeschreven oproepingstermijn zijn de belangen van [eiser sub 1] niet geschonden; hij maakt ook niet aannemelijk welk belang desondanks is geschonden. Zijn vordering moet daarom wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

Ook de klachten over de agenda snijden volgens de raadsman van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] geen hout. Een agenda mag beknopt zijn, mits deze de lading maar dekt. Bovendien heeft [eiser sub 1] onlangs zelf ook nog uitnodigingen doen uitgaan met vergelijkbaar ‘vage’ agendapunten zoals “ontslag en/of benoeming van bestuurders”. Kijkend naar de reactie van [eiser sub 1] op de agenda wist hij maar al te goed waar de opgevoerde agendapunten over handelden.

Anders dan [eiser sub 1] meent golden voor de besluitvorming ter vergadering geen gekwalificeerde meerderheidseisen en konden besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen worden genomen. Het gestelde in art. 6 lid 4, 2e zin van de statuten mist toepassing want deze is niet geschreven voor de situatie waarin het bestuur gevormd wordt door uitsluitend de (resterende) oprichters van de stichting. De inhoud en relevantie van de brief van (oud-)notaris mr. [naam notaris] wordt betwist, mede gelet op de volgens de raadsman van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] onduidelijke wijze van totstandkoming en hetgeen hem is gebleken uit een onlangs met mr. [naam notaris] gevoerd telefoongesprek.

De raadsman bestrijdt verder dat sprake is van besluiten in strijd met de redelijkheid en billijkheid en dat gehandeld is in strijd met doel en strekking van de familiale overeenkomst, mede gelet op hetgeen de voorzitter van de ondernemingskamer te Antwerpen bij wege van voorlopig oordeel heeft opgemerkt ten aanzien van de (on)geldigheid van de familiale overeenkomst.

Voor zover [eiser sub 1] vordert dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zich onthouden van iedere handeling die er op is gericht invloed uit te oefenen in Bellivo S.A. en haar groepsvennootschappen is daarover door de Belgische rechter al beslist in zijn beschikking van 5 juni 20192 waarbij de vordering van [eiser sub 1] tot het opleggen van een verbod op uitoefening van de rechten als aandeelhouders lastens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] werd ontzegd. Onder verwijzing naar art. 36 lid 1 jo art. 39 Brussel I-bis dient de voorzieningenrechter zich te conformeren aan deze beslissing van de Belgische rechter die immers over exact dezelfde kwestie gaat.

Het gevorderde verbod is bovendien veel te ruim geformuleerd en bestrijkt thans ook gedragingen met een rechtmatig karakter. Toewijzing van de vordering zoals deze thans voorligt kan mogelijk tot onvoorziene en onvoorzienbare gevolgen leiden binnen het concern, reden waarom de voorzieningenrechter zich van een dergelijke verreikende beslissing zou dienen te onthouden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij aanvang van zijn pleidooi heeft de raadsman van [eisers] bezwaar gemaakt tegen de vertegenwoordiging van STAK Bellivo door de beide medegedaagden [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] alsook het verzoek om het namens hen gevoerde verweer mede te laten gelden voor STAK Bellivo. Naar de voorzieningenrechter dit bezwaar heeft begrepen stelt de raadsman dat STAK Bellivo – tegen de achtergrond van zijn uitleg van de statutaire bepalingen die de totstandkoming van besluiten binnen de stichting beheersen - slechts in rechte vertegenwoordigd kan worden op grond van een unaniem door alle drie bestuursleden genomen besluit en stelt hij dat [eiser sub 1] (als één van de drie bestuursleden) in dit geval van een dergelijk besluit niets bekend is. Aldus zou, zo begrijpt de voorzieningenrechter, de behandeling tegen STAK Bellivo bij verstek dienen plaats te vinden nu deze rechtspersoon niet rechtsgeldig vertegenwoordigd in rechte is verschenen.

4.2.

De voorzieningenrechter verwerpt dit bezwaar. Wat er verder ook zij van de stellingen van [eisers] met betrekking tot de statutaire regels die de totstandkoming van besluiten beheersen, uit het hiervoor onder 2.4 aangehaalde artikel 9 lid 1 van de statuten van STAK Bellivo volgt genoegzaam dat de stichting, behalve door het (voltallige) bestuur tevens in en buiten rechte vertegenwoordigd wordt door twee van haar gezamenlijk handelende bestuursleden. Met het verschijnen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] namens STAK Bellivo is die laatste situatie hier aan de orde zodat vastgesteld moet worden dat ook STAK Bellivo formeel in het geding is verschenen. De voorzieningenrechter ziet voorts geen bezwaar (daarvoor zijn van de zijde van [eisers] ook geen inhoudelijke argumenten aangevoerd) om de standpunten en weren namens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] mede te doen gelden in de zaak tegen STAK Bellivo.

4.3.

Van de zijde van STAK c.s. zijn verder kanttekeningen geplaatst ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vorderingen van Osmana BVBA jegens hen drieën alsook ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vorderingen van [eiser sub 1] jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .

4.3.1.

Met betrekking tot het belang van Osmana BVBA is namens de vennootschap aangevoerd dat haar belang daarin is gelegen dat zij bij uitvoering van de familiale overeenkomst zou gaan fungeren als houder van de door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] over te dragen (certificaten van) aandelen. Dit gestelde belang raakt aan de mede namens de vennootschap aangevoerde vernietigingsgrond als omschreven in de randnummers 36 en 37 van de dagvaarding, waarin wordt betoogd dat de binnen STAK Bellivo genomen besluiten vernietigbaar zijn omdat deze onverenigbaar zijn met doel en strekking van de familiale overeenkomst, op grond waarvan [eiser sub 1] c.q. een door hem aan te wijzen vennootschap3 (Osmana BVBA) de (certificaten van) aandelen zou verwerven. Daarmee heeft Osmana BVBA naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende belang bij de – mede namens haar – ingestelde vorderingen, zodat zij daarin kan worden ontvangen.

4.3.2.

Ook de stelling dat [eiser sub 1] gezien zijn vorderingen bij [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aan het verkeerde adres is en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard snijdt geen hout. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] miskennen dat rechtspersonen niet anders kunnen acteren dan door tussenkomst van natuurlijke personen. Om die reden wordt STAK Bellivo in deze procedure vertegenwoordigd door twee van haar bestuurders zodat via hen het standpunt van de rechtspersoon kenbaar is. Deze bestuurders hebben – als bestuurder en certificaathouder – bovendien een eigen belang bij het debat omtrent de (on)geldigheid van de besluiten binnen de rechtspersoon bij de totstandkoming waarvan zij - als bestuurders - betrokken waren. Met betrekking tot het gevorderde verbod op uitvoering van de bestreden besluiten is het weliswaar zo dat dit verbod zich primair richt tot de rechtspersoon die deze besluiten heeft genomen, maar geldt ook hier dat de uitvoering ervan in handen ligt van de natuurlijke personen die de rechtspersoon in staat stellen te handelen, zodat de belanghebbenden bij een dergelijk verbod ( [eisers] ) een voldoende belang hebben om ook jegens de bestuurders die betrokken waren bij de gewraakte besluitvorming een gelijkluidend verbod uit te lokken. Voor zover een bevel wordt gevorderd om zich voor de duur van de aanhangig te maken bodemprocedure te onthouden ‘van iedere handeling die er op gericht is invloed uit te oefenen in SA Bellivo en haar groepsvennootschappen” is dit een vordering die, gelet op de bewoordingen, niet beperkt is tot uitvoering van binnen STAK genomen besluiten maar ziet op iedere handeling, gericht op uitoefening van invloed binnen het concern. Daaronder vallen ook handelingen, gericht op het tot stand brengen van besluiten binnen STAK Bellivo, een vordering die uit zijn aard mede gericht kan zijn tot haar bestuurders. Op dit onderdeel strekt de vordering er kennelijk toe [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] beperkingen op te leggen in de uitoefening van hun bevoegdheden als bestuurders. [eisers] kan in die vordering worden ontvangen.

4.4.

Van de zijde van STAK c.s. is voorts betoogd dat het geschil te complex is voor een beoordeling in kort geding en dat de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening om die reden op voet van art. 256 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zou moeten weigeren.

De voorzieningenrechter ziet dit anders. Weliswaar blijkt uit de overgelegde stukken en het uitvoerige bij pleidooi gepresenteerde feitenexposé van de zijde van STAK c.s. dat er tussen partijen al enige tijd sprake is van een felle juridische strijd om de macht binnen het Sopraco-concern waarin al verschillende rechterlijke beslissingen zijn uitgelokt in België en Luxemburg, dit alles laat onverlet dat de thans door [eisers] voorgelegde vorderingen betrekkelijk eenvoudig zijn. De vorderingen stellen immers slechts aan de orde de vraag of aanleiding bestaat een verbod in te stellen op uitvoering van de op 24 mei 2019 binnen STAK Bellivo genomen besluiten hangende de uitkomst van een op te starten bodemprocedure omtrent het bestaan c.q. geldigheid van die besluiten en voorts of, in het verlengde daarvan, aanleiding bestaat om voor de duur van dat geding, STAK c.s. beperkingen op te leggen in hun vermogen invloed uit te oefenen binnen het Sopraco-concern.

Deze vorderingen vergen derhalve een prognose omtrent het oordeel van de bodemrechter aangaande de geldigheid van de bestreden STAK-besluiten van 24 mei 2019 en een eventueel op die prognose te baseren voorziening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de procedure in kort geding zich heel wel leent voor een dergelijke beoordeling en ziet dan ook geen aanleiding om de gevraagde voorziening om redenen van complexiteit te weigeren.

4.5.

STAK c.s. bestrijden tot slot dat [eiser sub 1] een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening nu de rechtbank te Luxemburg immers al een verbod heeft opgelegd om de binnen Bellivo SA genomen besluiten ten uitvoer te leggen.

STAK c.s. verliezen met hun betoog uit het oog dat de beslissing van de Luxemburgse rechter eenzijdig, louter op verzoek van [eiser sub 1] is gegeven en, gegeven de mogelijkheid van derdenverzet, te allen tijden bloot staat aan herziening c.q. herroeping. Van [eisers] kan, gegeven hun in deze zaak betrokken belangen en de gevolgen van de door hen gewraakte besluitvorming binnen STAK Bellivo, niet worden gevergd een en ander lijdzaam af te wachten. De Luxemburgse ex parte beslissing staat derhalve naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan het gestelde spoedeisend belang in de weg.

4.6.

Bij de beoordeling van de vraag of de ter bestuursvergadering van 24 mei 2019 genomen besluiten geldig zijn dienen 2 wettelijke bepalingen voor ogen te worden gehouden:

Art. 2:14 lid 1 BW:

Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.

en

art. 2:15 lid 1 sub a BW:

Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar:

a.

wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen;

Als gesteld en erkend staat vast dat bij de oproep voor de vergadering van 24 mei 2019 de statutair voorgeschreven termijn van 7 dagen (waarbij de dag van oproep en de dag van de vergadering niet meetellen) niet in acht is genomen. De oproep is verstuurd op 17 mei 2019 en de vergadering is gehouden op 24 mei 2019. Dat betekent dat tussen de dag van de oproep en de dag van de vergadering slechts 6 dagen zijn gelegen, hetgeen in strijd is met artikel 5 lid 4 van de statuten. In zo’n situatie kunnen nog wel rechtsgeldige besluiten tot stand komen, aldus art. 5 lid 6, indien ter vergadering alle in functie zijnde bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn en besluiten met algemene stemmen worden genomen, waarmee, zo erkende de raadsman van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ter zitting, unanimiteit wordt bedoeld. Uit de overgelegde notulen van de vergadering4 blijkt dat het voltallige bestuur aanwezig was maar dat geen van de genomen besluiten unaniem, dat wil zeggen met algemene stemmen, is genomen. Dat leidt tot de conclusie dat ogenschijnlijk ter vergadering geen geldige besluiten tot stand zijn gekomen en waarmee er evenmin ruimte lijkt te zijn voor een vordering tot vernietiging op voet van art. 2:15 lid 1 BW (die immers het bestaan van een besluit vooronderstelt); voorshands dringt zich de conclusie op dat de genotuleerde besluiten derhalve als nietig (non-existent) in de zin van art. art. 2:14 lid 1 BW moeten worden aangemerkt5.

Bij die stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen plaats voor een belangenafweging (geschonden belang versus beschermd belang) zoals dat namens STAK c.s. is bepleit.

Nu, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de rechter in de door [eisers] op te starten bodemprocedure tot een gelijkluidend oordeel zal komen bestaat aanleiding om de vordering van [eisers] , strekkend tot een verbod om te acteren op basis van de besluiten van 24 mei 2019, toe te wijzen zoals gevorderd. In verband met de bijzondere aard van de procedure in kort geding kan de voorzieningenrechter geen declaratoir vonnis wijzen. Een dergelijk, definitief oordeel over de geldigheid van de ter vergadering genomen besluiten is voorbehouden aan de bodemrechter. In verband daarmee zal in het dictum aan [eisers] een termijn worden gesteld waarbinnen zij een dergelijke procedure aanhangig dienen te maken, bij gebreke waarvan de voorlopige voorziening komt te vervallen.

De vraag of de bestreden besluiten ook op andere gronden geldig c.q. aantastbaar zijn kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in het midden blijven, zij het dat de voorzieningenrechter met betrekking tot het debat omtrent het bepaalde in artikel 6 lid 4, 2e zin van de statuten ten overvloed nog wel kwijt wil dat deze bepaling naar zijn voorlopig oordeel toepassing mist op de gronden die STAK c.s. dienaangaande bij pleidooi6 hebben aangevoerd. Deze bepaling lijkt a prima facie niet geschreven voor de situatie zoals die op 24 mei 2019 aan de orde was, waarbij een onderbezet bestuur, bestaande uit louter oprichters, ter vergadering bijeen was. De particuliere opvattingen dienaangaande thans, zoveel jaren later, van de kantoorgenoot van de indertijd bij het opstellen van die bepaling betrokken notaris doen daar niets aan af.

4.7.

Het tweede deel van de vordering van [eisers] strekt tot het opleggen van een gebod aan STAK c.s. om zich te onthouden van iedere handeling die erop gericht is invloed uit te oefenen in SA Bellivo en haar groepsvennootschappen.

4.7.1.

STAK c.s. hebben aangevoerd dat de voorzieningenrechter zich van een zelfstandig oordeel moet onthouden aangezien de Belgische rechter reeds op dezelfde vordering heeft beslist en deze beslissing voor erkenning in aanmerking komt.

Daargelaten de vraag in hoeverre de door de Belgische rechter beoordeelde vordering (schorsing van alle rechten verbonden aan de aandelen die [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in het kader van de familiale overeenkomst zouden overdragen aan [eiser sub 1] ) wel eenzelfde vordering betreft als die welke thans voorligt komt de beslissing van de Belgische rechter niet voor erkenning in aanmerking nu STAK c.s. hebben nagelaten de in dat kader ingevolge art. 37 lid 1 van de Verordening Brussel I-bis voorgeschreven documentatie te overleggen. Bovendien was STAK Bellivo in de Belgische procedure geen partij; erkenning van de beslissing zou derhalve hooguit de positie van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] kunnen raken en de voorzieningenrechter onverminderd nopen tot een inhoudelijke beoordeling ten aanzien van de vordering tegen STAK. Gelet op dit alles zal de voorzieningenrechter dit onderdeel van de vordering jegens alle drie gedaagden beoordelen.

4.7.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vordering zoals [eisers] deze hebben geformuleerd bijzonder ruim is en reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Toewijzing van de vordering zoals geformuleerd zou immers neerkomen op het feitelijk volledig lamleggen van het bestuur van het gehele concern, een voorziening waarvan de reikwijdte door deze voorzieningenrechter waarlijk niet kan worden overzien.

Daar komt bij dat het de voorzieningenrechter onduidelijk is waarin hij de grondslag moet vinden voor een dergelijke voorziening. In de inleidende dagvaarding worden aan dit onderdeel van de vordering namelijk hinderlijk weinig tot geen onderbouwende woorden vuil gemaakt. Bij pleidooi, randnummer 19, lijken [eisers] te stellen dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] met de voorgenomen besluiten zoals besproken ter bestuursvergadering van STAK op 24 mei 2019 hebben gehandeld in strijd met het doel en de strekking van de familiale overeenkomst en dat hen dat om die reden voor de toekomst moet worden verboden. Als dat de achtergrond is (en dat blijft, zo moet worden vastgesteld, enigszins gissen) dan valt niet te begrijpen hoe STAK Bellivo dan past binnen deze vordering nu zij geen partij is bij de familiale overeenkomst. Verder valt bij gebreke van nadere toelichting evenmin te begrijpen waarom deze voorziening dan moet gelden voor de duur van een bodemprocedure waarin niet de geldigheid van de familiale overeenkomst maar de geldigheid van de besluitvorming binnen STAK Bellivo op 24 mei 2019 aan de orde is.

Gelet op dit alles dient dit onderdeel van de vordering, mede bij gebreke van een toereikende onderbouwing, te worden afgewezen. Van een partij die een voorziening vraagt kan worden verlangd dat hij de gronden daarvoor op duidelijke en niet mis te verstane wijze naar voren brengt opdat zijn wederpartij daar ook adequaat op kan responderen en de rechter weet op basis van welke argumenten hij dient te beslissen.

4.7.3.

Ten overvloede ware daar nog aan toe te voegen dat, voor zover [eisers] met dit onderdeel van hun vordering louter hebben bedoeld om de (bestuurlijke) status quo binnen het concern, meer in het bijzonder op niveau van de werkmaatschappijen te bevriezen (ter zitting werd meermalen de aan de beschikking van de voorzieningenrechter te Antwerpen ontleende term ‘stand still’ gebruikt) de voorzieningenrechter van oordeel is dat met de op 5 juli 2019 door de voorzieningenrechter te Antwerpen reeds getroffen voorzieningen vooralsnog voldoende tegemoet wordt gekomen aan die behoefte. Alsdan had het op de weg gelegen van [eisers] om duidelijk te maken om welke redenen deze voorzieningen tekort schieten en nopen tot nader ingrijpen van de Nederlandse voorzieningenrechter.

4.8.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen en zij voorts, voor zover procederend als natuurlijk persoon, bloedverwanten zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt STAK c.s. uitvoering te geven aan de ter bestuursvergadering van STAK Bellivo van 24 mei 2019 genomen besluiten tot het moment dat de bodemrechter in eerste aanleg heeft geoordeeld over de rechtsgeldigheid van de betreffende besluiten,

5.2.

veroordeelt STAK Bellivo, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ieder afzonderlijk om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat zij na betekening van dit vonnis niet aan de onder 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, met dien verstande dat zij boven een bedrag van € 1.000.000,- geen dwangsommen zullen verbeuren,

5.3.

bepaalt dat [eisers] binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maken waarin een oordeel wordt ingeroepen omtrent de geldigheid van de op 24 mei 2019 ter bestuursvergadering van STAK Bellivo genomen besluiten, bij gebreke waarvan de voorziening onder 5.1 komt te vervallen,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2019.

1 Voor een grafische verbeelding van de volledige Sopracogroep zie productie 1 van STAK c.s.

2 Bedoeld zal zijn 5 juli 2019

3 Vide de slotalinea van art. 3 van de als productie 2 overgelegde familiale overeenkomst

4 Productie 16 [eisers]

5 In die zin ook de Inv. Wet Boeken 3-6 NBW, Kamerstukken II 17 725, nr. 3, p. 61 (MvT): “De aanhef van lid 1 [van art. 2:15 BW, vzr] veronderstelt dat er een geldig – zij het aantastbaar – besluit is. Tot de wettelijke en statutaire bepalingen die het totstandkomen van een besluit regelen in de zin van onderdeel a van art. 15 horen derhalve niet die, welke de vereisten voor de geldigheid van een besluit stellen, zoals een vereiste meerderheid van stemmen.”

6 Randnummers 71-73