Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4538

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-08-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
C/01/347079 / KG ZA 19-311
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:3280
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:1063
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming huurwoning. Wapens, munitie en geld aangetroffen. Spullen van uitwonende zoon. Uitleg artikel 7:219 BW. Toets artikel 7:213 BW conform maatstaf HR. Gestelde onwetendheid huurder/moeder ongeloofwaardig. Toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2020/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer / rolnummer: C/01/347079 / KG ZA 19-311

Vonnis in kort geding van 2 augustus 2019

in de zaak van:

de stichting

STICHTING WOONBEDRIJF SWS.HHVL, H.O.D.N. WOONBEDRIJF,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat: mr. E.P.W. Korevaar te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. L. van Poucke te Best.

Partijen zullen hierna “Woonbedrijf” en “ [gedaagde] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding in kort geding van 15 juli 2019 met (11) producties;

- het productieoverzicht van 17 juli 2019 van de zijde van Woonbedrijf met aanvullende productie (12);

- de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde] met (7) producties;

- de akte aanvulling grondslag, tevens wijziging van eis, tevens overlegging aanvullende producties van de zijde van Woonbedrijf (13-16);

- de mondelinge behandeling die op 26 juli 2019 heeft plaatsgevonden en waarbij beide partijen en hun advocaten zijn verschenen en hun standpunt nader hebben toegelicht. De advocaat van Woonbedrijf heeft hierbij gebruik gemaakt van een pleitnota.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen Woonbedrijf en [gedaagde] bestaat sinds 1 maart 1993 een huurovereenkomst voor de zelfstandige woonruimte, staande en gelegen aan de [adres 1] (hierna ook: “het gehuurde”). In de overeenkomst is bepaald dat het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als woonhuis.

2.2.

Op de huurovereenkomst is het huurreglement, vastgesteld door (de rechtsvoorganger van) Woonbedrijf op 1 januari 1978, van toepassing. Hierin is, voor zover relevant, het volgende bepaald.

Artikel 5.

1. Huurder zal het gehuurde als een goed huisvader en overeenkomstig de daaraan bij overeenkomst gegeven bestemming gebruiken.

(..)

3. Het is huurder niet toegestaan om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder het gehuurde, geheel of gedeeltelijk, kosteloos of tegen betaling, in huur of gebruik af te staan aan personen welke niet tot zijn gezinshuishouding behoren.

4. Huurder zal aan buren of omwonenden geen overlast veroorzaken.

(..)

Artikel 7.

Het is slechts na verkregen voorafgaande toestemming van verhuurder toegestaan:

(..)

g. in het gehuurde, behalve op de daarvoor aangegeven plaatsen, kachels, fornuizen, haarden of oliedrums (in gebruik) te hebben, en in het algemeen zaken de brand, explosie of anderszins verhoogd schaderisico kunnen veroorzaken;

(..)”

2.3.

Op 18 april 2019 heeft de politie tijdens een geplande inval in het gehuurde een hoeveelheid wapens, munitie en contant geld aangetroffen. De politie heeft een rapport opgesteld en getekend op 24 april 2019. Hierin is, voor zover relevant, het volgende vermeld.

“(..) Feiten en omstandigheden.

Op donderdag 18 april 2019 vond in het pand [adres 1] een doorzoeking ter inbeslagneming plaats.

Bij die gelegenheid werden de volgende goederen aangetroffen en in beslag genomen. Groot geldbedrag, 165.000,00 EURO

Meerdere vuurwapens, 4 stuks, een Glock, alarmpistool, pistool mitrailleur merk Scorpion en een Mauser geweest.

Munitie:

(..)

Pepperspray

Alle vuurwapens, met uitzondering van het alarmpistool, alsmede de munitie en de pepperspray vallen onder de werkingssfeer van de Wet Wapens en Munitie.

Aanhouding, verhoor en voorgeleiding verdachte.

Als verdachte in deze zaak werd op donderdag 18 april 2019 ter plaatse aangehouden [gedaagde] vernoemd.

Verdachte verklaarde onder andere dat ze zich van geen kwaad bewust is. Ze verklaarde verder dat ze niks van de vuurwapens en munitie afwist. (..)”

2.4.

Uit de aanvullende rapportage van de politie van 24 mei 2019 blijkt dat in een kast in de woonkamer het alarmpistool en de pepperspray zijn aangetroffen en dat de (onderdelen van) vuurwapens, munitie en het contant geldbedrag zijn aangetroffen in (de open inbouwkast in) de slaapkamer op de eerste etage aan de achterzijde van de woning.

2.5.

Tegelijk met de doorzoeking bij [gedaagde] vond een doorzoeking plaats in de woning aan de [adres 2] , die de zoon van [gedaagde] (hierna ook: “de zoon”) en diens partner van Woonbedrijf huren. Bij deze doorzoeking zijn (onder meer) cocaïne, vuurwapens en een contant geldbedrag aangetroffen. De zoon is ter plaatse aangehouden als verdachte. In de rapportage van de politie is hierover opgemerkt:

“Verdachte verklaarde onder andere verantwoordelijk te zijn voor de in zijn huis en de in het huis van zijn moeder ( [adres 1] ) aangetroffen spullen.

Wapens en een grote hoeveelheid geld had hij in bewaring genomen van een inmiddels geliquideerde Eindhovense crimineel.”

2.6.

Bij brief van 10 mei 2019 heeft Woonbedrijf [gedaagde] in de gelegenheid gesteld de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen. [gedaagde] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Woonbedrijf vordert, kort gezegd, [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen
de zelfstandige woonruimte, staande en gelegen aan de [adres 1] , te ontruimen, ontruimd te houden en de sleutels aan Woonbedrijf ter vrije beschikking te stellen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure en in de nakosten.

3.2.

Woonbedrijf legt hieraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag.

[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst en de artikelen 5 en/of 7 van het huurreglement. [gedaagde] heeft tevens in strijd met artikel 7:213 en/of 7:214 BW gehandeld gelet op de aanwezigheid van de aangetroffen illegale zaken, en omdat het gehuurde is gebruikt voor commerciële (criminele) activiteiten. [gedaagde] heeft zich niet als goed huurder gedragen. [gedaagde] was op de hoogte van de aangetroffen zaken, althans behoorde dit te zijn. [gedaagde] is op grond van artikel 7:219 BW ook aansprakelijk voor de gedragingen van haar zoon die met haar goedvinden het gehuurde heeft gebruikt, op gelijke wijze als zij voor haar eigen gedragingen aansprakelijk is. Er bestaat voldoende verband tussen de gedragingen van de zoon en het gebruik van het gehuurde. Het gebruik strookt niet met de overeengekomen bestemming van het gehuurde. Woonbedrijf heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, mede gelet op het door haar (als een op de grond van de Woningwet toegelaten instelling) gevoerde zero tolerance beleid. In geval van een belangenafweging geldt dat de belangen van Woonbedrijf bij toewijzing van de vordering zwaarder dienen te wegen dan de belangen van [gedaagde] bij afwijzing daarvan. De uitzondering op de hoofdregel van artikel 6:265 lid 1 BW doet zich tot slot niet voor.

3.3.

[gedaagde] voert, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Het klopt dat in het gehuurde de door de politie omschreven zaken zijn aangetroffen, maar [gedaagde] betwist dat zij hiervan op de hoogte was. De zaken zijn door haar zoon in de
- weliswaar open, maar met een gordijn afgeschermde - inbouwkast van zijn voormalige slaapkamer verstopt in dozen en tassen. [gedaagde] had geen redenen hiermee ernstig rekening te houden. [gedaagde] betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover Woonbedrijf. Zij is evenmin aansprakelijk voor de gedragingen van haar zoon. Het is niet meer dan normaal dat een ouder een kind een sleutel geeft, en dat er nog kleding of andere goederen van een kind in diens ouderlijke woning liggen. [gedaagde] heeft geen overlast veroorzaakt en het gehuurde altijd als woonhuis gebruikt. Het is dan ook onvoldoende zeker dat de kantonrechter tot ontbinding van de huurovereenkomst zal concluderen. Ontruiming is bovendien een vergaande maatregel, zodat terughoudendheid in kort geding op zijn plaats is. [gedaagde] kan nergens anders wonen als zij het gehuurde dient te verlaten. [gedaagde] heeft daarom ook een zwaarwegend belang bij afwijzing van de vordering.

3.4.

Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in een kort geding procedure een vordering tot ontruiming alleen toewijsbaar is, indien voldoende aannemelijk is dat deze vordering in een bodemprocedure ook zal worden toegewezen. Alleen in dat geval is vooruitlopend daarop toewijzing in kort geding gerechtvaardigd. Bij de beoordeling of toewijzing gerechtvaardigd is weegt zwaar dat een veroordeling tot ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening veelal een definitief karakter heeft en dus een zeer ingrijpende maatregel betreft. Om die reden is terughoudendheid door de voorzieningenrechter inderdaad op zijn plaats zoals [gedaagde] betoogt. Die terughoudendheid kan [gedaagde] echter niet baten. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.

4.2.

Vaststaat dat in het gehuurde meerdere vuurwapens, een grote hoeveelheid munitie, een alarmpistool, pepperspray en een contant geldbedrag van € 165.000,00 zijn aangetroffen. Alle wapens (behalve het alarmpistool), alsmede de munitie en de pepperspray vallen onder de Wet Wapens en Munitie. Zowel [gedaagde] als haar zoon heeft blijkens de politierapportages en de processen-verbaal van verhoor verdachte verklaard dat de zaken door de zoon in het gehuurde zijn gebracht zonder medeweten van [gedaagde] . De zaken waren door de in 2017 doodgeschoten Eindhovense crimineel [naam crimineel] (een neef van de partner van de zoon) aan de zoon in bewaring gegeven, aldus zijn verklaring. Dit was twee weken voor het dodelijk incident, en dat vond volgens hem ongeveer 2 tot 2,5 jaar vóór de doorzoeking in het gehuurde plaats. De zaken waren door de zoon verpakt in dozen en tassen en verstopt achter het gordijn van de inbouwkast. Volgens zijn verklaring heeft de zoon ongeveer 5 à 6 maanden vóór de doorzoeking de twee meest voor de hand liggende wapens uit het gehuurde gehaald en meegenomen naar zijn woning omdat hij zich bedreigd voelde. [gedaagde] en haar zoon hebben verder verklaard dat [gedaagde] alleen in de betreffende slaapkamer kwam om te stofzuigen en om zo nu en dan gebruik te maken van de zonnebank. [gedaagde] keek niet in de inbouwkast, aldus de verklaring van zowel moeder als zoon.

4.3.

In artikel 7:219 BW is bepaald dat een huurder jegens de verhuurder, op gelijke wijze als voor eigen gedragingen, aansprakelijk is voor de gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden. In zijn arrest van 20 juni 2007 (Mishandeling huismeester, Land van Rode/Siedow; ECLI:NL:HR:
2007:AZ8743) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 7:219 BW geen risicoaansprakelijkheid vestigt voor alle gedragingen van personen die met goedvinden van de huurder in of rond het gehuurde aanwezig zijn. Als er geen schade aan het gehuurde is aangebracht, is beslissend of huurder, handelend of nalatend als hij heeft gedaan, zich al dan niet als goed huurder heeft gedragen. Bij de beantwoording van deze vraag dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegenomen, waaronder de vraag of er voldoende verband bestaat tussen de gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Volgens de Hoge Raad is daarvan in elk geval sprake als de huurder van de (voorgenomen) gedragingen op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had te houden maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs te treffen maatregelen te treffen.

4.4.

De voorzieningenrechter meent allereerst dat het anno 2019 niet meer passend en niet meer wenselijk is om in alle gevallen onverkort voormelde lijn te volgen die de Hoge Raad 12 jaar geleden heeft bepaald. De voorzieningenrechter meent dat wanneer evident sprake is van ernstige strafbare feiten, artikel 7:219 BW direct moet kunnen worden toegepast, ook indien geen schade aan het gehuurde is aangebracht. In een voorkomend geval - zoals het onderhavige waarin in een sociale huurwoning, in een woonwijk, meerdere vuurwapens, een grote hoeveelheid munitie, een alarmpistool, pepperspray, als ook een contant geldbedrag waarmee een bescheiden eengezinswoning kan worden gefinancierd, zijn aangetroffen - zou een huurder volgens de voorzieningenrechter direct op grond van artikel 7:219 BW aansprakelijk moeten kunnen worden gehouden voor dergelijke gedragingen van derden, zonder dat de verhuurder dient te stellen en zo nodig dient te bewijzen dat de huurder op de hoogte was van die feiten, of er ernstig rekening mee had te houden maar heeft nagelaten maatregelen te treffen. Anders gezegd, thans dient volgens het arrest van de Hoge Raad in het licht van artikel 7:213 BW een toets te worden doorstaan, vóórdat een huurder aansprakelijk kan worden gehouden, maar de voorzieningenrechter pleit ervoor dat aansprakelijkheid op de voet van artikel 7:219 BW in gevallen als het onderhavige de hoofdregel vormt, en de toets ex artikel 7:213 BW bij wijze van uitzondering dient te worden toegepast. Dit strookt ook overigens met de toets van artikel 6:265 BW die neerkomt op “ontbinding, tenzij” en dus bij ontbinding van een huurovereenkomst ook in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat, ook indien wordt uitgegaan van de hiervoor bepleitte directe toepasbaarheid van artikel 7:219 BW, hierop een uitzondering kan worden gemaakt wanneer daartoe gegronde redenen bestaan.

De voorzieningenrechter tekent hierbij aan dat drugsgerelateerde praktijken en ondermijning, waaronder de inmenging van criminele activiteiten in buurten en woonwijken, tegenwoordig een groot maatschappelijk probleem vormen. Gegeven deze maatschappelijke ontwikkelingen waartegen streng dient te worden opgetreden, acht de voorzieningenrechter [gedaagde] , mede in het licht van het zero tolerance beleid dat Woonbedrijf voert, reeds direct op grond van artikel 7:219 BW aansprakelijk voor de gedragingen van haar zoon, ongeacht of zij hiervan of de hoogte was dan wel behoorde te zijn en geen schade aan het gehuurde is aangebracht.

4.5.

Indien voorgaand betoog en het daarop gebaseerde voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter te vergaand zou moeten worden geacht, overweegt de voorzieningenrechter hierna conform het onder 4.3. genoemde arrest van de Hoge Raad als volgt.

Beslissend is in dat geval of geoordeeld moet worden dat [gedaagde] zich, in het licht van de gedragingen van haar zoon, niet als een goed huurder heeft gedragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval en wel om de volgende redenen.

4.6.

Het is niet zo dat de aangetroffen zaken in het gehuurde zijn blijven liggen toen de zoon het ouderlijk huis verliet. De zoon heeft de zaken naar eigen zeggen in 2017 in het gehuurde verstopt en vaststaat dat hij sinds 2009 reeds zijn eigen woning van Woonbedrijf huurde. Uit de stellingen van [gedaagde] kan worden afgeleid dat zij ervan op de hoogte was dat de zoon spullen bewaarde in zijn voormalige slaapkamer. De zoon heeft dus met goedvinden van [gedaagde] gebruik gemaakt van het gehuurde, hoewel hij niet meer tot haar gezinshuishouding behoorde. [gedaagde] heeft toegestaan dat de zoon de aangetroffen (deels transparante) bakken, dozen en tassen in 2017 in de inbouwkast heeft geplaatst en daar jarenlang, tot aan de doorzoeking heeft bewaard. Volgens [gedaagde] had zij geen reden te vermoeden dat het om onder andere vuurwapens ging, omdat haar zoon daarmee niet eerder in aanraking was gekomen volgens zijn strafblad, waarmee [gedaagde] kennelijk wel bekend was. De voorzieningenrechter kan [gedaagde] bepaald niet volgen in haar stellingen. Het enkele feit dat de zoon een strafblad had, had voor [gedaagde] al voldoende aanleiding moeten zijn om de spullen die haar zoon in het gehuurde bracht aan een nadere inspectie te onderwerpen voordat hij deze daar had mogen bewaren. Het strafblad vermeldt immers niet slechts een enkel feit van geringe betekenis, maar (naast de thans tegen hem lopende zaak) in totaal 5 zaken waaronder (overige) diefstallen en mishandeling, in de periode van 1998 (de zoon was toen 12 jaar oud) tot en met 2014. Dit moet voor [gedaagde] minstens stof tot nadenken hebben gegeven. De voorzieningenrechter volgt namelijk evenmin dat het “alleen mishandelingetjes” betreft zoals de advocaat van [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaarde.

Daar komt bij dat zowel de auto van de zoon als de auto van [gedaagde] voor hun beider woningen in augustus 2018 respectievelijk november 2018 in brand zijn gestoken en kennelijk ook is geprobeerd de zoon van [gedaagde] te liquideren. [gedaagde] heeft bovendien meerdere camera’s in en/of aan het gehuurde (laten) hangen. Dat dit te maken zou hebben met inbraken in de buurt, blijkt nergens uit. [gedaagde] heeft bijvoorbeeld geen krantenartikelen en aankoopbewijzen ter onderbouwing hiervan in het geding gebracht.

Daarnaast heeft de zoon tegenover de politie verklaard dat hij een aantal maanden vóór de doorzoeking bij [gedaagde] twee wapens heeft opgehaald omdat hij zich bedreigd voelde. Dit zou dan ook buiten medeweten van [gedaagde] moeten zijn gebeurd om haar stellingen te kunnen volgen.

Voorts bestaat bij Woonbedrijf de vrees dat de zoon (indien hij in vrijheid wordt gesteld) (tijdelijk) zijn intrek neemt in het gehuurde met zijn partner en hun minderjarige dochter. Zij zijn immers bij vonnis van 17 juli 2019 (zaaknr. C/01/346903 / KG ZA 19/297) veroordeeld tot ontruiming van hun huurwoning. Gelet op de redenen die tot deze veroordeling hebben geleid, namelijk een handelshoeveelheid cocaïne en toebehoren, wapens en een contant geldbedrag, kan van een gegronde vrees worden gesproken, waarbij geldt dat de intrek van de zoon en/of diens gezin tot een tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de huurovereenkomst zou leiden.

4.7.

Gelet op al het voorgaande overweegt de voorzieningenrechter dat het ongeloofwaardig moet worden geacht dat [gedaagde] van niets wist, althans niet ernstig rekening ermee had moeten houden dat haar zoon het gehuurde gebruikte voor de opslag van zaken die bij wet verboden zijn en niet in een huurwoning in een woonwijk thuishoren. Er bestaat tevens voldoende verband tussen de gedragingen van de zoon en het gebruik van het gehuurde. De verboden zaken lagen in een slaapkamer in het gehuurde.

Vaststaat verder dat [gedaagde] niet de maatregelen heeft getroffen die zij redelijkerwijs had moeten treffen. Het gaat in dit geval niet om het verstrekken van een sleutel of het verlenen van toegang tot het gehuurde, maar om het gebrek aan toezicht. Eerst de doorzoeking heeft een einde gebracht aan de gevaarlijke situatie, met alle (veiligheids)risico’s van dien. Handtekeningen van omwonenden doen niets af aan de gevaarzetting.

[gedaagde] heeft zich wegens het gebrek aan toezicht, in het licht van de gedragingen van haar zoon - het bewaren van vuurwapens, munitie en een groot geldbedrag - en de daaraan verbonden risico’s, niet als goed huurder gedragen. Zij is zodoende tegenover Woonbedrijf tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst, het toepasselijke huurreglement en de wet.

De voorzieningenrechter acht het dan ook voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat deze tekortkoming niet van bijzondere aard of geringe betekenis is, maar de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter acht tevens een spoedeisend belang aanwezig aan de zijde van Woonbedrijf, dat zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] . De enkele stelling dat zij geen vervangende woonruimte heeft is onvoldoende. Niet, althans onvoldoende gesteld of aannemelijk is dat sprake is van bijzondere omstandigheden. [gedaagde] had een (gedwongen) ontruiming zelf dienen te voorkomen.

4.8.

De voorzieningenrechter zal vooruitlopend op een bodemprocedure de ontruiming van het gehuurde toewijzen. Dat de vordering tot inbewaringstelling ten aanzien van [gedaagde] is afgewezen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat hieraan een andere, strafrechtelijke toets ten grondslag ligt.

Aan de subsidiaire vordering van Woonbedrijf komt de voorzieningenrechter niet toe.

De voorzieningenrechter ziet geen reden om af te wijken van de gebruikelijke termijn van 14 dagen waarbinnen het gehuurde door [gedaagde] ontruimd dient te worden.

4.9.

De vraag of [gedaagde] al dan niet steeds haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad, laat zich in dit kort geding niet beantwoorden, maar dat hoeft gelet op het voorgaande ook niet. Hetzelfde geldt voor de vraag of [gedaagde] veranderingen aan het gehuurde heeft aangebracht zonder daarvoor voorafgaand toestemming te vragen. De betreffende stellingen van partijen leiden niet tot een ander oordeel en kunnen om die reden verder onbesproken blijven.

4.10.

[gedaagde] zal in de proceskosten worden veroordeeld omdat zij ongelijk krijgt. De kosten aan de zijde van Woonbedrijf worden tot heden begroot op:

- dagvaarding € 103,09

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 633,00

Totaal € 1.375,09

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres 1] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken tenzij deze zaken van Woonbedrijf zijn, ontruimd te houden en de sleutels af te geven aan Woonbedrijf;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Woonbedrijf tot op heden begroot op € 1.375,09, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de 15e dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst dat wat meer of anders is gevorderd af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2019.