Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4412

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-07-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
01/879246-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een bedreiging, oplichting, valsheid in geschrift en computervredebreuk. Verdachte heeft op zeer planmatige, gewiekste en doortrapte wijze twee bedrijven opgelicht, voor een totaalbedrag van ruim € 560.000,--. Het beroep op overmacht en het bestaan van een alternatief scenario wordt verworpen. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen tot resp. €330.762,-- en € 293.253,29.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879246-17

Datum uitspraak: 30 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1970] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 oktober 2018, 8 januari 2019, 1 april 2019, 25 juni 2019 en 16 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 september 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 juli 2019 overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2015 tot en met 18 augustus 2015 te Boxtel en/of elders in Nederland en/of in België,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het [bedrijf 1] , gevestigd te [plaats 1] (België) en/of het [bedrijf 2] , gevestigd in Jordanië, heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, te weten USD 626.762,00 (omgerekend euro 561.578,81 of daaromtrent),

door (ondermeer) -zakelijk weergegeven-

- zonder medeweten en/of toestemming van [slachtoffer 1] (directeur/zaakvoerder van voornoemd bedrijf [bedrijf 1] ) via diens emailadres [emailadres 1] een emailbericht - waarin hij,verdachte, zich voordeed als die [slachtoffer 1] - te sturen aan [slachtoffer 2] (directeur/vertegenwoordiger van [bedrijf 2] ) met de mededeling dat het nieuwe emailadres van die [slachtoffer 1] was: [emailadres 2] ; en/of (vervolgens)

- zonder medeweten en/of toestemming van die [slachtoffer 1] en/of het bedrijf [bedrijf 1] , een of meerdere emailberichten te sturen aan die [slachtoffer 2] en/of aan [bedrijf 2] , waarin hij,verdachte, zich (telkens) voordeed als die [slachtoffer 1] en/of als vertegenwoordiger van [bedrijf 1] en/of daarbij (telkens) gebruik heeft gemaakt van een door hem,verdachte, beheerd emailadres, te weten [emailadres 2] ; en/of

- zonder medeweten en/of toestemming van die [slachtoffer 2] en/of het bedrijf [bedrijf 2] , een of meerdere emailberichten te sturen aan die [slachtoffer 1] en/of het bedrijf [bedrijf 1] , waarin hij,verdachte, zich (telkens) voordeed als die [slachtoffer 2] en/of als vertegenwoordiger van [bedrijf 2] en/of daarbij (telkens) gebruik heeft gemaakt van een door hem.verdachte, beheerd emailadres, te weten [emailadres 3] ; en/of (vervolgens)

- vier, in elk geval een aantal, facturen van het bedrijf [bedrijf 1] , welke facturen waren gericht aan het [bedrijf 2] , met gebruikmaking van het e-mailadres [emailadres 2] te sturen naar het [bedrijf 2] voornoemd, op welke facturen (telkens) de naam van de bank van [bedrijf 1] was gewijzigd in ' [bank 1] ' en/of het bankrekeningnummer van het bedrijf [bedrijf 1] was gewijzigd in, in elk geval vervangen door, het (Nederlands) [bankrekeningnummer 1] ;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 01 juni 2015 tot en met 31 augustus 2015, in de gemeente Boxtel, en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een factuur van het [bedrijf 1] , gevestigd te [plaats 1] (België) en gericht aan het [bedrijf 2] , gevestigd te Jordanië in verband met de levering van (tweedehands) materiaal voor het onderhouden en/of testen van vliegtuigmotoren, zijnde voormelde factu(u)r(en) (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, hebbende hij, verdachte toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die factu(u)r(en) de naam van de bank van het bedrijf [bedrijf 1] voornoemd gewijzigd in, in elk geval vervangen door, ' [bank 1] ' en/of het bankrekeningnummer van het bedrijf [bedrijf 1] gewijzigd, in, in elk geval vervangen door, het (Nederlands) [bankrekeningnummer 1] , (telkens) met het oogmerk om voormelde factu(u)r(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2015 tot en met 31 december 2015, te Boxtel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) een of meermalen (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag(en), tot een totaalbedrag van euro 561.578,81 of daaromtrent, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) was/waren of wie die/dat geldbedrag(en) voorhanden had,

en/of

overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl hij,verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

hij op of omstreeks 16 september 2016, in elk geval in of omstreeks de periode van 16 september 2016 tot en met 11 oktober 2016 te Boxtel en/of elders in Nederland en/of in België een offerte d.d. 16 september 2016 van het [bedrijf 1] , gevestigd te [plaats 1] (België), en gericht aan het [bedrijf 3] gevestigd in Pakistan, in verband met de levering van tweedehands materiaal voor het testen van vliegtuigmotoren - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft hij,verdachte, valselijk in voornoemde offerte het (Belgisch) bankrekeningnummer van het bedrijf [bedrijf 1] voornoemd gewijzigd in, in elk geval vervangen door, het (Nederlands) [bankrekeningnummer 2] en/of de SWIFT-code: ' [SWIFT-code 1] ' gewijzigd in, in elk geval vervangen door: ' [SWIFT-code 2] ', zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2017 tot en met 15 mei 2017 in de gemeente Boxtel en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk - een Invoice op naam gesteld van het [bedrijf 4] te [plaats 2] en gericht aan het [bedrijf 2] in Jordanië, en/of

- twee betalingsopdrachten (één gedateerd 9 mei 2017 en één gedateerd 10 mei 2017) (telkens) op naam gesteld van het [bedrijf 2] te Jordanië en gericht aan de [bank 2] (Jordanië),

zijnde die Invoice en/of die betalingsopdracht(en) (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, hebbende hij, verdachte, toen daar (telkens) opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - op die Invoice vermeld als invoicenummer: [nummer] en/of als invoicedatum:4 mei 2017 en/of onder 'Payment Terms': 'Immediately by wire transfer' en/of als te betalen bedrag USD 456,782.00 en/of de naam ' [slachtoffer 3] ' met emailadres: [emailadres 4] en/of onder 'Send Payment to' als naam van de bank: ' [bank 3] ' en/of als bankrekeningnummer: [bankrekeningnummer 2] ; en/of

- op die betalingsopdracht(en) (telkens) vermeld: 'From:Financial Director/ [bedrijf 2] To: [bank 2] for saving and Investment [bedrijf 2] ' en/of 'Please pay the total amount of USD**456,782.00** and debit this amount against our account [account] in US Dollar' en/of

'Invoice [nummer] ' en/of ' [bedrijf 5] , [bank 3] ' en/of het bankrekeningnummer: [bankrekeningnummer 2] ,

(telkens) met het oogmerk om voormelde Invoice en/of betalingsopdrachten als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

5.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 mei 2015 tot en met 5 juni 2015 te Boxtel, althans in Nederland en/of in België,

(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk

in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten (een gedeelte van) een server (van [netwerkbedrijf] ), houdende (de gegevens van) het account van het emailadres [emailadres 1] ,

is binnengedrongen door het doorbreken van een beveiliging en/of met behulp van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van inloggegevens (namelijk een gebruikersnaam en/of wachtwoord) tot welk gebruik hij, verdachte, niet gerechtigd was en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid;

6.

hij in of omstreeks de periode van 9 december 2014 tot en met 23 juni 2018 te Boxtel en/of Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad, in elk geval in Nederland, (een) computerwachtwoord(en), toegangscode(s) en/of daarmee vergelijkba(a)r(e) gegeven(s), waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk, te weten (in bestanden genaamd " [bestand 1] " en/of " [bestand 2] " en/of " [bestand 3] " opgenomen) gebruikersgegevens en/of (bijbehorende) wachtwoorden, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee

een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, tweede en/of derde lid, van het Wetboek van Strafrecht,

althans,

een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht

werd gepleegd;

7.

hij op of omstreeks 23 juni 2018 te Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak jou dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of daarbij of vervolgens met zijn verdachtes vinger/hand een beweging over zijn keel te maken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs ten aanzien van de feiten 1 tot en met 6.

Inleiding.

Een persoon is een geautomatiseerd werk, te weten de server van [netwerkbedrijf] binnengedrongen. Op deze server stond het account van het e-mailadres van [slachtoffer 1] , directeur/zaakvoerder van het [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Door dit geautomatiseerde werk binnen te dringen heeft deze persoon toegang gekregen tot de e-mails van [slachtoffer 1] en tot documenten van zijn bedrijf, waaronder facturen en offertes. Deze persoon heeft vervolgens een zakenrelatie van [bedrijf 1] , zijnde [slachtoffer 2] – vertegenwoordiger van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) – benaderd. De persoon deed zich voor als [slachtoffer 1] en gaf aan dat zijn e-mailadres was veranderd. Middels dit door deze persoon beheerde e-mailadres correspondeerde hij vervolgens met [slachtoffer 2] ; zich hierbij voordoend als [slachtoffer 1] . Naar [slachtoffer 1] toe gaf de persoon zich uit als [slachtoffer 2] en had daarvoor ook een door hemzelf beheerd e-mailadres aangemaakt. In dat nieuwe e-mailadres had hij oude mails “geknipt en geplakt”, zodat niet opviel dat het e-mailadres van [slachtoffer 2] was gewijzigd.

Vervolgens heeft de persoon vier facturen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] vervalst; hij heeft het bankrekeningnummer van [bedrijf 1] vervangen door het bankrekeningnummer van verdachte. Hierdoor heeft [bedrijf 2] een bedrag van omgerekend € 561.578,81 euro op verdachtes bankrekening gestort, terwijl zij in de veronderstelling verkeerde dat zij dit bedrag aan [bedrijf 1] overmaakte.

Verdachte heeft dit geldbedrag vervolgens naar meerdere op zijn naam gestelde bankrekeningen overgemaakt. Vanaf die rekeningen heeft hij een deel van dit bedrag naar bankrekeningen van in totaal 26 personen doorgesluisd. Het ging hierbij telkens om een bedrag van om en nabij € 10.000,-. Verdachte had deze personen tevoren benaderd en gevraagd of hij – tegen een vergoeding – geld kon laten storten op hun bankrekeningen. De derden mochten dan € 1.000,- à 1.500,- van het bedrag houden en het overige moesten zij van de rekening halen en contant aan verdachte teruggeven. overhandigen.

Dezelfde modus operandi is vervolgens nog een aantal keren geprobeerd , maar daarbij is het telkens tot een valsheid in geschrift beperkt gebleven, omdat het tijdig werd opgemerkt. Zo zijn in een offerte van [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] bankgegevens van [bedrijf 1] veranderd in de bankgegevens van [naam] – een persoon die verdachte hiervoor had benaderd – en zijn in een invoice en betalingsopdrachten van [bedrijf 4] aan [bedrijf 2] de bankgegevens veranderd in de bankgegevens van [naam] .

Onder verdachte zijn twee laptops met daarop belastende – met de ten laste gelegde feiten verband houdende – informatie aangetroffen. Ook is in de kamer waar verdachte verbleef, in de woning van zijn moeder, een groot aantal documenten aangetroffen die samenhangen met het ten laste gelegde. Uit onderzoek aan de laptops blijkt onder meer dat via een van die laptops het account van [slachtoffer 1] is binnengedrongen en dat met die laptops mails zijn verstuurd. Ook blijkt dat er nog meerdere computerwachtwoorden en gegevens van anderen op stonden, waarmee toegang kon worden verkregen tot geautomatiseerde werken.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte degene is die dit alles heeft gedaan en acht het onder 1 primair, het onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft niet betwist dat sprake is van oplichting, hacken, valsheid in geschrift, dat mails zijn verstuurd in hoedanigheid van een ander en dat belastende gegevens in de laptops van verdachte én belastende documenten bij verdachte zijn aangetroffen. De verdediging heeft echter aangevoerd dat niet verdachte hiervoor verantwoordelijk was, maar de Russen [persoon 1] en [persoon 2] . Verdachte stelt dat hij deze twee mannen heeft leren kennen in mei 2015, via een vriendin genaamd [persoon 3] . Deze mannen zouden een goedlopend bedrijf in België hebben. De fiscus zou hen echter in het vizier hebben en daarom moest geld vanuit België naar Nederland worden overgemaakt. Verdachte en “de Russen” kwamen overeen dat het geld op de bankrekening van verdachte zou worden gestort. De Russen adviseerden verdachte om het geld in delen over te boeken naar andere bankrekeningen en – als hij dit geld niet alleen contant van zijn rekening kon pinnen – derden om hulp te vragen. Verdachte mocht hen dan € 1.000,- tot € 1.500,- geven. Dit heeft verdachte vervolgens gedaan; hij ging op zoek naar mensen die in geldnood zaten en liet hen – tegen een vergoeding – hun bankrekening hiervoor beschikbaar stellen. Die derden pinden dan het geld van de rekening en overhandigen dat geld contant aan verdachte. Verdachte verklaart het geld vervolgens aan [persoon 3] te hebben overgedragen, waarop [persoon 3] het op haar beurt weer aan de Russen heeft overgedragen.

Verdachte heeft verklaard dat hij in tussentijd zijn huis aan deze mannen heeft verhuurd. De mannen maakten gebruik van zijn laptops en van zijn wifi-code. Verdachte stelt dan ook dat alle belastende gegevens door de Russen op zijn laptops zijn gezet en dat zij verantwoordelijk zijn voor de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten; verdachte stelt hierbij – afgezien van het beschikbaar stellen van zijn bankrekening en het zoeken naar derden die ook hun bankrekening beschikbaar wilden stellen – geen enkele betrokkenheid bij te hebben gehad.

Over de belastende documenten die onder hem in beslag zijn genomen, verklaart verdachte dat dit documenten van de Russen zijn; hij had hiervan foto’s gemaakt en moest deze documenten van de Russen meenemen naar de woning van zijn moeder om deze documenten voor hen in te scannen of uit te printen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsoverwegingen.

Het alternatieve scenario.

In de onderhavige strafzaak wordt de inhoud van de feitelijke bevindingen ten aanzien van het digitaal bewijs en de fysiek aangetroffen documenten niet betwist. Wel wordt betwist dat de strafbare handelingen door verdachte zelf of met zijn medeweten zijn verricht; verdachte stelt dat anderen hiervoor verantwoordelijk zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling van een dergelijk verweer in dit geval als maatstaf dient te gelden of – alle feiten en omstandigheden in ogenschouw nemende – dit verweer al dan niet in meer of mindere mate aannemelijk is geworden. Het is aan de verdachte om hiervoor redengevende feiten en omstandigheden aan te voeren. Volgens vaste jurisprudentie mag de rechter, naast de weerlegging in de bewijsmotivering, ook de onwaarschijnlijkheid, onaannemelijkheid en/of de ongeloofwaardigheid van alternatieve scenario’s in zijn oordeelsvorming betrekken.

Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de feiten (met uitzondering van betrokkenheid bij het witwassen van geld) ontkend, en heeft verklaard dat de Russen [persoon 1] en [persoon 2] achter deze feiten zouden moeten zitten. Voor dit alternatieve scenario is echter – anders dan de verklaring van verdachte – geen enkel aanknopingspunt in het dossier te vinden. Verdachte heeft hiervoor ook geen nadere verifieerbare onderbouwing gegeven. Verdachte stelt – pas voor het eerst ter zitting – dat hij met zijn telefoon foto’s van de Russen zou hebben gemaakt. Verdachte heeft echter geen foto van deze Russen overgelegd en heeft ook geen enkel verzoek ingediend om zijn telefoon op dergelijke gegevens te laten onderzoeken.
De betrokkenheid van de Russen bij de feiten is op geen enkele wijze onderbouwd door verdachte. Bovendien, zo is de rechtbank van oordeel, wijzen alle feiten en omstandigheden in het dossier er juist op dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan én dat hij hier – met uitzondering van feit 2 – alleen verantwoordelijk voor is. Zo was bijvoorbeeld de Lenovo notebook waarop belastende informatie is aangetroffen encrypted. Verdachte heeft verklaard dat het wachtwoord van deze computer “ [wachtwoord 1] ” zou zijn, maar dat was onjuist. Het NFI heeft het wachtwoord achterhaald en dit bleek te zijn: “ [wachtwoord 2] ”. Het getal 1970 is het geboortejaar van verdachte en is bovendien een getal dat vaker door verdachte werd gebruik in een wachtwoord of als (pin)code. Daarbij komt dat de voornaam van [verdachte] is, wat weer strookt met het deel van het wachtwoord “ [deel wachtwoord] ”. Verdachte is hiermee geconfronteerd en heeft daarop aangegeven dat de Russen kennelijk zijn wachtwoord hebben gewijzigd; hetgeen op zich niet direct uit te sluiten zou zijn. Echter, verdachte heeft verklaard dat hij in 2017 voor het laatst contact met de Russen heeft gehad. Uit het onderzoek dat aan de notebook is verricht blijkt dat daarop in ieder geval in 2018 nog een file is aangemaakt, waarin meer dan 1600 documenten en mails waren opgeslagen die afkomstig waren of waarin de namen waren vermeld van [bedrijf 2] te Jordanië en/of [bedrijf 1] te België. Enkel al op grond hiervan blijkt dat het alternatieve scenario dat verdachte schetst, niet juist kan zijn. Hierbij komt dat [slachtoffer 4] – die een nauw contact met verdachte had – heeft verklaard dat verdachte het vaak over “ [slachtoffer 1] ” had en dat verdachte haar had verteld dat hij diens mail heeft kunnen overnemen en zo een rekeningnummer heeft kunnen aanpassen; hetgeen strookt met wat volgens aangevers is voorgevallen. Ook heeft [slachtoffer 4] verklaard dat verdachte altijd achter zijn computer zat en dat hij haar had verteld dat die computer dusdanig beveiligd was dat daar niemand anders op kon. Volgens verdachte zou [slachtoffer 4] over de Russen kunnen verklaren. Echter, zij geeft aan dat verdachte nooit over Russen of over vrienden van [persoon 3] heeft gesproken. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaring van [slachtoffer 4] te twijfelen. Zij heeft van meet af aan consistent verklaard én haar verklaring vindt steun in meerdere (objectieve) bewijsmiddelen.

Het door verdachte geschetste alternatieve scenario wordt dan ook door de bewijsmiddelen weerlegd en kan bovendien als volstrekt ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat niet is gebleken dat [persoon 1] en [persoon 2] – zo zij al zouden bestaan – op enige wijze strafrechtelijk betrokken zijn bij de feiten. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bewijsbijlage, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, het onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan en dat hij deze feiten – met uitzondering van feit 2 – alleen heeft gepleegd. Het betoog van de raadsman dat de rol van verdachte bij de feiten 1 en 2 op zijn hoogst die van medeplichtige is, en dat – nu medeplichtigheid aan deze feiten niet in ten laste gelegd – verdachte van deze feiten dient te worden vrijgesproken, verwerpt de rechtbank dan ook. Ook het verweer van de verdediging dat niet van enige betrokkenheid bij de onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten is gebleken, verwerpt de rechtbank. De verweren van de raadsman hieromtrent vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen en behoeven verder dan ook geen bespreking.

Ten aanzien van feit 2 acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Echter, niet met “de Russen” waar de verdediging op doelt. Verdachte heeft verklaard dat hij mensen heeft gezocht die bereid waren om tegen een vergoeding geld op hun rekening te laten storten, dit er daarna voor verdachte af te halen en contant aan hem te overhandigen. Uit de verklaringen van [persoon 4] en [persoon 5] volgt dat zij dit hieraan hebben meegewerkt en dat zij – zo is de rechtbank op grond van hun verklaringen van oordeel – op zijn minst genomen willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat dit geld uit misdrijf afkomstig was, en dat zij zich door deze constructie schuldig maakten aan het witwassen van geld. Gezien de duur van de periode van een en ander, de frequentie waarmee verdachte dit geld naar rekeningen van derden heeft doorgesluisd én de intentie van verdachte bij een en ander, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 6 overweegt de rechtbank het volgende. Het feit dat computerwachtwoord(en), toegangscode(s) en/of daarmee vergelijkba(a)r(e) gegeven(s), waardoor toegang kon worden gekregen tot geautomatiseerd werk, op de laptop van verdachte zijn aangetroffen, in samenhang bezien met de feiten die verdachte voorts heeft gepleegd (de onder 1 tot en met 5 bewezen verklaarde feiten), rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen andere conclusie dan dat verdachte deze gegevens voorhanden heeft gehad met het oogmerk daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, tweede en/of derde lid van het Wetboek van Strafrecht te plegen.

Bewijs ten aanzien van feit 7.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder 7 ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat er wettig, maar geen overtuigend, bewijs is. De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een misverstand. Verdachte zou woorden hebben gezegd als: “Dit wordt mijn dood nog” en “dit wordt jouw dood nog, dat drugsgebruik”, maar zou niet de in de tenlastelegging gebezigde woorden hebben geuit. Verder stelt verdachte dat hij wel een handgebaar heeft gemaakt, maar dat dit geen snijdende beweging over zijn keel was. Verdachte heeft aangegeven dat verbalisanten dit ook niet zouden gezien kunnen hebben, aangezien zij zich achter hem bevonden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsoverwegingen.

In hun proces-verbaal relateren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat zij hebben gehoord dat verdachte tegen [slachtoffer 4] zei: “Ik maak jou dood”. Dit proces-verbaal is op ambtseed opgemaakt en de rechtbank ziet geen enkele aanleiding hieraan te twijfelen. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren bovendien beiden dit gehoord te hebben. Dat sprake zou zijn van een misverstand acht de rechtbank dan ook volstrekt onaannemelijk.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 4] met de dood heeft bedreigd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de periode van 1 juni 2015 tot en met 18 augustus 2015 te Boxtel en/of elders in Nederland en/of in België, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het [bedrijf 1] , gevestigd te [plaats 1] (België) en/of het [bedrijf 2] , gevestigd in Jordanië, heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, te weten USD 626.762,00 (omgerekend euro 561.578,81 of daaromtrent), door onder meer – zakelijk weergegeven –

- zonder medeweten en toestemming van [slachtoffer 1] (directeur/zaakvoerder van voornoemd bedrijf [bedrijf 1] ) via diens e-mailadres [emailadres 1] een

e-mailbericht – waarin hij, verdachte, zich voordeed als die [slachtoffer 1] – te sturen aan [slachtoffer 2] (directeur/vertegenwoordiger van [bedrijf 2] ) met de mededeling dat het nieuwe e-mailadres van die [slachtoffer 1] was: [emailadres 2] ; en - zonder medeweten en toestemming van die [slachtoffer 1] en/of het bedrijf [bedrijf 1] ,

e-mailberichten te sturen aan die [slachtoffer 2] en/of aan [bedrijf 2] , waarin hij, verdachte, zich telkens voordeed als die [slachtoffer 1] en/of als vertegenwoordiger van [bedrijf 1] en daarbij telkens gebruik heeft gemaakt van een door hem, verdachte, beheerd e-mailadres, te weten [emailadres 2] ; en

- zonder medeweten en toestemming van die [slachtoffer 2] en/of het bedrijf [bedrijf 2] ,

e-mailberichten te sturen aan die [slachtoffer 1] en/of het bedrijf [bedrijf 1] , waarin hij, verdachte, zich telkens voordeed als die [slachtoffer 2] en/of als vertegenwoordiger van [bedrijf 2] en daarbij telkens gebruik heeft gemaakt van een door hem, verdachte, beheerd

e-mailadres, te weten [emailadres 3] ; en (vervolgens)

- vier facturen van het bedrijf [bedrijf 1] , welke facturen waren gericht aan het [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ), met gebruikmaking van het e-mailadres [emailadres 2] te sturen naar het [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) voornoemd, op welke facturen telkens de naam van de bank van [bedrijf 1] was gewijzigd in ' [bank 1] ' en het bankrekeningnummer van het bedrijf [bedrijf 1] was gewijzigd in, het [bankrekeningnummer 1] ;

2.

in de periode van 1 juni 2015 tot en met 31 december 2015, te Boxtel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders (telkens) van een geldbedrag, tot een totaalbedrag van euro 561.578,81 of daaromtrent, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of de vervreemding verborgen en/of verhuld, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, dat die/dat geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

op of omstreeks 16 september 2016 te Boxtel en/of elders in Nederland en/of in België een offerte d.d. 16 september 2016 van het [bedrijf 1] , gevestigd te [plaats 1] (België), en gericht aan het [bedrijf 3] gevestigd in Pakistan, in verband met de levering van tweedehands materiaal voor het testen van vliegtuigmotoren – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – heeft vervalst, immers heeft hij, verdachte, valselijk in voornoemde offerte het bankrekeningnummer van het bedrijf [bedrijf 1] voornoemd gewijzigd in het [bankrekeningnummer 2] en de SWIFT-code: ' [SWIFT-code 1] ' gewijzigd in ' [SWIFT-code 2] ', zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

4.

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 15 mei 2017 in de gemeente Boxtel en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk - een Invoice op naam gesteld van het [bedrijf 4] te [plaats 2] en gericht aan het [bedrijf 2] in Jordanië, en

- twee betalingsopdrachten (één gedateerd 9 mei 2017 en één gedateerd 10 mei 2017) telkens op naam gesteld van het [bedrijf 2] te Jordanië en gericht aan de [bank 2] (Jordanië),

zijnde die Invoice en die betalingsopdrachten telkens een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, hebbende hij, verdachte, toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - op die Invoice vermeld als invoicenummer: [nummer] en als invoicedatum: 4 mei 2017 en onder 'Payment Terms': 'Immediately by wire transfer' en als te betalen bedrag USD 456,782.00 en de naam ' [slachtoffer 3] ' met e-mailadres: [emailadres 4] en onder 'Send Payment to' als naam van de bank: ' [bank 3] ' en als bankrekeningnummer: [bankrekeningnummer 2] ; en

- op die betalingsopdrachten telkens vermeld: 'From: Financial Director/ [bedrijf 2] To: [bank 2] for saving and Investment Amman-Jordan' en 'Please pay the total amount of USD**456,782.00** and debit this amount against our account [account] in US Dollar' en 'Invoice [nummer] ' en/of 'Messers: StandardAero Netherlands, [bank 3] ' en het bankrekeningnummer: [bankrekeningnummer 2] ,

telkens met het oogmerk om voormelde Invoice en betalingsopdrachten als echt en onvervalst te gebruiken;

5.

in de periode van 31 mei 2015 tot en met 5 juni 2015 te Boxtel, althans in Nederland en/of in België, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten (een gedeelte van) een server (van [netwerkbedrijf] ), houdende (de gegevens van) het account van het e-mailadres [emailadres 1] , is binnengedrongen door het doorbreken van een beveiliging en/of met behulp van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van inloggegevens (namelijk een gebruikersnaam en/of wachtwoord) tot welk gebruik hij, verdachte, niet gerechtigd was;

6.

in of omstreeks de periode van 9 december 2014 tot en met 23 juni 2018 te Boxtel en/of

Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad, in elk geval in Nederland, (een) computerwachtwoord(en), toegangscode(s) en/of daarmee vergelijkba(a)r(e) gegeven(s), waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk, te weten (in bestanden genaamd " [bestand 1] " en/of " [bestand 2] " en " [bestand 3] " opgenomen) gebruikersgegevens en/of (bijbehorende) wachtwoorden, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, tweede en/of derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, werd gepleegd;

7.

op 23 juni 2018 te Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak jou dood".

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte.

De verdachte heeft verzocht hem te ontslaan van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij geen geld had om eten te kopen en om zijn rekeningen te betalen, dat hij hierdoor zwaar depressief werd en dat hij het aannemen van het geld dat de Russen hem boden nog als enige uitweg zag. Verdachte stelt dat sprake was van een conflict van plichten en dat hij naar zijn mening een verantwoorde keuze heeft gemaakt.

Zoals reeds eerder overwogen, schuift de rechtbank het alternatieve scenario dat verdachte heeft geschetst – kort samengevat: dat de Russen verantwoordelijk zijn voor het ten laste gelegde en dat hij enkel tegen betaling geld op zijn bankrekeningen heeft laten storten en dat heeft doorgesluisd – terzijde. Dat sprake was van ‘overmacht’– van een noodtoestand waardoor verdachte werd gedwongen de feiten te plegen – is volstrekt niet aannemelijk geworden. Dat verdachte in financiële onmacht verkeerde, rechtvaardigt op geen enkele wijze hetgeen hij heeft gedaan. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit blijkt van een ‘overmachtssituatie’ als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht.

Ook overigens zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten en verdachte is strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ten aanzien van het onder 1 primair, het onder 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten voor fraude. Het uitgangspunt is in dat geval een gevangenisstraf voor de duur van 18 tot 24 maanden. Aangevoerd is dat de oplichting en het witwassen op hetzelfde feitencomplex zien en dat dit dus niet strafverhogend dient te werken. Voorts is aangevoerd dat de officier van justitie ten onrechte in zijn strafeis heeft betrokken dat verdachte meerdere derden bij zijn misdrijf heeft betrokken. De verdediging is van mening dat dit niet mee mag wegen, aangezien de deelname aan een criminele organisatie – terecht, wegens het ontbreken van bewijs daarvoor – niet is ten laste gelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een bedreiging, en aan oplichting, valsheid in geschrift en computervredebreuk. Verdachte heeft op zeer planmatige, gewiekste en doortrapte wijze [bedrijf 1] en [bedrijf 2] opgelicht, voor een bedrag van (omgerekend) ruim € 560.000,-. Om dat geld “veilig te stellen” heeft hij een groot aantal personen gezocht – die in geldnood verkeerden – en hen tegen een geldelijke tegemoetkoming betrokken bij zijn misdadig handelen. De rechtbank is – anders dan de verdediging – van oordeel dat het gemak waarmee verdachte een zeer groot aantal mensen, waaronder familieleden, bij de strafbare feiten heeft betrokken, in strafverzwarende zin mee kan wegen; de rechtbank zal dit ook doen. Het is immers een omstandigheid die uit het dossier volgt. Dat een dergelijke omstandigheid, zoals de raadsman stelt, pas zou mogen meewegen als deelname aan een criminele organisatie bewezen zou zijn verklaard, vindt geen steun in het recht.

De rechtbank volgt de raadsman ook niet in zijn betoog dat de oplichting en het gewoontewitwassen eenzelfde feitencomplex betreffen. Bij het eerste feit heeft verdachte zich voorgedaan als een ander, heeft facturen vervalst door het rekeningnummer van [bedrijf 1] te vervangen door zijn eigen rekeningnummer, en heeft [bedrijf 2] er zo toe bewogen om een zeer groot geldbedrag op zijn – verdachtes – rekening te storten in plaats van op rekening van [bedrijf 1] (feit 1). Dit geld heeft verdachte vervolgens overgemaakt naar andere bankrekeningen van zichzelf. Van daaruit heeft hij een groot deel van dit geld doorgesluisd naar bankrekeningen van derden, om dit geld later weer contant van hen in ontvangst te nemen. Pas bij het doorsluizen van het geld naar de bankrekeningen van de derden, is het geld witgewassen (feit 2). Dit zijn wel degelijk twee afzonderlijke feiten, waar de rechtbank bij het bepalen van de straf ten nadele van verdachte rekening mee zal houden.

Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte nogmaals een dergelijke constructie van oplichting heeft willen uitvoeren. Hij heeft daartoe een invoice en betalingsopdrachten vervalst. Echter, door omstandigheden buiten de wil van verdachte gelegen, is dit niet gelukt en is het bij valsheid in geschrift gebleven.

Hetgeen de rechtbank ook zeer verwerpelijk vindt, is dat verdachte zich nadat een en ander aan het licht is gekomen, nogmaals als [slachtoffer 1] heeft voorgedaan en uit diens naam een e-mail naar het openbaar ministerie heeft gestuurd. In die e-mail geeft hij aan dat hij ( [slachtoffer 1] ) zijn geld terug zou hebben en dat hij de aanklacht wilde intrekken. Verdachte heeft daarmee getoond dat hij geen enkel berouw of spijt heeft van wat hij heeft gedaan, en enkel aan zichzelf denkt.

Verder houdt de rechtbank er ten nadele van verdachte rekening mee dat hij reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank houdt rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten voor “fraude” dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De hierboven weergegeven omstandigheden hebben tot het navolgende oordeel geleid. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving, en alle omstandigheden in acht nemend, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank wil verdachte er met de voorwaardelijke straf van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 6] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangegeven dat het hem niet duidelijk is wat met het door de [bank 1] teruggestorte geld is gebeurd. De officier van justitie is van mening dat dit geld naar [bedrijf 6] had moeten worden overgemaakt, en dat dit bedrag op het schadebedrag in mindering dient te worden gebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

De verdediging heeft verzocht om niet over te gaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, aangezien dit er op neer zal komen dat verdachte wegens gebrek aan financiële middelen de vervangende hechtenis zal dienen uit te zitten.

Beoordeling. De benadeelde partij heeft een schadevergoeding van 300,433.46 USD gevorderd. Dit is omgerekend EUR 293.253,29. De verdediging heeft de vordering niet betwist en de rechtbank acht deze vordering voldoende onderbouwd. De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2018 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2018 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van 340,000.00 USD, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat – bij een bewezenverklaring – het standpunt van de officier van justitie over de vordering van de benadeelde partij kan worden gevolgd.

De verdediging heeft ook ten aanzien van deze schade verzocht om niet over te gaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Beoordeling. De rechtbank acht EUR 330.762,- toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 301.262,- dat de benadeelde partij heeft moeten betalen om de materialen alsnog tijdig vrijgegeven te krijgen. Verder bestaat dit bedrag uit een bedrag van EUR 29.500,- voor de extra kosten die de benadeelde partij ten gevolge van de oplichting heeft moeten maken.

De rechtbank wijst dan ook EUR 330.762,- toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

2 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding van EUR 555.547,- die is gevorderd vanwege de onterechte betaling aan verdachte, afwijzen. De rechtbank wijst deze af, omdat dit geen schade is die de benadeelde partij heeft geleden. De benadeelde partij heeft immers

EUR 301.262,- extra betaald om de materialen tijdig vrij te krijgen en heeft de materialen vervolgens alsnog geleverd gekregen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2018 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen heeft aangevoerd, geen aanleiding om niet tot oplegging van deze maatregelen over te gaan.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn die aan de veroordeelde toebehoorden of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten zijn verkregen, met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid dan wel dit voorwerpen zijn die aan een ander dan verdachte toebehoorden, maar diegene bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 36f, 47, 57, 60a, 63, 138ab, 139d, 225, 285, 420bis, 420ter, 326 van het Wetboek van Strafrecht

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:oplichtingT.a.v. feit 2:medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte makenT.a.v. feit 3:valsheid in geschriftT.a.v. feit 4:valsheid in geschrift, meermalen gepleegdT.a.v. feit 5:computervredebreukT.a.v. feit 6:met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, tweede of derde lid van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of een daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verwerven en voorhanden hebbenT.a.v. feit 7:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gerichtVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregelen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, feit 7:Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

T.a.v. feit 1 primair:Maatregel van schadevergoeding van EUR 330.762,00 subsidiair 180 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 2] van een bedrag van EUR 330.762,- (zegge: driehonderddertigduizend zevenhonderdtweeënzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 180 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij, [bedrijf 2] , van een bedrag van EUR 330.762,- (zegge: driehonderddertigduizend zevenhonderdtweeënzestig euro), te weten materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

T.a.v. feit 1 primair:Maatregel van schadevergoeding van EUR 293.253,29 subsidiair 180 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 6] van een bedrag van EUR 293.253,29 (zegge: tweehonderddrieënnegentigduizend tweehonderddrieënvijftig euro en negenentwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 180 dagen hechtenis.

Het bedrag bestaat uit een materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 6] , van een bedrag van EUR 293.253,29 (zegge: tweehonderddrieënnegentigduizend tweehonderddrieënvijftig euro en negenentwintig eurocent), te weten materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten de voorwerpengenoemd onder de nummers 2 t/m 12, 15 t/m 19, 31 t/m 33, 35, 37, 51 t/m 54 en56 t/m 82 op de aangehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Teruggave van de in beslag genomen goederen, te weten de voorwerpen genoemd onder de nummers 13 en 55 op de aangehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, aan de rechthebbenden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. M.T. van Vliet en mr. J.O.Y. Elagab, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F. van Hulst, griffier,

en is uitgesproken op 30 juli 2019.