Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4386

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
19/1488
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1488

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. F.M. Meis),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel, verweerder

(gemachtigde: mr. M van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2019 (het primaire besluit) is verzoeksters aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten van inschakeling van een externe arbeidsmedisch expert afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2019. Verzoekster is verschenen bij mr. D.V. Orvalho, waarnemer voor haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien het bestreden besluit in de bezwaarprocedure naar voorlopig oordeel geen stand zal kunnen houden, terwijl tevens voldoende spoedeisend belang aanwezig is.

3. Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

4. Aangezien tegen het primaire besluit tijdig bezwaar is gemaakt, deze rechtbank in een eventuele bodemprocedure bevoegd zal zijn en ook overigens geen beletselen bestaan, kan verzoekster in haar verzoek worden ontvangen.

5. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

6. Verzoekster ontvangt een bijstandsuitkering. Haar aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekering (UWV) afgewezen. Verzoekster is een bezwaarprocedure gestart tegen deze afwijzing. In deze procedure wordt zij bijgestaan door een advocaat. De kosten voor het inzetten van de advocaat worden vergoed door de Raad voor de Rechtsbijstand. Voor de eigen bijdrage is door verweerder bijzondere bijstand verleend. Op 1 april 2019 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter betaling van de noodzakelijke kosten voor rechtsbijstand, in de vorm van een externe arbeidsmedische expertise die is/wordt gebruikt in een beroepsprocedure tegen het UWV. Bij de aanvraag is een offerte gevoegd van De Landelijke Expertisebalie ter hoogte van € 1.784,75.

7. Bij het primaire besluit is de aanvraag voor bijzondere bijstand afgewezen. Verweerder heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat de bestuursrechter in de beroepsprocedure belast is met het toetsen van het besluit van het UWV. Wanneer de bestuursrechter het nodig acht kan deze een onafhankelijke deskundige benoemen. Verweerder wijst er op dat het een wens is van verzoekster om de deskundige al mee te nemen (alvorens de bestuursrechter heeft getoetst of een onafhankelijke deskundige nodig wordt geacht). De kosten van een externe arbeidsmedische expertise kunnen volgens verweerder niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (Pw).

8. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de PW, voor zover van belang, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

9. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

10. Tussen partijen is in geschil of de door verzoekster gevraagde kosten van een

arbeidsmedische expertise noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW.

11. Het ligt op de weg van verzoekster als aanvrager van bijzondere bijstand om de noodzaak van de gevraagde kosten van een arbeidsmedische expertise aannemelijk te maken. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster daarin niet geslaagd.

12. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 april 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1450) overweegt de voorzieningenrechter dat het aan de rechter in de arbeidsongeschiktheidsprocedure is om een eventuele onevenwichtigheid in bewijspositie tussen betrokkene en het UWV weg te nemen. De betrokkene kan in dit geval van de rechter bijvoorbeeld alsnog de gelegenheid krijgen (medische) gegevens in te brengen of in de gelegenheid gesteld worden zelf een deskundige in te schakelen. Daarbij kan van de bestuursrechter worden gevergd dat deze verduidelijkt wat nodig is. Daaruit volgt dat indien betrokkene zelf een (medisch) deskundige inschakelt, de kosten daarvan in beginsel niet als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Pw kunnen worden aangemerkt. Het laten verrichten van een contra-expertise betreft dan een eigen afweging, waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand kan worden verleend. Verzoeksters procedure tegen het UWV bevindt zich nog in de bezwaarfase. Verzoekster kan in de bezwaarfase haar argumenten zo nodig onderbouwen met medische stukken uit de behandelend sector.

13. Ook de voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verzoeksters aanvraag voor bijzondere bijstand voor een arbeidsmedische expertise dient te worden afgewezen.

14. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het primaire besluit in bezwaar dan ook worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.P.A. Burghoorn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 25 juli 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.