Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4374

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-07-2019
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
18/2625
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/2625

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van der Weerd).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2018 (het primaire besluit) is met ingang van 11 augustus 2018 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan eiser toegekend.

Bij besluit van 20 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2. Op 4 april 2018 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een AOW-pensioen. Aan eiser is met ingang van 11 augustus 2018 een AOW-pensioen toegekend. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat eiser op 11 augustus 2018 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Er is volgens verweerder geen sprake van aantasting van het genot van eigendom. Met de Wet verhoging AOW- en pensioenleeftijd is een wijziging aangebracht in het aanvangstijdstip van de AOW-opbouw. Verweerder acht de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Ook is geen sprake van ongerechtvaardigde leeftijdsdiscriminatie. Evenmin is volgens verweerder sprake van een onevenredig zware last. Op grond van verweerders beleid wordt bij de beoordeling of sprake is van een onevenredig zware last getoetst aan de criteria van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van de OBR. Verweerder ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het voordeel van eiser af te wijken van het beleid. Verweerder heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat eiser, op het moment dat hij de afspraak met zijn werkgever en zijn pensioenfonds maakte, kon weten dat de AOW-leeftijd omhoog zou gaan. Al ruim voor juli 2012, de maand waarin de wet gewijzigd werd, werd al een politieke discussie gevoerd over de verhoging van de AOW-leeftijd. Eiser had het volgens verweerder in ieder geval kunnen weten voordat hij in februari 2014 feitelijk met vroegpensioen ging. Verweerder wijst er op dat eiser op 15 april 2014 een pensioenoverzicht heeft opgevraagd om inzicht te krijgen in zijn AOW-gat van 9 maanden. Pas in 2017 heeft hij actie ondernomen door een extra hypotheek af te sluiten. Omdat eiser op de hoogte was van het verschuiven van de AOW-leeftijd en hij zo lang heeft gewacht met het ondernemen van actie, stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers beroep op een individuele beoordeling van de onevenredige last in zijn situatie geen doel treft. Het feit dat eiser een tweede hypotheek heeft afgesloten om het inkomensverlies op te vangen vormt voor verweerder geen reden om tot een andere beslissing te komen. Eiser heeft niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat de hypotheek ten gunste van zijn inkomensverlies is afgesloten. Een groot deel is ook gebruikt voor een verbouwing. Eiser heeft ook niet aangetoond dat hij opnames heeft gedaan voor zijn levensonderhoud. Daarnaast is verweerder gebleken dat eisers spaartegoed in 2017 met ruim € 5.500,00 is gestegen. Met de door eiser genoemde € 1.200,00 per maand heeft eiser ruim meer gecompenseerd dan eiser aan AOW-pensioen zou hebben gekregen indien de AOW-leeftijd niet was verhoogd. Alles overwegende ziet verweerder geen reden om een andere beslissing te nemen op grond van een onevenredig zware last.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een onevenredig zware last. Eiser geeft aan dat hij op 27 maart 2012 akkoord is gegaan met het voorstel van de werkgever. Hij verkeerde destijds in de veronderstelling dat de vroegpensioenregeling over zou gaan in AOW. Hij was zeker niet op de hoogte van het feit dat de AOW werd opgeschoven. Eiser merkt hierbij op dat voordat hij akkoord ging met de regeling, hij een adviesgesprek heeft gehad met het pensioenfonds. Het pensioenfonds heeft hem geadviseerd met de regeling akkoord te gaan, waarbij niet is gesproken over de verhoging van de AOW-leeftijd. Verder stelt eiser dat hij wel degelijk tijdig heeft gehandeld bij het afsluiten van een extra hypotheek. Volgens eiser is het erg lastig om op oudere leeftijd een extra hypotheek te krijgen. Dit heeft hem dan ook veel tijd en moeite gekost. Verder wijst eiser er op dat verweerder hem niet gevraagd heeft om aan te tonen dat er opnames zijn geweest voor zijn levensonderhoud. Eiser heeft aangegeven dat hij door de verschuiving van de aanvangsleeftijd van de AOW te maken heeft met een forse inkomensdaling. Niet alleen zijn, maar ook de AOW-leeftijd van zijn echtgenote is opgeschoven, waardoor zij dubbel worden gedupeerd. Ten tijde van de overeengekomen regeling met de werkgever was hem in het vooruitzicht gesteld dat hij € 1.400,00 en twee keer € 750,00 (van hem en zijn partner) zou ontvangen. Nu de AOW-bedragen uitbleven zag eiser zich genoodzaakt een lening af te sluiten. Door zijn lichamelijke beperkingen was, en is hij niet in staat om inkomsten uit arbeid te genereren.

4. De rechtbank stelt vast dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde datum van toekenning van het AOW-pensioen bij wet is voorzien, omdat deze direct volgt uit het per 1 april 2012 gewijzigde artikel 16 van de AOW en het per 1 januari 2013 in werking getreden artikel 7a van de AOW.

5. In enkele uitspraken van 18 juli 2016 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:2502 en ECLI:NL:CRVB:2016:2613) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de aanvangs- en pensioengerechtigde leeftijd een inmenging vormt in het eigendomsrecht van een betrokkene als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De Raad heeft deze inmenging in het eigendomsrecht in het algemeen proportioneel geacht en geoordeeld dat die in het algemeen niet leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Overwogen is voorts dat de toepassing van artikel 7a van de AOW in concrete gevallen zou kunnen leiden tot een onevenredig zware last als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), en daardoor tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Of sprake is van een onevenredig zware last moet van geval tot geval op basis van deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beoordeeld.

6. Verweerder heeft het onderzoek naar een eventuele onevenredig zware last beleidsmatig ingevuld en hierbij aangesloten bij de voorwaarden van de OBR. Niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van de OBR. Verweerder heeft in het bestreden besluit echter ook een nader onderzoek gedaan naar de financiële situatie van eiser tijdens de periode van het voor hem geldende AOW-gat. Verweerder heeft op grond van de hiervoor in rechtsoverweging 2 genoemde feiten en omstandigheden geconcludeerd dat eiser door de verhoging van de AOW-leeftijd financieel nadeel heeft ondervonden, maar dat niet is gebleken van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het aannemen van een onevenredig zware last als bedoeld in de hiervoor genoemde uitspraken van de CRvB.

7. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het verschuiven van de ingangsdatum van eisers recht op AOW met 9 maanden bij eiser niet tot een onevenredig zware last heeft geleid. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij slechts door het afsluiten van een extra hypotheek in de noodzakelijke kosten van bestaan in die periode heeft kunnen voorzien. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat eiser een deel van de hypotheek heeft gebruikt voor een verbouwing, en dat eisers spaartegoed in 2017 is toegenomen met € 5.500,00. De rechtbank hecht in dit verband mede betekenis aan het feit dat eiser tenminste vanaf 15 april 2014 op de hoogte kon zijn van het feit dat zijn recht op AOW 9 maanden later zou ingaan. Eiser heeft desondanks niet eerder dan in 2017 een extra hypotheek afgesloten. Eiser stelt weliswaar dat het afsluiten van deze hypotheek gezien zijn leeftijd veel moeite kostte, maar hij heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aannemelijk maken dat eiser al in 2014 het initiatief tot het afsluiten daarvan heeft genomen, maar dat dat pas in 2017 tot daadwerkelijke afsluiting daarvan heeft geleid. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat eisers opname voor levensonderhoud van € 1.200,00 per maand in de periode van 9 maanden het AOW-pensioen ruimschoots oversteeg.

8. Gezien het voorgaande heeft verweerder terecht niet aangenomen dat de situatie waarin eiser tijdens het AOW-gat verkeerde dermate schrijnend was dat in zijn geval sprake was van een onevenredig zware last als hiervoor bedoeld.

9. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. S.A.J. de Jong-Nibourg en mr. L.J.M. Timmermans, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 29 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.