Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4347

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
19/508
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/508

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H.J.M. Harbers),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: G.M.M. Diebels).

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder besloten dat eiser een brutobedrag van € 5.411,69 moet terugbetalen aan verweerder, omdat eiser in de periode 21 april 2018 tot en met 31 juli 2018 ten onrechte een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft ontvangen.

Bij besluit van 4 september 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder besloten tot invordering van een brutobedrag van € 5.540,80.

Bij besluit van 24 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit van 4 september 2018 herroepen en besloten tot invordering van een bedrag van € 5.448,54.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Over de periode 25 mei 2012 tot en met 20 april 2018 had eiser recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Verweerder heeft abusievelijk ook over de periode 21 april 2018 tot en met 31 juli 2018 uitgekeerd. Verweerder vordert het teveel betaalde bedrag terug.

2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder op grond van dringende redenen geheel (primair) of gedeeltelijk (subsidiair) moet afzien van terugvordering, omdat terugvordering tot onaanvaardbare financiële gevolgen leidt. Eiser heeft over de periode 21 april 2018 tot en met 31 juli 2018 geen uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen, omdat hij in voornoemde periode een WIA-uitkering van verweerder ontving. Terugbetaling van die WIA-uitkering leidt er niet toe dat eiser alsnog een Participatiewet-uitkering zal ontvangen over deze periode. Eiser stelt dat hem hierdoor het bestaansminimum is onthouden. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat terugvordering in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

3. Op grond van artikel 77, eerste lid van de Wet WIA is verweerder verplicht om een onverschuldigd betaalde WIA-uitkering terug te vorderen. Verweerder kan van gehele of gedeeltelijke terugvordering afzien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, zo volgt uit het zesde lid van artikel 77 van de Wet WIA.

4. Ter afbakening van het geding stelt de rechtbank vast dat het bedrag dat eiser moet terugbetalen niet ter discussie staat. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van dringende redenen om van (gedeeltelijke) terugvordering af te zien. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale en/of financiële gevolgen die voor eiser als gevolg van de terugvordering van de WIA-uitkering optreden. Het gaat dan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden.

6. De rechtbank heeft er oog voor dat terugvordering van de ontvangen WIA-uitkering financiële gevolgen heeft voor eiser, omdat hij, na invordering, over de periode 21 april tot en met 31 juli 2018 geen inkomen heeft ontvangen. Om echter van dringende redenen te kunnen spreken, moeten die financiële gevolgen onaanvaardbaar zijn. De omstandigheid dat eiser over voormelde periode niet alsnog een Participatiewet-uitkering heeft ontvangen, maakt niet dat sprake is van onaanvaardbare financiële gevolgen die verweerder ertoe moet brengen om van terugvordering van de WIA-uitkering af te zien (vgl. CRvB van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2171). Eiser stelt wel in financiële moeilijkheid te zijn gekomen door deze terugvordering, maar daarvan is niet gebleken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder nog niet tot invordering is overgegaan, eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie en eiser op de zitting heeft aangegeven al langer onder budgetbeheer te staan, omdat hij niet op een verantwoordelijke wijze met zijn financiën kan omgaan.

7. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder moet afzien van de terugvordering over de maand juli 2018, omdat eiser verweerder op 11 juli in kennis heeft gesteld dat hij nog steeds een WIA-uitkering ontving en verweerder nadien alsnog over de maand juli heeft uitgekeerd. Dit betoog slaagt niet. Daargelaten of hier sprake is van een trage gevalsbehandeling, volgt uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld CRvB 10 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:BB6899) dat het stilzitten van verweerder geen dringende reden oplevert om van (gedeeltelijke) terugvordering af te zien.

8. Het beroep van eiser op het rechtszekerheidsbeginsel faalt. Een situatie waarin geldend recht met terugwerkende kracht is gewijzigd ten nadele van eiser, doet zich hier niet voor. Evenmin doet zich de situatie voor waarin de regelgeving zo onduidelijk was dat eiser niet wist wat van hem werd verwacht.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kooijman, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J.A. van Bree, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 23 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.