Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4221

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
18/2122
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/2122

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juli 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. van 't Laar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder

(gemachtigden: mr. J.L.S. van de Velden en M.M. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor een woningaanpassing in de vorm van het verwijderen van het bad en het realiseren van een douche op afschot, afgewezen.

Bij besluit van 14 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gedeeltelijk herroepen, maar de afwijzing van de woningaanpassing Wmo-woonvoorziening met een gewijzigde motivering gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.


Bij tussenuitspraak van 5 juni 2019 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, het gebrek in de besluitvorming te herstellen, dan wel binnen twee weken de rechtbank te laten weten geen gebruik te zullen maken van voornoemde mogelijkheid. Bij brief van 18 juni 2019 heeft verweerder de rechtbank bericht dat hij geen gebruik maakt van de geboden gelegenheid het gebrek in de besluitvorming te herstellen.

De rechtbank heeft vervolgens op 28 juni 2019 met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 5 juni 2019 overwogen dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening en dat eiser gedurende de afschrijvingstermijn had kunnen reserveren voor de renovatie van de badkamer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag van eiser ten onrechte om die reden afgewezen. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 5 juni 2019. De rechtbank neemt over en blijft bij al wat zij in deze tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.

2. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder bij brief van 18 juni 2019 de rechtbank heeft bericht dat hij het gebrek in de besluitvorming niet wenst te herstellen. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak en de tussenuitspraak van 5 juni 2019 is overwogen.

3. Nu het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.024,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 512,00) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder tevens het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen, met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak van 5 juni 2019;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.024,00;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 46,00 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, voorzitter, en
mr. M. van ‘t Klooster en mr. L.J.M. Timmermans, leden, in aanwezigheid van
drs. M.T. Petersen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 16 juli 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 5 juni 2019 kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.