Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4216

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
13-01-2020
Zaaknummer
18/3103
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 18/3103

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, verweerder,

(gemachtigde: mr. P.S.J. de Koning).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op 4 juli 2018 de vergoeding ingetrokken van toevoeging [nummer 1] nadat is gebleken dat de advieswerkzaamheden vallen onder het bereik van de afgegeven toevoeging met kenmerk [nummer 2] .

Bij besluit van 29 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2019. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Eiseres was tot 1 januari 2018 werkzaam als advocaat en nam deel aan het High Trust-programma van de raad voor rechtsbijstand. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door de raad naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden vervolgens achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd.

3. Op 4 mei 2017 heeft eiseres namens [naam] een toevoeging aangevraagd in verband met het verlenen van rechtsbijstand door eiseres in een civiele zaak in verband met het aanspreken van haar vereniging van eigenaren (VvE). Verweerder heeft de toevoeging met kenmerk [nummer 1] verleend. Bij besluit van 24 november 2017 heeft verweerder de vergoeding naar aanleiding van de op basis van de toevoeging verrichte werkzaamheden op € 391,07 vastgesteld.

4. Bij besluit van 4 juli 2018, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder na een steekproefcontrole op 13 juni 2018 de vergoeding voor rechtsbijstand die is verleend op basis van voormelde toevoeging ingetrokken. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaar van de raad, op het standpunt gesteld dat geen recht bestaat op een separate vergoeding voor de toevoeging met kenmerk [nummer 1] , omdat deze onder het bereik valt van de toevoeging met kenmerk [nummer 2] . De toevoegingen zien op hetzelfde rechtsbelang op grond waarvan de advieswerkzaamheden onder het bereik van de toevoeging met kenmerk [nummer 2] vallen.

5. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat de advieswerkzaamheden onder het bereik van toevoeging met kenmerk [nummer 2] vallen.

Er was sprake van twee conflicten. De buurman van haar cliënte die tevens bestuurslid van de VvE is, veroorzaakte overlast. De VvE weigerde daartegen op te treden. Daarnaast had haar cliënte, los van de kwestie met haar buurman, meer problemen met de VvE.

De overlast met de buurman is aangepakt middels een kort geding bij de civiele rechter van 21 augustus 2017. Het conflict met de VvE is van latere datum en daarin heeft eiseres een brief verstuurd aan de VvE en de bestuurders in persoon. De grondslag van het conflict is er in gelegen dat de VvE in strijd handelde met haar eigen reglement, zoals dat in de splitsingsakte is opgenomen. Daarbij richtte het conflict zich bijvoorbeeld ook op het niet volgen van de regels betreffende de kleurstelling van het buitenschilderwerk van alle betrokken woningen. Dat heeft helemaal geen relatie met het conflict met een buurman. Zowel de problematiek als de rechtsgang waarbij de kantonrechter bevoegd zou zijn, wijkt volledig af van wat er aan de orde was met de directe buurman. Verder heeft eiseres aangegeven dat verweerder in het kader van een steekproef toevoeging [nummer 2] heeft gecontroleerd. Er is vervolgens besloten de vergoeding op [nummer 1] in te trekken zonder het betreffende dossier op te vragen of een nadere toelichting te verlangen.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van hetzelfde rechtsbelang waarvoor toevoeging [nummer 2] en onderhavige toevoeging is afgegeven. Dat sprake is van twee wederpartijen maakt niet dat geen sprake kan zijn van hetzelfde rechtsbelang (voor de rechtzoekende). Het onderliggende feitencomplex is immers steeds hetzelfde: het ervoor zorgen dat de ervaren overlast door de buren wordt opgeheven. Daarbij wordt verwezen naar beide toevoegingsaanvragen waarin een identieke omschrijving is opgenomen. Dat getracht wordt om de overlast op te laten heffen door zowel de buurman als de VvE aan te spreken, maakt niet dat het rechtsbelang verschillend is.

7. Op grond van artikel 29 lid 4 Bvr wordt de vergoeding op nihil gesteld indien bij de vaststelling blijkt dat de zaak onder het bereik van een toevoeging van een andere zaak valt.

8.
Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb kan verweerder een toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.
Ingevolge artikel 32 van de Wrb geldt een toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend, en in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

9. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2808, volgt uit de artikelen 28, eerste lid, aanhef en onder b, en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang bezien, dat indien sprake is van één rechtsbelang met één toevoeging kan worden volstaan, tenzij sprake is van verschillende procedures dan wel, in geval van één procedure, sprake is van meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb. Er is geen sprake van verschillende procedures als beide procedures wat betreft het onderwerp van geschil en het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex identiek of vrijwel identiek zijn.

10. Derhalve dient eerst de vraag te worden beantwoord of het nieuwe verzoek om een toevoeging op hetzelfde rechtsbelang ziet waarvoor de eerder verstrekte toevoeging met kenmerk [nummer 2] is verstrekt.

11. De rechtbank overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de werkzaamheden die eiseres heeft verricht in de zaak met toevoegnummer [nummer 1] en toevoegnummer [nummer 2] hetzelfde rechtsbelang betreffen. Beide geschillen vloeien namelijk voort uit het feit dat de VvE volgens de rechtzoekende in strijd handelt met de splitsingsakte. Aan de ene kant omdat de VvE weigert op te treden tegen de directe buurman die lid is van de VvE waarvan rechtzoekende al jarenlang overlast van ondervindt en aan de andere kant omdat de VvE de regels niet volgt van bijvoorbeeld de kleurstelling van het buitenschilderwerk van alle betrokken woningen. Eiseres heeft er op zich terecht op gewezen dat de rechtzoekende meerdere belangen had. De in deze zaak te beantwoorden vraag is echter of er binnen het gegeven toetsingskader één dan wel meerdere rechtsbelangen waren. Wat dat betreft volgt de rechtbank verweerders standpunt dat er sprake is van één rechtsbelang. De zaken hebben een zodanige samenhang dat zij hetzelfde rechtsbelang betreffen. Dat beide conflicten een andere wederpartij en een andere rechtsgang zouden hebben gehad, indien het tot een procedure was gekomen, maakt dat niet anders nu er in de zaak waarvoor toevoegnummer [nummer 1] is verleend, slechts advieswerkzaamheden zijn verricht. Het betoog van eiseres slaagt niet.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.M.C. van Og, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 12 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 28 lid 1 aanhef en onder b Wrbt

Het bestuur kan de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Artikel 32 Wrb

De toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

Besluit vergoedingen rechtsbijstand

Artikel 29 Bvr

1. Het bestuur kan de juistheid of volledigheid van de door de rechtsbijstandverlener verstrekte informatie of overgelegde bescheiden bij de desbetreffende instantie controleren.

2. Het bestuur stelt de vergoeding vast op grond van de door de rechtsbijstandverlener verstrekte informatie en met inachtneming van artikel 2.

3. Indien de bij de aanvraag verstrekte informatie onjuist of onvolledig is, kan het bestuur de vergoeding vaststellen met inachtneming van de beschikbare juiste informatie.

4. De vergoeding wordt op nihil gesteld indien bij de vaststelling blijkt dat de zaak onder het bereik van een toevoeging van een andere zaak valt.

Artikel 39 Bvr

Lid 1:

In afwijking van de hoofdstukken II en III kan het bestuur de vergoedingen bepalen met inachtneming van nader vast te stellen kwaliteitscriteria, mits de desbetreffende rechtsbijstandverlener of rechtsbijstandverleners daarmee instemmen.

Lid 2:

Het bestuur kan met instemming van de rechtsbijstandverlener afwijken van het bepaalde in hoofdstuk IV over de wijze van aanvragen en de overige procedureregels inzake de vaststelling van de vergoeding.

Lid 3:

Het bestuur stelt beleidsregels vast voor de toepassing van het eerste en tweede lid en vermeldt deze beleidsregels in het jaarplan, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, van de wet.