Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4081

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
18/1970
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/1970

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: A.G. Lavrijsen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder de hoogte van eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vastgesteld over het jaar 2016 en vastgesteld dat te veel (voorschot) WIA-uitkering aan eiser is uitbetaald ter hoogte van een bedrag van € 7.219,26 bruto. Dat bedrag is van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 24 april 2018 (het correctiebesluit I) heeft verweerder het primaire besluit I gewijzigd, in die zin dat is vastgesteld dat eiser niet € 7.219,26 bruto te veel aan uitkering heeft ontvangen, maar € 7.796,04 bruto.

Bij besluit van 2 mei 2018 (het correctiebesluit II) is verweerder overgegaan tot terug- en invordering van het bedrag van € 7.796,04.

Bij besluit van 6 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gericht tegen de vaststelling van het recht op WIA-uitkering over 2016 en de terugvordering ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is zelfstandige (timmerman) en sinds 12 maart 2007 vrijwillig verzekerd voor de WIA. Aan eiser is, op aanvraag, per 31 december 2011 een WIA-uitkering toegekend. Omdat eiser werkt als zelfstandige, wordt de definitieve hoogte van zijn WIA-uitkering achteraf vastgesteld. Verweerder heeft op grond van de definitieve aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2016 eisers recht op WIA-uitkering vastgesteld. Dit heeft geleid tot de hier in geding zijnde besluitvorming.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat eiser over 2016 een WIA-uitkering heeft ontvangen van € 2.204,42 per maand. Uit de door de belastingdienst aangeleverde gegevens blijkt dat eisers winst uit onderneming in het jaar 2016 € 19.149 bedroeg, eiser geen ondernemersaftrek heeft genoten en de MKB-winstvrijstelling € 3.118 bedroeg. Eisers inkomen als zelfstandige bedroeg in 2016 dan ook in totaal € 22.267

(€ 19.149 + € 3.118). Dit komt neer op een gemiddeld inkomen per maand van € 1.855,58 (€ 22.267 gedeeld door 12). Verweerder heeft 70% van het verschil tussen € 1.855,58 en het bedrag dat eiser volgens de arbeidsdeskundige kan verdienen (€ 927,42) in mindering gebracht op de door eiser ontvangen uitkering van € 2.204,42. Ook heeft verweerder rekening gehouden met het over 2016 teveel ontvangen bedrag aan vakantiegeld van

€ 576,78 bruto. Dit heeft geleid tot het terug te vorderen totaalbedrag als vermeld in de hiervoor genoemde besluitvorming.

3. Eiser voert aan dat hij door het Uwv onjuist is voorgelicht. Hij stelt dat hij bij het Uwv, onder andere bij de arbeidsdeskundige en daarnaast ook telefonisch, heeft nagevraagd of de inkomsten die zijn verkregen door ingehuurde personen tot zijn inkomen worden gerekend. Volgens eiser is hem meermaals medegedeeld dat alleen de door hemzelf gewerkte uren in zijn bedrijf zouden meetellen in het kader van het te korten inkomen. Eiser voert aan dat de inkomsten uit zijn bedrijf over 2016 grotendeels zijn behaald door personen die hij heeft ingehuurd. Vanwege zijn gezondheid kon eiser zelf maar 275 uren aan zijn bedrijf besteden. Aangezien zijn uurtarief € 35 bedraagt, vindt eiser dat verweerder maar maximaal € 9.625 (275 x € 35) in mindering mag brengen op de aan hem uitbetaalde WIA-uitkering.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. In artikel 21, derde lid, van de Wet WIA, is de hoogte van de WGA-uitkering op grond van de vrijwillige verzekering per kalendermaand geregeld. Op grond van artikel 21, vijfde lid, van de Wet WIA wordt op de WGA-uitkering, bedoeld in het derde lid, indien de persoon, die op grond van deze paragraaf verzekerd is, een inkomen verdient dat hoger is dan zijn resterende verdiencapaciteit als bedoeld in artikel 60, vierde en vijfde lid, per kalendermaand in mindering gebracht: 0,7 x A x B/C waarbij:

A staat voor dat meerdere;

B staat voor het dagloon waarnaar de WGA-uitkering is berekend;

C staat voor het dagloon waarnaar de WGA-uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

6. Op grond van artikel 21, zesde lid van de Wet WIA, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan.

7. Op grond van artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) wordt bij een zelfstandige, zoals eiser, onder inkomen uit arbeid verstaan: de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in de artikelen 3.74 en 3.79a van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, van die wet, niet geacht worden te behoren tot de winst.

8. Uit artikel 4:1, eerste en vijfde lid, van het AIB volgt dat de belastbare winst uit onderneming evenredig wordt toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar. Op grond van artikel 4:1, elfde lid, van het AIB bepaalt het UWV het inkomen op een andere wijze indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat verweerder de hoogte van zijn WIA-uitkering over 2016 heeft berekend conform de hiervoor genoemde wet- en regelgeving. Gelet op de hiervoor genoemde bepalingen dient bij de berekening van het inkomen uit te worden gegaan van de belastbare winst uit onderneming. Uit de door verweerder gebruikte gegevens van de belastingdienst (de definitieve aanslag) volgt dat de fiscale winst in 2016 in totaal € 22.267 bedraagt. Verweerder dient bij de berekening uit te gaan van deze gegevens en de door eiser gemaakte fiscale keuzes. Voor het eventueel middelen van inkomsten over meerdere kalenderjaren, zoals door eiser ter zitting gesteld, bestaat in dit geval geen ruimte. Verweerder is dan ook over het jaar 2016 van een juist bedrag aan inkomen uitgegaan.

10. Op grond van de artikelen 76 en 77 van de Wet WIA is verweerder gehouden de WIA-uitkering te herzien en de teveel betaalde uitkering terug te vorderen. Dringende redenen om hiervan af te wijken, zijn gesteld noch gebleken.

11. De door eiser gestelde onjuiste voorlichting door het Uwv, vat de rechtbank op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat beroep kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:900), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is hier, zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft aangegeven, niet gebleken. Eiser heeft zijn stelling dat de arbeidsdeskundige onjuiste informatie heeft gegeven niet onderbouwd. De rechtbank kan uit de arbeidskundige rapportages van 21 november 2011 en 25 augustus 2015 niet opmaken dat eiser is toegezegd dat de inkomsten die behaald zijn door inschakeling van derden, buiten beschouwing zouden worden gelaten bij het berekenen van de hoogte van zijn uitkering. Sterker nog, in de rapportage van 25 augustus 2015 van arbeidsdeskundige mevrouw Rijbroek staat onder 5. Gespreksverslagen: “(…) De heer [eiser] geeft aan dat hij nu nog steeds doorwerkt in zijn eigen bedrijf maar dat het werk meer toeziendhoudend van aard is geworden en dat voor de uitvoerende werkzaamheden ZZP-ers worden ingehuurd. Hiermee zijn er nog steeds verdiensten maar is zijn aandeel in het realiseren ervan minder geworden. Hierop werd aangegeven dat bij de beoordeling van verdiensten (bij vrijwillige verzekering WIA) het niet zozeer van belang is wie de arbeid verrichten maar dat de beoordeling zal plaatsvinden op verlies van verdiensten en daarbij wordt uitgegaan van het fiscaal resultaat dat aan de klant wordt toegerekend. Uitgelegd werd dat van de verdiensten die de resterende verdiencapaciteit overschrijden 70% wordt gekort. Hiermee is het niet zeker dat de verhoging van de mate van arbeidsongeschiktheid ook een verhoging van de uitkering betekent. De heer [eiser] geeft aan dat het hem nu duidelijk is hoe de beoordeling van de verdiensten in elkaar zit.” Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank juist dat de arbeidsdeskundige eiser juist heeft voorgelicht. Verweerder heeft ter zitting verklaard nog navraag te hebben gedaan bij mevrouw Rijbroek of nadien nog nadere afspraken met eiser zijn gemaakt, maar zij betwist dat.

12. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit stand houden.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Heer Schotman, rechter, in aanwezigheid van

Z. Selkan, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 11 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.