Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4068

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-07-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
18/1039
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/1039

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: A.G. Lavrijsen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2017 (primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiser ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 16 mei 2016 beëindigd.

Bij besluit van 3 november 2017 (primaire besluit II) heeft verweerder de over de periode van 1 mei 2016 tot en met 30 september 2017 verstrekte WW-uitkering tot een bedrag van
€ 50.475,33 (bruto) van eiser teruggevorderd.

Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank besloten dat het onderzoek nog niet volledig was. De rechtbank heeft daarop het onderzoek ter zitting geschorst. Eiser heeft nadere stukken ingediend. Verweerder heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten zonder een nadere zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2. Eiser ontvangt per 1 oktober 2015 een uitkering ingevolge de WW.

3. Naar aanleiding van een onderzoek van verweerder naar personen die vanuit het buitenland inloggen op websites van verweerder zoals werk.nl, heeft verweerder geconstateerd dat eiser regelmatig vanuit Engeland inlogde, terwijl hij niet had doorgegeven buiten Nederland te verblijven. Verweerder heeft een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek is eiser door een handhavingsinspecteur gehoord op 16 oktober 2017. In het gespreksverslag is opgenomen dat eiser heeft verklaard dat hij vanaf februari 2016 één á twee dagen per week in Engeland verbleef om werk te zoeken en dat hij vanaf week 20 van 2016 gemiddeld drie á vier dagen per week en het hele weekend in Engeland verbleef. Eiser heeft dit verslag ondertekend. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder in het primaire besluit van 30 oktober 2017 bepaald dat de WW-uitkering met ingang van 16 mei 2016 wordt beëindigd omdat eiser vanaf 16 mei 2016 in het buitenland verblijft.

4. Bij bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 16 mei 2016, anders dan wegens vakantie, in het buitenland heeft verbleven. Eiser heeft dit verblijf niet aan verweerder gemeld. Gelet op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW had eiser per 16 mei 2016 geen recht meer op een WW-uitkering en dient de te veel betaalde WW-uitkering, een bedrag van € 50.475,33, te worden teruggevorderd. Volgens verweerder is geen sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

5. Eiser kan zich niet met dit besluit verenigen en voert aan dat zijn verklaring, zoals is neergelegd in het gespreksverslag van 16 oktober 2017 niet juist is. Eiser stelt dat hij ten opzichte van de handhavingsinspecteur heeft aangegeven dat hij vanaf de tweede helft van 2016 gemiddeld één dag in de werkweek en in het weekend in Engeland verbleef.

6. Na de zitting heeft eiser stukken overgelegd om zijn verblijf in Nederland aan te tonen. Dit betreffen een factuur van een loodgieter van 28 augustus 2016, een e-mailbericht aan de zorgverzekeraar van eiser inhoudende dat hij per 1 maart 2018 is geëmigreerd naar Engeland, bankafschriften van de Rabobank over de jaren 2016 en 2017, en boekingsbevestigingen van vliegtickets tussen Amsterdam en Birmingham.

7. Verweerder heeft in reactie op deze gegevens aangegeven dat de Dienst Handhaving over de gehele terugvorderingsperiode de inlogs op werk.nl is langsgegaan en dat is gebleken dat alle inlogs over het tijdvak hier in geding uit het buitenland kwamen, veelal uit Engeland. Voor wat betreft de factuur van de loodgieter heeft verweerder aangevoerd dat deze niets aantoont over het verblijf van eiser in Nederland. De stopzetting van de zorgverzekering zegt evenmin iets over verblijf van eiser in Nederland. Het aantal vluchten van en naar Engeland waar eiser bewijs van heeft overgelegd staat niet in verhouding tot het aantal weken dat er ingelogd is vanuit Engeland, waarbij voor een deel van de vluchtdocumentatie bovendien geldt dat deze ziet op een tijdvak buiten de terugvorderingsperiode. Ten aanzien van de bankafschriften heeft verweerder aangegeven dat aan het type transactie kan worden gezien waar de pashouder heeft verbleven en dat de transacties die duiden op verblijf in Nederland, maar een beperkt aantal betreft. Een aantal van die transacties is bovendien gelegen in weekenden, buiten de terugvorderingsprocedure of op Schiphol. Niet gesteld kan worden dat hieruit blijkt dat eiser beschikbaar was om werk te aanvaarden op de Nederlandse arbeidsmarkt.

8. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

9. Op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW heeft de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie geen recht op uitkering.

10. Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW eindigt het recht op uitkering zodra de werknemer geen recht op uitkering heeft op grond van artikel 19.

11. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt hij dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de mededelingsplicht van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

12. Op grond van artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht op verzoek van het Uwv of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het Uwv, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering.

13. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald door het Uwv teruggevorderd. Op grond van het zesde lid kan het Uwv indien daarvoor dringende redenen zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

14. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser door aan verweerder geen melding te doen van het verblijf in Engeland, de mededelingsplicht van artikel 25 van de WW heeft geschonden.

15. Het is volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aan verweerder om met verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat met ingang van 16 mei 2016 de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW van toepassing is. Nu verweerder de volledige WW-uitkering terugvordert, dient verweerder aannemelijk te maken dat eiser feitelijk verblijf hield in Engeland gedurende het hele tijdvak (vergelijk: CRvB 22 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5845).

16. Uit de inloggegevens van eiser heeft verweerder kunnen afleiden dat eiser veelvuldig in Engeland heeft verbleven. Op basis van deze gegevens kan evenwel niet worden aangenomen dat sprake is geweest van onafgebroken feitelijk verblijf in Engeland: uit de lijst die verweerder heeft overgelegd blijkt dat er gemiddeld één keer per week is ingelogd vanuit Engeland: dit is geen bewijs dat eiser de gehele periode in Engeland verbleef.

17. Voor wat betreft de duur van het verblijf van eiser is het volgende van belang. In het gesprekverslag van de handhavingsinspecteur van verweerder met eiser is de volgende verklaring van eiser opgenomen:

“Ik ben sinds (uw registratie van de IP logging week 20-2016) gemiddeld drie á vier dagen per week en het hele weekend in Engeland.”

18. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze verklaring. De stelling van eiser dat zijn verklaring verkeerd is vastgelegd in het rapport van verweerder, volgt de rechtbank niet. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat in beginsel van de juistheid van tegenover beambten belast met onderzoek naar de rechtmatigheid van uitkeringen afgelegde verklaringen mag worden uitgegaan, zodat aan het intrekken daarvan of het achteraf ontkennen van het verklaarde, zeker wanneer dat niet direct nadien gebeurt, geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van ECLI:NL:CRVB:2011:BP0698 en de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512). In dit geval is eiser erop gewezen dat hij na ontvangst van het gespreksverslag nog de gelegenheid heeft om binnen drie werkdagen eventuele op- en aanmerkingen te geven, van welke gelegenheid eiser ook gebruik heeft gemaakt bij e-mail van 18 oktober 2017. Daarin heeft eiser niet gezegd dat zijn verklaring over het aantal dagen dat hij in Engeland verbleef niet juist was. Pas nadat eiser werd geconfronteerd met de gevolgen van zijn verklaring, heeft eiser - in de bezwaarfase - aangegeven dat de weergave van zijn verklaring niet juist is. Dit acht de rechtbank niet geloofwaardig.

19. De verklaring van eiser levert echter evenmin het bewijs voor de stellingname van verweerder dat eiser sinds 16 mei 2016 onafgebroken in Engeland verbleef. Op grond van deze verklaring zou immers aangenomen moeten worden dat eiser elke week ook 1 á 2 werkdagen per week in Nederland verbleef.

20. Verweerder heeft geen ander onderzoek ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit dan de inloggegevens en de verklaring van eiser. Dat betekent dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek heeft. In dat besluit heeft verweerder immers ten onrechte aangenomen dat eiser sinds 16 mei 2016 steeds in Engeland verbleef. Verweerder kan wel worden gevolgd in zijn opvatting dat uit de verzamelde gegevens blijkt dat eiser veelvuldig, te weten 3 á 4 werkdagen per week, in Engeland heeft verbleven.

21. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld nader bewijs over te leggen voor zijn stelling dat hij veel meer, namelijk gemiddeld vier werkdagen per week, in Nederland verbleef. In het leveren van dat bewijs is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, tonen de factuur van de loodgieter en het opzeggen van de zorgverzekering niets aan over het feitelijke verblijf van eiser in Nederland in de in geding zijnde periode. De vluchtgegevens van eiser kunnen geen volledige weergave zijn van wanneer eiser in Nederland verbleef en wanneer in Engeland, nu niet alle momenten waarop eiser in Engeland heeft ingelogd vallen in periodes waarin eiser volgens de vluchtgegevens in Engeland verbleef. De banktransacties die kunnen dienen als bewijs dat eiser op dat moment in Nederland was, zijn zeer beperkt van aantal: eiser heeft in een periode van anderhalf jaar op slechts 13 dagen in Nederland gepind, waarvan maar zes dagen werkdagen betroffen.

22. De conclusie van het voorgaande is dat verweerder niet over de periode van 1 mei 2016 tot en met 30 september 2017 tot volledige intrekking en terugvordering van de WW-uitkering heeft kunnen besluiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder wel bewijs dat eiser in ieder geval drie werkdagen per week in Engeland verbleef. Over die dagen kon de uitkering van eiser worden ingetrokken. Verweerder heeft over deze uren onverschuldigd betaald en was daarom op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW ook verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen.

23. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet gelet op het voorgaande worden vernietigd. De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit zal moeten nemen met inachtneming van hetgeen is bepaald in deze uitspraak.

24. Nu het beroep gegrond is, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden en wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser in beroep. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het geven van een andere schriftelijke toelichting na zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2018 gegrond;

  • -

    Vernietigt het besluit van 23 maart 2018;

  • -

    Draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    Bepaalt dat verweerder het aan eiser betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt;

  • -

    Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Palmboom, voorzitter, mr. F.M.S. Requisizione en mr. I. Boekhorst, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. de Kruif, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 10 juli 2019.

griffier de voorzitter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.