Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4047

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
11-12-2019
Zaaknummer
18/2051
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/2051

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. D. Kotterman),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cuijk, verweerder

(gemachtigde: mr. L.M.W. Roelofs).

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder - voor zover thans van belang - besloten om eisers voor de periode van 22 oktober 2015 tot en met
31 december 2015 niet alsnog een bijstandsuitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) toe te kennen.

Bij besluit van 12 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2019. De gemachtigde van eisers is verschenen samen met eiseres, eiser is niet verschenen. Voor eisers is ook verschenen
G. van den Berg, sociaal psychiatrisch verpleegkundige (hierna: Van den Berg). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eisers hebben zich op 22 oktober 2015 gemeld bij verweerder voor een uitkering ingevolge de Pw. Op 7 januari 2016 is door eisers een aanvraagformulier ondertekend en dat formulier is door verweerder ontvangen op 11 januari 2016. Die aanvraag wordt hierna aangeduid als de aanvraag van 7 januari 2016. Op het aanvraagformulier hebben eisers als gewenste ingangsdatum voor de uitkering 1 januari 2016 ingevuld. Bij besluit van 23 februari 2016 heeft verweerder de aanvraag van 7 januari 2016 afgewezen. Verweerder heeft die afwijzing gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 27 juni 2016.

1.2

Bij uitspraak van 30 december 2016 (SHE 16/2392) heeft deze rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van 27 juni 2016 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Ter finale beslechting van het geschil heeft de rechtbank voorts bepaald dat aan eisers over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 een bijstandsuitkering moet worden toegekend naar de norm van gehuwden, dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 27 juni 2016 en dat verweerder de door eisers gemaakte proceskosten (€ 992,00) en het door hen betaalde griffierecht (€ 46,00) moet vergoeden. Partijen zijn niet in hoger beroep gegaan van deze uitspraak.

1.3

Bij brief van 3 november 2017 heeft de gemachtigde van eisers – voor zover thans van belang – verweerder verzocht om eisers alsnog bijstand toe te kennen over de periode van 22 oktober 2015 tot en met 31 december 2015. Volgens eisers heeft de rechtbank uitspraak gedaan over de periode van januari tot en met maart 2016, maar is door eisers verifieerbaar aan te tonen dat zij al per oktober 2015 een bijstandsuitkering hebben aangevraagd, hetgeen betekent dat zij alsnog aanspraak kunnen maken op een uitkering over de periode van oktober 2015 tot en met 31 december 2015.

1.4

Bij het primaire besluit van 14 februari 2018 heeft verweerder besloten aan eisers geen bijstandsuitkering toe te kennen voor de periode van 22 oktober 2015 tot en met
31 december 2015.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat door eisers geen aanvraag is gedaan voor een bijstandsuitkering voor de periode van 22 oktober 2015 tot 1 januari 2016. Eisers hebben in de aanvraag van 7 januari 2016, die is ingediend op 11 januari 2016, als ingangsdatum voor de bijstand 1 januari 2016 vermeld. In beroep heeft ook de rechtbank aangenomen dat bijstand is aangevraagd per 1 januari 2016. Op basis van alle feiten en omstandigheden is volgens verweerder terecht het besluit genomen om niet alsnog bijstand te verstrekken over de periode van 22 oktober 2015 tot 1 januari 2016.

3. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen zij hebben aangevoerd, zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat het beroep enkel ziet op de door eisers gestelde omstandigheid dat verweerder weliswaar heeft beslist op de aanvraag van 7 januari 2016 maar dat er door eisers nog een andere aanvraag is ingediend, en dat verweerder daarop niet heeft beslist. Eisers stellen dat zij van verweerder op het gesprek van 29 oktober 2015 een aanvraagformulier hebben ontvangen. Dat hebben eisers, zo voeren zij aan, ingevuld en aan verweerder geretourneerd. Volgens eisers heeft verweerder met die aanvraag niets gedaan. Vervolgens is er op 5 januari 2016 weer een gesprek geweest met verweerder. Eisers hebben toen weer een aanvraagformulier ontvangen. Ook dat hebben ze aan verweerder geretourneerd. Die aanvraag is door verweerder op 11 januari 2016 ontvangen. Op die aanvraag is beslist bij het besluit van 25 februari 2016. Eisers hebben ter zitting aangegeven dat het hun in de onderhavige zaak niet gaat om de aanvraag die door verweerder op 11 januari 2016 is ontvangen. Het gaat eisers om de op het gesprek van
29 oktober 2015 aan eisers uitgereikte en door eisers vervolgens ingevulde en aan verweerder geretourneerde aanvraagformulieren. Eisers hebben er op gewezen dat Van den Berg bevestigt dat op 29 oktober 2015 aan eisers een aanvraagformulier is uitgereikt.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat slechts één aanvraag bekend is, te weten de aanvraag van 7 januari 2016, die door verweerder op 11 januari 2016 is ontvangen. Op die aanvraag van 7 januari 2016 is door verweerder beslist bij besluit van 23 februari 2016 en de rechtbank heeft in het beroep tegen de beslissing op bezwaar over die aanvraag uitspraak gedaan. Als eisers het met die uitspraak niet eens waren, hadden ze volgens verweerder hoger beroep moeten instellen.

7. Gelet op het verhandelde ter zitting concentreert het geschil zich op de vraag of eisers naast de aanvraag van 7 januari 2016 nog een andere, een tweede, aanvraag hebben ingediend waarop door verweerder niet is beslist.

8. Verweerder heeft ter zitting de gang van zaken bij het aanvragen van een bijstandsuitkering en het uitreiken van een aanvraagformulier toegelicht. Als personen zich melden voor een bijstandsuitkering vindt er vervolgens een gesprek met een poortwachter plaats. Daarbij worden de rechten en plichten voor een bijstandsuitkering uitgelegd en wordt een aanvraagformulier met bijlage uitgereikt. Op die bijlage wordt aangekruist welke stukken nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. Volgens verweerder is dat bij de aanvraag van 7 januari 2016 gebeurd in een gesprek van 29 oktober 2015. Gelet hierop is niet in geschil dat er op 29 oktober 2015 een gesprek over het verkrijgen van een bijstandsuitkering heeft plaatsgevonden bij de gemeente waarbij aan eisers een aanvraagformulier is uitgereikt. Verweerder heeft ter zitting ook toegelicht dat aanvraagformulieren voor bijstand ‘in principe niet’ op een andere wijze kunnen worden verkregen, bijvoorbeeld via het internet, dan uitreiking in een gesprek met de poortwachter

9. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende aangetoond dat er daadwerkelijk nog een andere aanvraag is ingediend. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder heeft betwist dat er nog een andere aanvraag is ingediend en dat verweerder heeft aangegeven niet bekend te zijn met andere gesprekken waarbij een aanvraagformulier is uitgereikt dan het gesprek op 29 oktober 2015. De rechtbank maakt uit de stukken, en dan met name de brief van mevrouw I. van Dijk, consulent werk, inkomen en zorg bij verweerder en de rapportage Participatiewet van 5 januari 2016, weliswaar op dat er ook op 5 januari 2016 een gesprek heeft plaatsgevonden, maar niet is gebleken dat tijdens dat gesprek aan eisers opnieuw een aanvraagformulier is uitgereikt. Verder heeft ook Van den Berg enkel verklaard dat op 29 oktober 2015 aan eisers een aanvraagformulier is uitgereikt.

Voorts geldt dat eisers geen stukken van een tweede aanvraag hebben overgelegd. Uit de toelichting van verweerder ter zitting over de gang van zaken bij het aanvragen van een bijstandsuitkering, welke gang van zaken als zodanig niet door eisers is betwist, maakt de rechtbank bovendien op dat gebruikelijk is dat een aanvraagformulier alleen wordt uitgereikt tijdens een gesprek met de poortwachter. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat er nog een andere, een tweede, aanvraag is geweest naast de aanvraag van 7 januari 2016. De enkele stelling van eisers dat er een tweede aanvraag is ingediend, acht de rechtbank gelet op het voorgaande onvoldoende voor een andere conclusie.

10. Nu niet is komen vast te staan dat eisers behalve de aanvraag van 7 januari 2016 nog een andere aanvraag hebben ingediend, heeft verweerder terecht besloten om eisers geen bijstand toe te kennen voor de periode van 22 oktober 2015 tot en met 31 december 2015. Of de brief van 3 november 2017 zelf moet worden gezien als een aanvraag, is niet als beroepsgrond naar voren gebracht en behoeft dus niet te worden besproken.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.S. Abbing, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken

op 9 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.